1. Hij, die tot het opperheerschap over het rijk komt, en deze drie
gewichtige dingen heeft, zal weinig fouten maken.
De chineesche geleerden zijn het niet eens, wat met „deze drie
gewichtige dingen” wordt bedoeld. Ik meen dat Legge, (die deze
uitlegging overnam van den commentator Loeh, uit de Thʼang
dynastie) de juiste verklaring geeft als te zijn „de deugd, de rang
en de geschikte tijd.”
2. De Lí van vroegere tijden, ofschoon (nóg zoo) goed, kan niet door
getuigenis bevestigd worden. Niet bevestigd, wordt er niet in geloofd,
en niet geloofd, volgt het volk haar niet. De Lí van iemand van lageren
rang, ofschoon (nóg zoo) goed, wordt niet geëerbiedigd (door dien lagen
rang). Niet geëerbiedigd, wordt er niet in geloofd, en niet geloofd,
volgt het volk haar niet.
3. Daarom, de instellingen en wetten van den (Vorst die een) Kiün Tszʼ
(is), hebben hun Oorsprong in zijn eigen karakter, en de bevestiging er
van gebeurt door de groote massa van het volk. Hij toetst ze aan die
der drie Koningen, en bevindt (dan) dat ze vlekkeloos zijn. Hij stelt
ze op voor (het gezicht van) Hemel en Aarde, en vindt er (dan) niets in
tegen de natuur. Hij houdt ze den geesten voor, zonder er aan te
twijfelen. Hij (is voorbereid te wachten) honderd eeuwen daarna tot (de
oprijzing van) een Wijze, en weet dat er geen dwalingen in zijn.
4. Dat hij ze den geesten voorhoudt, zonder er aan te twijfelen,
bewijst, dat hij den Hemel kent. Dat hij (voorbereid is te) wachten,
honderd eeuwen daarna, tot de oprijzing van een Wijze, en weet dat er
geen dwalingen in zijn, bewijst, dat hij de menschen kent.
Dit is een der hoofdideeën van Confucius, dat de regeering van den
vorst haar Oorsprong heeft in zijn eigen karakter. De Sing van den
Vorst de oorsprong van de geheele regeering. Is die rein, dan
zullen zijne wetten niets bevatten wat strijdig is tegen den Hemel.
De drie bedoelde koningen zijn Yü, Thʼang en Wĕn (met Woe).
5. Dit aldus zijnde, zijn de bewegingen van den Vorst van invloed op
het geheele rijk, voor eeuwen. Zijn daden zijn wet voor het geheele
rijk, voor eeuwen. Zijn woorden zijn regel voor het geheele rijk, voor
eeuwen. Die ver van hem zijn, zien bewonderend naar hem op, die dicht
bij hem zijn, zijn hem nooit moede.
6. De Shi King zegt: „Hier niet gehaat, dáár niet benijd, zal men zijn
lof dag en nacht roemen.” Er is nog nooit een Vorst geweest, die niet
hieraan beantwoordde, en vroeg door het geheele rijk beroemd was.