HOOFDSTUK XXVIII.

1. De Meester zeide: „Een domme, die gaarne zijn eigen zin volgt;

iemand van inferieuren rang, die zichzelf gaarne bestuurt; iemand van

tegenwoordig, die strijdig doet aan de wegen der Ouden; over dezulken,

die aldus doen, zullen stellig rampen komen.”

In dit hoofdstuk daalt Tszʼ Szʼ weder neer uit zijn mystische

bespiegelingen, om weer eenvoudig de woorden van Confucius aan te

halen.

2. Alleen de Keizer mag de Lí regelen, de afmetingen vaststellen, en de

karakters bepalen.

3. Tegenwoordig hebben over het geheele rijk de wagens dezelfde wielen,

het schrift dezelfde karakters, het gedrag dezelfde regels.

4. Men moge (al) den (vorstelijken) rang bezitten, als men de deugd

(daartoe behoorende) niet heeft, mag men het niet wagen, Lí of Muziek

te maken. Men moge al de deugd bezitten, als men den vorstelijken rang

niet (daarbij) heeft, mag men het niet wagen, Lí of Muziek te maken.

5. De Meester zeide: „Ik vertel van de Lí der Hia dynastie, maar Kie

kan daar niet genoeg getuigenis van geven. Ik heb de Lí van de Yin

dynastie geleerd, die in Soeng overgebleven is. Ik heb de Lí van Chow

geleerd, die nu in gebruik is, en ik volg Chow.”

Legge merkt hier zeer juist bij aan, dat uit dit hoofdstuk blijkt,

hoe drie dingen noodig zijn om de wet aan het keizerrijk te geven:

„de deugd, de rang, en de geschikte tijd.” In No 2 wordt met de Lí

bedoeld: „de ceremoniën in godsdienstige bijeenkomsten en in

gezelschap”, met afmetingen: „de voorschriften omtrent het bouwen

van huizen, den vorm van wagens, van kleederen” enz. enz. Bij No 5

zij aangeteekend, dat Kie een klein staatje was, waar de Hia’sche

ceremoniën nog in gebruik waren. Zoowel in Kie als in Soeng waren

de schoone kunsten en beschaafde vormen en gebruiken niet meer

geëerd, en voor een groot deel verloren gegaan, en er leefden geen

wijze mannen, zoodat Confucius niemand had kunnen vinden om

voldoende voor de waarheid zijner beschrijving van de ceremoniën

der oude Hia dynastie te kunnen getuigen. Daarom gebruikte hij

gewillig de nieuwere Lí van Chow.

De Chineesche Filosofie, Toegelicht voor niet-Sinologen, 1. Kh'oeng Foe Tsz' (Confucius) · 第 47 / 107 题