1. Alleen hij, die de opperste wijsheid heeft onder den Hemel, kan
voldoende vlug van bevatting, helder van doorzicht, van vér-reikende
intelligentie, àlomvattend van kennis zijn, om de regeering uit te
oefenen; voldoende grootmoedig, edelaardig, vriendelijk en zacht om
verdraagzaam te zijn; voldoende impulsief, krachtig, ferm en resoluut
om zich te handhaven; genoeg zelfbeheersching hebben, ernstig zijn, in
„Choeng” blijven en correct zijn, om reverentie af te dwingen; genoeg
algemeen ontwikkeld zijn, oordeel hebben, doordringen in (het wezen
der) dingen, om te kunnen onderscheiden (wat recht en onrecht, goed en
slecht is).
2. Alles-omvattend en oneindig groot is hij, en diep als een
springbron, en zendt zijne deugden voort in de juiste seizoenen.
3. Alles-omvattend en oneindig groot is hij, als de Hemel. Onpeilbaar
als een springbron, is hij als een afgrond. Hij wordt gezien, en het
geheele volk vereert hem; hij spreekt, en het geheele volk gelooft hem;
hij handelt, en het geheele volk verblijdt in hem.
Zou daarom een bron en een afgrond als symbool zijn genomen als
vergelijking met de Sing?
„Hij wordt gezien” als hij zich in staatsiegewaad en muts vertoont,
„hij spreekt” als hij zijne wetten, bepalingen, bevelen enz.
uitvaardigt, „hij handelt” in de ceremoniën, de muziek, de
bestraffingen, en regeeringsdaden. (Legge.)
4. Daarom, zijn roem overvloeit het geheele Rijk van het Midden, en
strekt zich uit tot alle barbaarsche stammen. Wáár schepen en wagenen
komen, wáár de menschelijke kracht doordringt, wáár de Hemel overwelft
en de Aarde draagt, wáár zon en maan schijnen, wáár rijp en dauw
vallen, eerbiedigen hem allen, die bloed en levensprincipe hebben, en
volgen allen hem na. Daarom zegt men „Hij is de gelijke van den Hemel.”