HOOFDSTUK XXIV.

Het is de natuurlijke eigenschap van de opperste „Chʼing” om (de

toekomst) vooruit te weten. Zal een staat of eene familie bloeien, dan

zijn er stellig goede voorteekenen. Zal een staat of eene familie

ondergaan, dan zijn er stellig kwade voorteekenen. Een en ander is te

zien aan het duizendblad en de schildpad, en het beweegt de vier

ledematen. Als geluk of ramp naderbij komt zal (hij, die „Chʼing”

heeft) het goede stellig vooruit weten, en het kwade ook. Daarom, hij,

die de opperste Chʼing heeft, is als een geest.

Dat de volmaakte mensch alwetend is, en de toekomst vooruit kan

weten is een idee, dat men in oud-indische systemen van filosofie

kan terugvinden, en niet zoo absurd is, als het oppervlakkig wel

schijnt. Maar de wijze, waarop dit idee hier in de practijk wordt

voorgesteld, n.l. door middel van wichelarij, is belachelijk, en

geheel uit den toon van deze serie hoofdstukken.

Het duizendblad (volgens Wells Williams zou „Shʼ”, hier een

chineesche, in Europa onbekende plant zijn, gelijkende op Anthemis

of Ptormica Sibirica), en de schildpad worden gebruikt in de

chineesche wichelarij. Met „de vier ledematen” worden bedoeld de

vier pooten van de schildpad, die elk in een ander seizoen voor het

wichelen dienen.

De Chineesche Filosofie, Toegelicht voor niet-Sinologen, 1. Kh'oeng Foe Tsz' (Confucius) · 第 40 / 107 题