NAWOORD.

In dit eerste hoofdstuk publiceert Tszʼ Szʼ de aan hem overgeleverde

bedoelingen, als basis van zijne woorden. Eerst maakt het duidelijk,

dat de Oorsprong van Tao in den Hemel is, dat Tao onveranderlijk is, en

belichaamd is in ons eigen lichaam, en geen oogenblik kan worden

verlaten. Dan spreekt het van het noodzakelijke om (het van den Hemel

gegevene) (goed) te bewaren en te onderhouden, en om steeds (waakzaam)

onderzoek (in ons zelven) te doen. Ten laatste spreekt het van de

verdiensten en den (ten goede) veranderenden invloed van de Wijzen en

spiritueele menschen, tot het uiterste opgevoerd. Die dit alzoo willen

leeren moeten het in zich zelf zoeken, en zullen het (dan) vanzelf (in

zich) verkrijgen. Dan zullen zij alle uitwendige verleiding, die op hun

egoïsme werkende is, van zich wegdoen, en hun natuurlijke Goedheid zal

vervuld zijn. Dit hoofdstuk is wat de schrijver Yang het noemde: „Het

lichaam (hier: Wezen) van het geheele Boek.” In de tien volgende

hoofdstukken haalt Tszʼ Szʼ des Meesters woorden aan, om de bedoeling

compleet te maken.

De Chineesche Filosofie, Toegelicht voor niet-Sinologen, 1. Kh'oeng Foe Tsz' (Confucius) · 第 11 / 107 题