1. Choeng Ni (Confucius) leverde de leer van Yaou en Shoen over, als
waren zij zijne voorvaderen, en handhaafde de wetten van Wĕn en Woe als
zijn model. Hij harmonieerde met de tijden des Hemels bóven, en was
aangepast aan de (natuur) van het water en het land beneden.
„De tijden des Hemels” is „de onophoudelijke, regelmatige beweging
van den Hemel”, en „het water en het land” hier in tegenstelling
met den Hemel, is gebruikt, omdat die massief en onbewegelijk zijn.
Aldus Choe Hie, en op diens gezag Legge. Heel helder is het voor
europeesch begrip niet.
2. Hij was als de Hemel en de Aarde in hun steunen en omvatten, hun
overschaduwen en overhuiven van alle dingen. Hij was als de vier
seizoenen, in hun afwisselenden gang, als de zon en de maan, in hun
successievelijk schijnen.
De hoogste verglorieïng van den Wijze, hier Confucius, is dus het
gelijk zijn in wezen en actie aan de natuur, daar deze dan ook
precies in Tao is.
3. Alle dingen worden te zamen gevoed, zonder elkaar te kwetsen. De Tao
van alle dingen gaat denzelfden weg, zonder botsing onderling. De
kleinere deugden zijn als stroomen van een rivier, de grootere zijn
machtig transformeerend. Dit is (juist) wat Hemel en Aarde zoo groot
maakt.
Werd dus de Sing maar rein bewaard, zoodat alles in Tao ging, dan
zou alles naast elkaar vredig kunnen bestaan, zonder kwetsing en
botsing onderling. Als men diep doordenkt, zal men zien dat Tao,
het precies volgen van de Sing, de hemelsche natuur, ook zeer
gerust zou kunnen genoemd worden „De natuurlijke gang der dingen”!
In het begin is het volgen van Tao eenvoudig als het stroomen van
rivierstroompjes, later wordt het een hooger leven van machtige
transformaties. (Zie ook Hfdst. XXII en XXIII.)