Hierop (n.l. op hem, die reeds de opperste „Chʼing” bezit) volgt hij,
die het kromme cultiveert (d. i. het onvolmaakte in hem volmaakt). Van
kromheid kan „Chʼing” komen. Deze „Chʼing” wordt (als in vorm)
zichtbaar. Van (als in vorm) zichtbaar wordt zij gemanifesteerd. Van
gemanifesteerd wordt zij schitterend. Schitterend zijnde beweegt zij
(andere menschen en dingen). Bewegende doet zij veranderen. Doende
veranderen transformeert zij.
Alleen hij, die de opperste Chʼing heeft onder den Hemel, kan (andere
menschen en dingen) transformeeren.
Heeft Tszʼ Szʼ het in Hoofdstuk XXII gehad over degenen, die reeds
van nature de opperste „Chʼing” hadden (Vergelijk ook Hfdst. XX. No
9), in dit hoofdstuk behandelt hij degenen, die eerst het kromme
(onvolmaakte) in zich nog recht (volmaakt) moeten maken. Is dat
kromme eenmaal recht gemaakt, dan is eveneens de „Chʼing” bereikt,
die de Wijze al had (Zie Hfdst. XX. No 9: „Maar als het werk
volmaakt is, is het resultaat ’t zelfde”).