XXIII. De Meester zeide: „De standvastigen verliezen zelden iets.”

Het chineesche woord „yoh” in den tekst beteekent feitelijk

samenbinden, en ook bij contract iets aannemen, maar kan hier

alleen beteekenen „vastbesloten zijn, standvastig zijn.” De

commentaar van Choe Hie zegt dan ook „yoh is niet buitensporig

(losbandig) zijn en niet loslaten.”—Verliezen hier ook in den zin

van „dwalen” te nemen.

XXIV. De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ wil langzaam-voorzichtig zijn in

zijne woorden en vlug-prompt in zijne daden.”

XXV. De Meester zeide: „De deugd is niet alleen, maar heeft stellig

buren.”

De bedoeling is: „de deugd trekt de deugd aan, en een deugdzaam

mensch zal spoedig andere deugdzamen tot vrienden hebben.”

XXVI. Tszʼ Yoe zeide: „In het dienen van een Vorst leiden veel

vermaningen tot ongenade; onder vrienden leiden veel vermaningen tot

verwijdering.”

Tenzij dit als eene verzuchting en niet als een les bedoeld is,

komt dit hoofdstuk mij voor, niet best te correspondeeren met

XVIII.

Ik heb dit Boek IV in zijn geheel vertaald, om den lezer een idee

te geven, hoe zulk een boek in elkaar zit. In ’t vervolg bepaal ik

mij weder tot fragmenten.

De Chineesche Filosofie, Toegelicht voor niet-Sinologen, 1. Kh'oeng Foe Tsz' (Confucius) · 第 89 / 107 题