Het is de natuurlijke eigenschap van de opperste „Chʼing” om (de
toekomst) vooruit te weten. Zal een staat of eene familie bloeien, dan
zijn er stellig goede voorteekenen. Zal een staat of eene familie
ondergaan, dan zijn er stellig kwade voorteekenen. Een en ander is te
zien aan het duizendblad en de schildpad, en het beweegt de vier
ledematen. Als geluk of ramp naderbij komt zal (hij, die „Chʼing”
heeft) het goede stellig vooruit weten, en het kwade ook. Daarom, hij,
die de opperste Chʼing heeft, is als een geest.
Dat de volmaakte mensch alwetend is, en de toekomst vooruit kan
weten is een idee, dat men in oud-indische systemen van filosofie
kan terugvinden, en niet zoo absurd is, als het oppervlakkig wel
schijnt. Maar de wijze, waarop dit idee hier in de practijk wordt
voorgesteld, n.l. door middel van wichelarij, is belachelijk, en
geheel uit den toon van deze serie hoofdstukken.
Het duizendblad (volgens Wells Williams zou „Shʼ”, hier een
chineesche, in Europa onbekende plant zijn, gelijkende op Anthemis
of Ptormica Sibirica), en de schildpad worden gebruikt in de
chineesche wichelarij. Met „de vier ledematen” worden bedoeld de
vier pooten van de schildpad, die elk in een ander seizoen voor het
wichelen dienen.