I. Het schoone van een dorp (buurt) is de menschelijkheid. Als iemand
er een om te wonen uitkiest, waar geen menschelijkheid is, hoe kan hij
dan wijsheid verkrijgen?
Ik wijs er nog eens uitdrukkelijk op dat „jen”, in boeddhistische
werken enkel genade, liefde en medelijden beteekenend, in Confucius
niet alleen die liefde uitdrukt, maar ook alle deugden, die aan een
mensch eigen, die menschelijk zijn.
II. De Meester zeide: „Menschen zonder menschelijkheid kunnen niet lang
in een toestand van ellende zijn, en niet in een toestand van pleizier.
De menschelijken rusten in menschelijkheid. De wijzen begeeren
menschelijkheid.”
De bedoeling is, dat menschen zonder menschelijkheid in armoede
overslaan tot onwettige dingen, als diefstal enz. en in pleizier
tot losbandigheid.—Vergelijk voor de rest dit artikel met de
„Choeng Yoeng”, Hfdst. XIV, Nos. 1 en 2.
III. De Meester zeide: „Alleen zij, die menschelijk zijn, kunnen
anderen liefhebben, of anderen haten.”
IV. De Meester zeide: „Als de wil ernstig gericht is op
menschelijkheid, is er geen slechts (in ons).”
V. 1. De Meester zeide: „Rijkdom en aanzien zijn wat de menschen
begeeren. Als zij niet in Tao verkregen kunnen worden moet men niet (in
dat verlangen) wonen (rusten). Armoede en lage stand is wat de menschen
haten. Als het niet in Tao kan verkregen worden (dat men daarvan
bevrijd blijft) moet men er niet van weggaan.
2. Als de Kiün Tszʼ van menschelijkheid weggaat, hoe kan hij dan dien
naam (van Kiün Tszʼ) volmaakt verdienen?
3. De Kiün Tszʼ gaat niet voor den tijd van één maaltijd tegen
menschelijkheid in. In haast zijnde blijft hij er in, in gevaar blijft
hij er in.”
Vergelijk hiermede „Choeng Yoeng” Hfdst. I. No. 2. Menschelijkheid
ligt natuurlijk in Tao, d. i. in het volgen van de Sing, en kan dus
óók nooit worden verlaten.
VI. 1. De Meester zeide: „Ik heb nog niet iemand gezien, die
menschelijkheid liefhad, en niet-menschelijkheid haatte. Voor iemand
die menschelijkheid liefheeft, gaat niets daar boven. Iemand, die
niet-menschelijkheid haat, zou wat niet-menschelijk is nooit tot zich
laten naderen.
2. Is er iemand, die één dag lang zijne krachten inspant tot (het
verkrijgen van) menschelijkheid? Ik heb nog niet gezien, dat die kracht
niet toereikend zou zijn.
3. Als er al eens zoo’n geval geweest ware, ik heb het nog niet
gezien.”
VII. De Meester zeide: „De fouten van de menschen zijn eigen aan hun
soort (klasse). Ziende naar iemands fouten kan men zijn menschelijkheid
weten.”
Een commentator zegt o. a. „Om iemands fouten kan men zijn hart
doorgronden, en dan kan men ook zijn menschelijkheid zien. Hoe zou
het aangaan te zeggen, dat iemand geen menschelijkheid heeft omdat
hij fouten heeft?”
Juist aan de fouten, die iemand heeft, en die eigen zijn aan zijn
klasse, en als zoodanig dikwijls vergefelijk, kan men dus zijn
menschelijkheid veelal zien.
VIII. De Meester zeide: „Als men ’s morgens den rechten Weg (Tao) hoort
kan men ’s avonds wel sterven.”
IX. Een geleerde, wiens wil gericht is op Tao, maar die zich schaamt
voor slechte kleeren en slecht voedsel, die is niet geschikt om mede te
redeneeren.
X. De Kiün Tszʼ onder den Hemel heeft geen vooringenomenheid vóór, of
vooroordeel tegen dingen. Hij doet wat recht is.
Het chineesche woord „iʼ”, een der hoofddeugden, in dezen zin waar
het te pas komt door „recht” vertaald en elders door
„plichtmatigheid” beteekent juister omschreven „het volgen van de
rede van den Hemel.”
XI. De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ denkt aan de deugd, de kleine
mensch aan zijn gemak. De Kiün Tszʼ denkt aan de wetten, de kleine
mensch aan gunst.”
XII. De Meester zeide: „Tegen hem, die (in alles) zijn voordeel volgt
zal over zijn gedrag veel gemurmureerd worden.”
XIII. De Meester zeide: „Als (een Vorst) met het ware wezen van het
Decorum zijn staat kan regeeren, wat zal er dan moeilijk voor hem
(kunnen) zijn? Als hij den staat niet met het ware wezen van het
Decorum kan regeeren, wat heeft hij dan met het Decorum te maken?”
In den tekst staat het woord „shang” dat weer heel moeilijk door
één hollandsch equivalent te vertalen is. Het beteekent zoowel
welwillendheid, bescheidenheid, nederigheid, kieschheid als
beleefdheid.—Choe Hie zegt in zijn commentaar: „„shang” is het ware
wezen van de Lí (het Decorum)” en dit heb ik dan ook in mijne
vertaling gebruikt.—Lí mag dus niet alleen in ijdelen uitwendigen
vorm bestaan, maar moet haar ware wezen, de „shang” in zich hebben.
XIV. De Meester zeide: „Men moet niet bezorgd zijn dat men geen plaats
(rang, betrekking) heeft, (maar) men moet bezorgd zijn of men er wel
een kan vervullen. Men moet niet bezorgd zijn, dat men niet bekend is,
(maar) men moet er voor zorgen, dat men bekend kán wezen.”
XV. 1. De Meester zeide: „Tsʼan, [70] mijn Leer is eene eenheid, die
alles samenhoudt.” De filosoof Tseng zeide: „Ja.”
Men zegt, dat toen Confucius deze woorden uitte, hij een waaier in
dicht gevouwen vorm aan zijne leerlingen voorhield, en dien toen
uitspreidde, en daarna weer dicht vouwde, zeggende: „begrijpt gij
wat ik hiermede bedoel, Tsʼan?” Dit vergelijke men met de „Choeng
Yoeng” en wel de Inleiding daarvan, waarin gesproken wordt van het
ééne principe, dat uitgespreid wordt en dan weer terugkeert, dat
wordt ontrold en weer opgevouwen. Dat ééne principe is hier
natuurlijk niets anders dan de Sing, de bron en oorsprong van
alles, „dat, wat de Hemel als natuur heeft verleend.” (Choeng
Yoeng, Hfdst. I. No. 1.) Ik heb het chineesche „kwan” vertaald door
„samenhoudt.” Letterlijk beteekent het het rijgen van vele paarlen
aan één draad, hier dus te vergelijken met één principe, dat door
alles en allen heen gaat.
2. De Meester ging de deur uit, en de andere (discipelen) vroegen: „Hoe
bedoelt hij dat?” De filosoof Tseng zeide: „De Leer van mijn’ Meester
is: „De principes van zijn eigen Sing (natuur, zie Choeng Yoeng) te
cultiveeren en den plicht van wederkeerigheid te betrachten”; dit is
het, en niets anders.”
Dit „wederkeerigheid” (uitgedrukt door een „hart” met „gelijk als”,
er boven, dus: „evenals mijn hart”) te begrijpen als „anderen te
helpen, op te wekken, om ook de Sing te ontwikkelen, en hun niet te
doen wat wij zelven niet wenschen gedaan te worden.” Het Eéne is
dus de Sing, de goddelijke natuur, die in allen dezelfde is.
XVI. De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ houdt zich aan plichtmatigheid, de
kleine mensch houdt zich aan winst.”
Met plichtmatigheid wordt hier bedoeld „dat wat behoorlijk is
volgens de rede van den Hemel,” met winst „dat wat de hartstochten
begeeren” dus rijkdom, lust, aanzien enz. Er staat in den tekst
niet „zich houden aan” maar „in gesprek zijn met, spreken met.”
XVII. De Meester zeide: „Als men een eerwaardig mensch ziet, moet men
hem (trachten te) evenaren; als men een niet eerwaardig mensch ziet,
moet men zichzelven van binnen onderzoeken (of wij ook niet als hij
zijn misschien).”
XVIII. De Meester zeide: „In het dienen van onze ouders moeten wij hen,
als de gelegenheid dat vereischt, vermanen; als wij zien, dat het hun
neiging niet is om (onzen raad) te volgen, moeten wij hun reverentie
(blijven) betoonen, maar het (toch) niet opgeven; als het ons groote
moeite geeft moeten wij er niet over murmureeren.”
Hieruit ziet men, dat de Hiao niet enkel bestaat in het liefhebben
en vereeren van de ouders, maar dat het ook de plicht der kinderen
is, om hen, als ze dwalen, te vermanen. Luisteren de ouders er niet
naar, dan moeten zij juist hun liefde en reverentie verdubbelen, om
hen in hen te doen gelooven en zoo invloed op hen te krijgen. „De
vermaning,” zegt een chineesch commentator, „moet gebeuren met een
in harmonie rustig gezicht, een verheugde gelaatskleur, een zachte
stem, en een nederig humeur.” Al kost het nóg zooveel moeite en
verdriet, toch mogen de kinderen daarover niet murmureeren.
Hetzelfde geldt voor jongeren broeder tegenover ouderen broeder,
voor vriend tegenover vriend, voor leerling tegenover leermeester
en, in uitgebreiden zin, voor onderdaan tegenover vorst of
gouvernement. De hooge ambtenaren heeten n.l. in ’t chineesch
„ouders-mandarijnen.”
XIX. De Meester zeide: „Als de vader en de moeder nog in leven zijn mag
(het kind) niet veraf (in den vreemde) zwerven. (Als hij gaat) moet hij
naar een (bepaalde) vaste plaats gaan.”
XX. De Meester zeide: „Als (de zoon) in drie jaren niet afwijkt van den
weg zijns vaders, dan kan men dat Hiao noemen.”
Dit punt is door latere geleerden en filosofen druk betwist en
bestreden. Immers de vraag doet zich voor. „Als de vader zelf nu
eens níet den goeden, maar den verkeerden weg beging?”
XXI. De Meester zeide: „De ouderdom van vader en moeder mag niet
vergeten worden, èn niet (als reden) voor vreugde, èn niet (als reden)
voor vrees.
Als reden voor vreugde, omdat bij de Chineezen hooge ouderdom een
eerwaardig ding is, een gunst van den Hemel, en als reden voor
vrees, omdat de kinderen altijd moeten vreezen, hunne ouders te
verliezen.
XXII. De Meester zeide: „Dat de Ouden geen (beter: zoo weinig) woorden
uitten, was omdat zij zich schaamden dat hunne daden er niet aan toe
zouden komen.”