1. Wat de Hemel (als natuur) verleend heeft, wordt genoemd Sing. Het
volgen van de Sing wordt genoemd Tao. Het regelen van Tao wordt genoemd
Kiao (onderwijs).
2. Tao mag geen oogenblikje verlaten worden; kon Tao verlaten worden,
dan zou het Tao niet zijn. Daarom is de Kiün Tszʼ [43] waakzaam al ziet
hij niet, en in vreeze al hoort hij niet.
3. Er is niets zichtbaarders dan wat duister is, niets openbaarders dan
wat klein is. Daarom is de Kiün Tszʼ waakzaam over zijne eenzaamheid.
4. Als pleizier, toorn, smart of geluk niet bewegen, noemt men dat
Evenwicht; als zij bewegen, maar in de juiste middenmaat, noemt men dat
Harmonie. Dit Evenwicht nu is de groote Oorsprong van alles onder den
Hemel. Deze Harmonie nu is de manifestatie van Tao.
5. Als men de staten van Evenwicht en Harmonie tot het uiterste heeft
opgevoerd, zijn Hemel en Aarde gevestigd, en alle dingen zijn
(overvloediglijk) gevoed en bloeiend.
Dit ééne hoofdstuk bevat de essence van het geheele boek Choeng
Yoeng. Het is niet doenlijk, met europeesche woorden de
veelbeteekenende chineesche karakters precies met equivalenten weer
te geven. Men kan de begrippen wel naderen, en met vage omtrekken
weergeven, maar niet geheel met europeesche woorden omvatten.
Daarom is eene bespreking altijd noodzakelijk.
Het komt mij voor, dat de meeste vertalers, die dit hoofdstuk
vertaalden, den inhoud te veel beperkt hebben, daar zij de
begrippen Sing en Tao exclusief op menschen toepasten, en dit toch
stellig op de geheele natuur, dieren en dingen moet gedaan worden.
Het is, of men bang geweest is voor een schijnbaar pantheïsme, dat
men er door krijgen zou. Toch verklaarde Choe Hie zeer stellig, dat
de Sing in alles en allen is.
Wat ik uit dit hoofdstuk voel—in de meeste gevallen samenvoelende
met Choe Hie, is het volgende:
Er bestaat in alles en allen als oorsprong en natuur een essence
van den Hemel. Deze noemde Confucius Sing. Het volgen van, het zich
volkomen richten naar die Sing, met andere woorden het ware, aan de
Sing aangepaste levensbewegen, noemde hij Tao. Dit Tao zou—(althans
in Confucius’ werken) met de Weg, het Pad kunnen vertaald worden.
Aan den mensch kan de regeling van dat pad geleerd worden door
Kiao, onderricht, leering, en diegenen, die dit kunnen doen, heette
Confucius Wijzen. Tao kan geen oogenblik verlaten worden, anders
zou het de ware Tao niet zijn. Immers Tao is aangepast aan de
eeuwige, eindelooze Sing, en kan dus evenmin als de Sing ooit
veranderen, of afwijking gedoogen. De ware Tao is dus een weg,
streng en recht als een rechte lijn, die geen kromming gedoogt, uit
den aard van haar rechtheid. Maar Tao is niet alleen het pad, dat
de mensch moet begaan; het is ook de natuurlijke (d. i. aan de Sing
aangepaste) gang van de geheele wereld, menschen, dieren en dingen,
zooals ook de Sing niet alleen aan de menschen, maar in de geheele
creatie is gegeven.
Omdat Tao geen oogenblik kan verlaten worden, en niet gebonden is
aan met de zinnen waarneembare dingen, evenmin als de Sing zelve,
zal de Kiün Tszʼ niet wachten tot hij iets met de oogen ziet, om
steeds er voor te waken, dat hij Tao toch vooral volgt, noch zal
hij wachten met er voor in vreeze te zijn dat hij misschien zou
afwijken, tot hij met de ooren iets hoort. Want zijn Sing, zijn
natuur van den Hemel, is niet een uitwendige schijn, maar ligt
verborgen in mysterie, en do Tao doordringt toch alles; hij is in
het allerkleinste gemanifesteerd, en zijn Weg gaat in het
allerduisterste evengoed. Daarom is de Kiün Tszʼ steeds wakende als
hij eenzaam is, want, ofschoon schijnbaar alleen, heeft hij toch
als waarachtige wezen de Sing in zich, die hij aldoor moet blijven
volgen in Tao.
Het zonder overneiging zijn naar eene of andere zijde, noemde
Confucius Choeng, met een hiëroglyphisch karakter, dat „het midden”
verbeeldt (n.l. een vierkant, dat precies in het midden door een
rechte lijn in twee gelijke deelen wordt gesneden). Dit Choeng
drukt uit de richting van Tao, het aan de Sing aangepaste
levensbewegen, dat alles onder den Hemel moet volgen, en dat
(evenmin als het juiste midden) nooit een oogenblik verlaten kan
worden, of afwijking gedoogt. Wat onveranderlijk is—, dus: in zich
zelf eeuwig bestaat, noemde Confucius Yoeng, en dit was het
principe, dat alles onder den Hemel regelt.
Als géén emoties van pleizier, toorn, smart, of geluk bewegen,
noemde Confucius dit een toestand van Evenwicht. Dit Evenwicht was
de groote Oorsprong van alles onder den Hemel. Is het noodig te
zeggen, dat dit Evenwicht dus de toestand is, waarin de Sing
oorspronkelijk verkeert?
Als deze emoties wél worden bewogen, maar in een juiste maat,
zonder bruuskheid of schokken, dan is er een toestand van Harmonie
in den mensch. Deze Harmonie is het bewijs, dat de mensch zich
inspant om de Sing te volgen, is dus de manifestatie van zijn Tao,
en het is alleen mogelijk Tao te begaan als er Harmonie is.
En nu nog over die gewichtige woorden aan het eind van het vijfde
artikel:
Als de mensch zich door groote inspanning weer kan brengen tot den
toestand van Choeng Yoeng,—zonder neiging naar eene of andere zijde
zijn, in stabiel evenwicht, en onveranderlijk, zooals de Sing
oorspronkelijk is—dan zou hij één zijn met Hemel en Aarde en met
álle dingen. Choe Hie voegt er in zijn commentaar bij: „(dan zijn)
Hemel en Aarde en alle dingen met mij één lichaam. Is mijn hart
(hier in den zin van ziel) recht, dan is dat van Hemel en Aarde ook
recht.” Als de mensch het tot Choeng heeft gebracht, zal hij Hemel
en Aarde en alle dingen zien zooals zij zijn, zullen zij dus, wat
de chineesche filosoof noemt, „gevestigd” zijn, en wel één met hem.
De op dit eerste hoofdstuk volgende hoofdstukken zijn geen
voortgaan op het daarin vastgestelde, maar eerder eene
verduidelijking en omschrijving, meestal met voorbeelden uit de
geschiedenis. De volzinnen beginnende met „De Meester zeide” zijn
oorspronkelijke gezegden van Confucius, de andere zijn
waarschijnlijk van Tszʼ Szʼ. Velen gelooven, dat de Choeng Yoeng
oorspronkelijk van Tszʼ Szʼ is zonder dat hij de hoofdideeën alle
van Confucius had, en in dat geval zouden de ideeën als van de Sing
enz. niet van Confucius maar van Tszʼ Szʼ zijn. Wij zullen ons hier
niet in verdiepen.
Op den hoofdtekst volgt nog het: