Het chineesche woord „yoh” in den tekst beteekent feitelijk
samenbinden, en ook bij contract iets aannemen, maar kan hier
alleen beteekenen „vastbesloten zijn, standvastig zijn.” De
commentaar van Choe Hie zegt dan ook „yoh is niet buitensporig
(losbandig) zijn en niet loslaten.”—Verliezen hier ook in den zin
van „dwalen” te nemen.
XXIV. De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ wil langzaam-voorzichtig zijn in
zijne woorden en vlug-prompt in zijne daden.”
XXV. De Meester zeide: „De deugd is niet alleen, maar heeft stellig
buren.”
De bedoeling is: „de deugd trekt de deugd aan, en een deugdzaam
mensch zal spoedig andere deugdzamen tot vrienden hebben.”
XXVI. Tszʼ Yoe zeide: „In het dienen van een Vorst leiden veel
vermaningen tot ongenade; onder vrienden leiden veel vermaningen tot
verwijdering.”
Tenzij dit als eene verzuchting en niet als een les bedoeld is,
komt dit hoofdstuk mij voor, niet best te correspondeeren met
XVIII.
Ik heb dit Boek IV in zijn geheel vertaald, om den lezer een idee
te geven, hoe zulk een boek in elkaar zit. In ’t vervolg bepaal ik
mij weder tot fragmenten.