5. Daarom zegt men: „Als het niet door de opperste deugd is, kan de
opperste Tao niet verwezenlijkt worden.”
6. Daarom eert de Kiün Tszʼ zijn deugd en zijn Sing, en zal hij steeds
onderzoek doen en studeeren, totdat hij het in al zijn uitgebreidheid
en grootheid kent, van het grofste tot het fijnste, het doende oprijzen
tot die hoogte en die helderheid, totdat hij in „Choeng Yoeng” gaat.
Hij oefent (door herhaling) het oude, en (maakt dat hij) het nieuwe
weet. Hij betracht een (absoluten) ernst om de Lí hoog te houden.
Men lette er op, hoe in No 2 het begrip van Tao nog mystiek is, en
in No 3 weer terugkeert tot de gewone dingen en verrichtingen der
menschen, als b. v. de Lí. Ook blijkt hier weer uit, welke diviene
waarde aan de Lí wordt gehecht, daar zij onafscheidelijk van Tao
is.
7. Daarom, in een hooge positie is de Kiün Tszʼ niet trotsch, en in een
lage positie niet oneerbiedig. Als het rijk wordt geregeerd volgens
recht zullen zijn woorden voldoende zijn om hem hoog te doen rijzen;
als het rijk wordt geregeerd niet volgens recht zal zijn stilzwijgen
voldoende zijn het hem te doen verdragen. De Shi King zingt:
„Verstandig is hij en schrander, en zoo behoedt hij zijn persoon.” Is
dit niet zoo?