4. Het wacht op den (rechten) mensch, en daarna wordt het begaan.

5. Daarom zegt men: „Als het niet door de opperste deugd is, kan de

opperste Tao niet verwezenlijkt worden.”

6. Daarom eert de Kiün Tszʼ zijn deugd en zijn Sing, en zal hij steeds

onderzoek doen en studeeren, totdat hij het in al zijn uitgebreidheid

en grootheid kent, van het grofste tot het fijnste, het doende oprijzen

tot die hoogte en die helderheid, totdat hij in „Choeng Yoeng” gaat.

Hij oefent (door herhaling) het oude, en (maakt dat hij) het nieuwe

weet. Hij betracht een (absoluten) ernst om de Lí hoog te houden.

Men lette er op, hoe in No 2 het begrip van Tao nog mystiek is, en

in No 3 weer terugkeert tot de gewone dingen en verrichtingen der

menschen, als b. v. de Lí. Ook blijkt hier weer uit, welke diviene

waarde aan de Lí wordt gehecht, daar zij onafscheidelijk van Tao

is.

7. Daarom, in een hooge positie is de Kiün Tszʼ niet trotsch, en in een

lage positie niet oneerbiedig. Als het rijk wordt geregeerd volgens

recht zullen zijn woorden voldoende zijn om hem hoog te doen rijzen;

als het rijk wordt geregeerd niet volgens recht zal zijn stilzwijgen

voldoende zijn het hem te doen verdragen. De Shi King zingt:

„Verstandig is hij en schrander, en zoo behoedt hij zijn persoon.” Is

dit niet zoo?

De Chineesche Filosofie, Toegelicht voor niet-Sinologen, 1. Kh'oeng Foe Tsz' (Confucius) · 第 46 / 107 题