DE TEKST VAN CONFUCIUS.

1. De Leer van Ta Hiŏh is: de schitterende deugd helder te maken, het

volk te hernieuwen, en te rusten in het opperste Goede.

Met „de schitterende deugd” wordt bedoeld, datgene, die deugdelijke

natuur, die de mensch oorspronkelijk van den Hemel heeft verkregen.

(Vergelijk „Choeng Yoeng”). Door de slechte lusten en begeerten van

den mensch wordt die schitterende deugd dikwijls verduisterd. De

wijze mensch, die zijn eigen oorspronkelijke schitterende deugd

helder maakt en houdt, maakt ook door zijn Leer, zijne wijze

lessen, en zijn voorbeeld, de deugd van andere menschen weer

helder, weer nieuw. Nieuw is hier te verstaan in den zin van „rein,

na verduisterd te zijn, dus weer helder, weer nieuw geworden.”

Steeds zal het volk zijn oorspronkelijke deugd door lust en

begeerte weer verduisterd zien, maar door de Leer van de wijzen

wordt zij vernieuwd, herreind.

Met het „rusten in het opperste Goede” wordt bedoeld èn te blijven

volgen het uitmuntendste gedrag, èn het opvoeren van de twee

hierboven bedoelde zaken (n.l. het verhelderen van zichzelven en

hernieuwen van ’t volk) tot den hoogsten graad van volkomenheid.

Deze drie dingen worden genoemd „de drie hoofden” van de Ta Hiŏh.

2. Weet men, wáár te moeten rusten (in het opperste Goede) dan is (het

doel van ons levensstreven) vastgesteld. Is dit eenmaal vastgesteld,

dan kan er kalmte zijn. Is er kalmte, dan kan er (stabiele) rust zijn.

Is er (stabiele) rust dan kan er (ernstige) meditatie zijn. Is er

(ernstige) meditatie, dan zal (het einddoel) worden verkregen.

Het hoofdidee van dezen tekst is dus: „uit het weten wáár te moeten

rusten in het opperste Goede volgt ook het verkrijgen van die rust

in het opperste Goede.”

Weet men het eenmaal, dan is het levensdoel vastgesteld, en is men

dus zeker van het feit, dat het leven niet nutteloos is, maar naar

een hoog doel leidt. Dit zal den mensch kalmte geven, d. w. z. dat

de gedachten op het innerlijk leven zullen gericht zijn en niet

langer naar dingen van buiten, naar dingen van begeerte. Is die

kalmte verkregen, dan is er ook rust, dus geen weifeling en

verwarring; is die rust in ons, dan is het ook mogelijk, zuiver na

te denken zonder afdwaling; en in die zuivere, reine overpeinzing

wordt gevonden de rust in, het blijven in het opperste Goede.

3. Dingen hebben een oorsprong en een einde. Zaken hebben een einde en

een begin. Weten wát eerst en wát laatst is, is dicht bij Tao zijn.

[55]

Het helder maken van de deugd is de oorsprong, het hernieuwen van

het volk is het einde. Te weten wáár te rusten in het opperste

Goede is het begin, het verkrijgen daarvan is het einde.

4. De ouden, die de schitterende deugd door het geheele keizerrijk

wilden heldermaken, regeerden eerst hun rijk (goed).

Wilden zij hun rijk regeeren, dan regelden zij eerst hunne families.

Wilden zij hunne families regelen, dan verzorgden zij eerst zichzelven

(hun eigen karakter). Wilden zij zichzelf (hun eigen karakter)

verzorgen, dan maakten zij eerst hunne bedoelingen en gedachten ernstig

en oprecht; wilden zij hunne bedoelingen en gedachten ernstig en

oprecht maken, dan voerden zij hun kennis tot het allerhoogste op. De

kennis tot het hoogste opvoeren bestaat in het doorgronden van de

dingen.

Deze acht dingen heeten „De acht détails.”

Voor „bedoelingen en gedachten” staat in den tekst één woord, „i”;

voor ernstig en oprecht ook één, „Chʼing”. Ik vreesde met één enkel

begrip te weinig van de ware beteekenis te geven. Het laatste „het

doorgronden der dingen”, dat ik meen te kunnen doen equivaleeren

met „het doorgronden van het ware Wezen van alle dingen en

verschijningen” lijkt mij toe, eene geheele, mystieke filosofie

apart te wezen. Dit sluit zich aan met de mystiek van de „Choeng

Yoeng” waarin de Wijze één met Hemel en Aarde wordt genoemd en

zelfs verondersteld met dezen in hare operaties en acties samen te

werken.

Evenals in de „Choeng Yoeng” zien we dus hier het regeeren van een

staat en transformeeren van het volk slechts als een uitvloeisel

van en onvermijdelijk verbonden aan de cultivatie van het Zelf.

5. Werden de dingen doorgrond, dan werd de kennis tot het hoogste

opgevoerd. Werd de kennis tot het hoogste opgevoerd, dan werden de

bedoelingen en gedachten oprecht en ernstig. Werden de bedoelingen en

gedachten oprecht en ernstig dan werden de menschen zelven (hun

karakter) verzorgd. Werd hun karakter verzorgd, dan werden hunne

families geregeld. Werden de families geregeld, dan werden de staten

(goed) geregeerd. Werden de staten (goed) geregeerd, dan was er vrede

en rust over het geheele rijk.

6. Van den Keizer af tot de massa van het volk toe moeten allen het

verzorgen van zichzelf (zijn eigen karakter) als de Oorsprong (van al

het andere) beschouwen.

7. Wordt de Oorsprong verward, dan kan er niets wat daaruit voortkomt

tot goede orde worden gebracht. Het is nog nooit gebeurd, dat wat van

groot gewicht was, licht werd geacht en tegelijkertijd dat wat van geen

belang was, van groot gewicht werd geacht.

De Chineesche Filosofie, Toegelicht voor niet-Sinologen, 1. Kh'oeng Foe Tsz' (Confucius) · 第 56 / 107 题