Slechts hij, die de opperste „Chʼing” heeft, kan zijn Sing tot den
reinen staat volmaken. Kan hij zijn Sing tot den reinen staat volmaken,
dan kan hij ook de Sing van andere menschen tot den reinen staat
volmaken. Kan hij de Sing van andere menschen tot den reinen staat
volmaken, dan kan hij ook de Sing van (alle) dingen tot den reinen
staat volmaken. Kan hij de Sing van (alle) dingen tot den reinen staat
volmaken, dan kan hij Hemel en Aarde helpen in ’t vervormen en voeden;
dan is hij met Hemel en Aarde één orde van drieën.
Letterlijk staat er „kan zijn Sing uitputten (tsin).” De bedoeling
is als in de vertaling. (Legge geeft „to give the full development
to his nature” wat in den grond op hetzelfde neerkomt.)
Wij komen met dit hoofdstuk in de mystiek van de „Choeng Yoeng”, en
het komt mij niet onwaarschijnlijk voor, dat wij hier met filosofie
enkel van Tszʼ Szʼ te doen hebben, die hier verder ging dan zijn
meester Confucius.
Uit Hoofdstuk I van dit werk hebben wij gezien, dat de Sing is dat
„wat de Hemel (als natuur) verleend heeft.” Goed leven is „volgen
aan de Sing”, dus leven in Tao. Alle zonde en ongeluk ontstaat door
bevlekking, verduistering van de Sing. Ik heb dus gemeend, hier
„tsin” te moeten vertalen door „de Sing tot den reinen
(oorspronkelijken) staat volmaken.”
Choe Hie zegt er bij „Het „tsin” van de Sing is, als de deugd reëel
is.” En de deugd kan natuurlijk alleen reëel zijn, als de Sing
volmaakt rein is. Hij, wiens Sing rein is, en die dus Tao begaat,
is vanzelf helder-wetend en begaafd met de hoogste deugden. Zoo
iemand zal door zijn voorbeeld en zijn moreelen invloed ook andere
menschen kunnen verreinen. Niet alleen door de pogingen van zijne
door menschenliefde gedreven wil, maar omdat—en hier hebben wij een
ook in ’t boeddhisme voorkomend idee—omdat de macht van zijn deugd
als een natuurlijke kracht is, van hem uitgaande, die
transformeerend werkt. En nu komt het idee—ook reeds in de oude
filosofie der Vedanta’s te vinden—dat alle dingen (dus niet alleen
de menschen) in de creatie een Sing hebben. Choe Hie zegt er
duidelijk bij, dat, ofschoon de vorm en het animale leven niet
hetzelfde zijn „de Sing van (andere) menschen en dingen is ook mijn
Sing.” De filosofie van de „Choeng Yoeng”, die tot nu toe
angstvallig bij de meer enkel menschelijke dingen bleef, rijst hier
op tot de beschouwing van de allerhoogste orde der natuur.
Niet alleen verklaart Tszʼ Szʼ, dat menschen èn dingen de Sing
hebben, maar ook, dat de volmaakte mensch—d. i. de mensch die zijn
Sing onbevlekt puur in zich heeft—de gelijke is van den Hemel. In
westersch begrip overgebracht, hij bevestigt „de goddelijkheid van
den mensch en een mogelijke vereeniging met het goddelijke.”
Jammer alleen, dat hij de begrippen Hemel en Aarde niet nader
omschrijft. (Wie omtrent de vereering van Hemel en Aarde meer wil
weten, leze het Hoofdstuk „Eerste Maand, Negende Dag” in Prof. de
Groot’s „Jaarlijksche Feesten en Gebruiken van de Emoy-Chineezen”.)
Verder zegt Tszʼ Szʼ, dat de mensch, wiens Sing in den reinen staat
is, niet alleen andere menschen, maar ook alle dingen kan verreinen
en tot hun hoogste volkomenheid brengen, aldus ageerende en
influenceerende als de Hemel en de Aarde (de Natuur). En deze
mensch is dan ook één met Hemel en Aarde. Deze chineesche
drieëenheid heet „Saan Tsʼai”, de drie Schatten: „Hemel, Aarde,
Mensch.” (Th’ien Ti Jen.)