HOOFDSTUK XXXI.

1. Alleen hij, die de opperste wijsheid heeft onder den Hemel, kan

voldoende vlug van bevatting, helder van doorzicht, van vér-reikende

intelligentie, àlomvattend van kennis zijn, om de regeering uit te

oefenen; voldoende grootmoedig, edelaardig, vriendelijk en zacht om

verdraagzaam te zijn; voldoende impulsief, krachtig, ferm en resoluut

om zich te handhaven; genoeg zelfbeheersching hebben, ernstig zijn, in

„Choeng” blijven en correct zijn, om reverentie af te dwingen; genoeg

algemeen ontwikkeld zijn, oordeel hebben, doordringen in (het wezen

der) dingen, om te kunnen onderscheiden (wat recht en onrecht, goed en

slecht is).

2. Alles-omvattend en oneindig groot is hij, en diep als een

springbron, en zendt zijne deugden voort in de juiste seizoenen.

3. Alles-omvattend en oneindig groot is hij, als de Hemel. Onpeilbaar

als een springbron, is hij als een afgrond. Hij wordt gezien, en het

geheele volk vereert hem; hij spreekt, en het geheele volk gelooft hem;

hij handelt, en het geheele volk verblijdt in hem.

Zou daarom een bron en een afgrond als symbool zijn genomen als

vergelijking met de Sing?

„Hij wordt gezien” als hij zich in staatsiegewaad en muts vertoont,

„hij spreekt” als hij zijne wetten, bepalingen, bevelen enz.

uitvaardigt, „hij handelt” in de ceremoniën, de muziek, de

bestraffingen, en regeeringsdaden. (Legge.)

4. Daarom, zijn roem overvloeit het geheele Rijk van het Midden, en

strekt zich uit tot alle barbaarsche stammen. Wáár schepen en wagenen

komen, wáár de menschelijke kracht doordringt, wáár de Hemel overwelft

en de Aarde draagt, wáár zon en maan schijnen, wáár rijp en dauw

vallen, eerbiedigen hem allen, die bloed en levensprincipe hebben, en

volgen allen hem na. Daarom zegt men „Hij is de gelijke van den Hemel.”

De Chineesche Filosofie, Toegelicht voor niet-Sinologen, 1. Kh'oeng Foe Tsz' (Confucius) · 第 50 / 107 题