HOOFDSTUK XXX.

1. Choeng Ni (Confucius) leverde de leer van Yaou en Shoen over, als

waren zij zijne voorvaderen, en handhaafde de wetten van Wĕn en Woe als

zijn model. Hij harmonieerde met de tijden des Hemels bóven, en was

aangepast aan de (natuur) van het water en het land beneden.

„De tijden des Hemels” is „de onophoudelijke, regelmatige beweging

van den Hemel”, en „het water en het land” hier in tegenstelling

met den Hemel, is gebruikt, omdat die massief en onbewegelijk zijn.

Aldus Choe Hie, en op diens gezag Legge. Heel helder is het voor

europeesch begrip niet.

2. Hij was als de Hemel en de Aarde in hun steunen en omvatten, hun

overschaduwen en overhuiven van alle dingen. Hij was als de vier

seizoenen, in hun afwisselenden gang, als de zon en de maan, in hun

successievelijk schijnen.

De hoogste verglorieïng van den Wijze, hier Confucius, is dus het

gelijk zijn in wezen en actie aan de natuur, daar deze dan ook

precies in Tao is.

3. Alle dingen worden te zamen gevoed, zonder elkaar te kwetsen. De Tao

van alle dingen gaat denzelfden weg, zonder botsing onderling. De

kleinere deugden zijn als stroomen van een rivier, de grootere zijn

machtig transformeerend. Dit is (juist) wat Hemel en Aarde zoo groot

maakt.

Werd dus de Sing maar rein bewaard, zoodat alles in Tao ging, dan

zou alles naast elkaar vredig kunnen bestaan, zonder kwetsing en

botsing onderling. Als men diep doordenkt, zal men zien dat Tao,

het precies volgen van de Sing, de hemelsche natuur, ook zeer

gerust zou kunnen genoemd worden „De natuurlijke gang der dingen”!

In het begin is het volgen van Tao eenvoudig als het stroomen van

rivierstroompjes, later wordt het een hooger leven van machtige

transformaties. (Zie ook Hfdst. XXII en XXIII.)

De Chineesche Filosofie, Toegelicht voor niet-Sinologen, 1. Kh'oeng Foe Tsz' (Confucius) · 第 49 / 107 题