DERTIENDE HOOFDSTUK.

--"Sta op!" zeide Dijk, voor het ledikant tredend, dat Lidewyde na

André's vertrek weder opgezocht had. "Sta op, zeg ik u!"

Zij was verkleumd geweest, en het beste middel, had zij gedacht, om

van den schrik te bekomen, dien André's hartstogtelijkheid haar had

aangejaagd, was geweest, zich in hare dekens te wikkelen. Hoe dwaas

van hem, haar de kleederen van het lijf te scheuren, nadat hij zelf

aanmerking had gemaakt op hare bloote voeten! Doch nu zij geene koude

meer gevoelde, vergaf zij hem zijne drift en dacht met welgevallen aan

het tooneel van daareven. Alleen van zulk een minnaar, niet van een

berekenend egoïst gelijk Ruardi, kon zij verwachten, dat hij niets en

niemand ontzien zou. Wanneer het tot een tweegevecht kwam, zou André,

die alles voor haar over had, in vollen ernst Dijk om het leven zoeken

te brengen; en zijne meerdere bedrevenheid in het hanteren van wapenen

zou de kans om daarin te slagen nog doen toenemen. Omtrent hetgeen zij

daarna met hem zou aanvangen had zij nog niets bij zich zelve

vastgesteld. Dit zou afhangen van de middelen, waarover zij na Dijks

dood zou kunnen beschikken. André was haar medegevallen; doch niet in

zoodanige mate, dat zij gebrek met hem zou willen lijden. Het deed

haar geen leed, dat zij geene enkele voorzorg genomen had om hare

betrekking tot hem voor Dijk te verbergen. Geheime minnarijen waren

niet langer van hare gading, en met één overleg had zij twee oogmerken

bereikt. Sproten daaruit voor André sommige gevaren voort, zij vergde

niets van hem als hetgeen ieder man, die haar lief had, gaarne voor

haar wagen zou. Bovendien was de vrees, dat Dijk overwinnaar blijven

zou in den strijd, bijna hersenschimmig. Eenmaal op het terrein

verschenen, zou Adriaan onmiddelijk zijne tegenwoordigheid van geest

verliezen. Harerzijds zou zij, wanneer hij kwam om met haar te

spreken, hem tot het uiterste drijven, en van hare liefde voor André

zoo hoog opgeven, dat het gevoel van zijne minderheid hem geheel en al

demoraliseren zou.

--"Verstaat gij mij niet?" vroeg hij, op nog barscher toon dan te

voren. "Ik zeg u, dat gij op zult staan."

--"Zeg gij mij eerst waar André zich bevindt," antwoordde zij. "Ik ben

niet doof of slaap niet, en gij hebt verlof minder luid te spreken."

--"André is in goede handen."

--"Belooft gij mij, dat hem geen leed geschieden zal? Hij is

onschuldig. Indien ik hem niet aangemoedigd had, zou hij de oogen niet

naar mij hebben durven opslaan."

--"De onbeschaamde, die mij niet ontzag al gaaft gij u den eersten den

besten prijs!"

--"Hij onbeschaamd? Zijne bescheidenheid is integendeel zoo groot, dat

hij er zich mede vergenoegd heeft de opvolger van Ruardi te worden."

--"Dat liegt gij. Ruardi's vriendschap voor mij zou hem het regt geven

zich uw bittersten vijand te toonen; maar er is niemand die met meer

verschooning over u spreekt dan hij."

--"Het is waar, dat hij slechts enkele nachten in dit ledikant heeft

doorgebragt; maar ik een des te grooter aantal in het zijne. Ten

laatste walgde ik van hem, even als van u, en heb ik aan André de

voorkeur gegeven."

--"Gij liegt, maar uwe fabelen zullen noch uzelve baten, noch André."

--"Dat behoeft ook niet. Hij en ik, wij kunnen uwe bescherming

ontberen. André is een gentleman."

--"Veel geluk er mede!"

--"Ik heb hem lief, omdat hij in alles het tegenbeeld is van u."

--"Ik gun hem uwe liefde. De genegenheid van lichtekooijen heeft nooit

veel aantrekkelijkheid voor mij gehad."

--"En ik kan mij levendig voorstellen, dat de onverschilligheid

wederkeerig geweest is."

--"In uwen mond is dat antwoord voegzaam. Zult gij opstaan?"

--"Ja, indien gij mij zegt waar André is."

--"Dat raakt u niet."

--"Het is integendeel het eenige wat mij op dit oogenblik schelen

kan!"

--"André is in den stal, bij Marcelis."

--"In den stal!"

--"Ja. Ik heb Marcelis last gegeven hem zijne booze lusten te

verleeren. Het is evenwel mogelijk dat hij zich nog in zijne kamer

bevindt."

--"Waarom?"

--"Omdat ik het in zijne keus gelaten heb, zich voor den kop te

schieten, of kennis te maken met wapenen van minder allooi. Zulke

knapen moeten loon naar werken ontvangen."

--"Gij bluft. Al zou André zich van kant willen maken, hij zou niet

kunnen. Ik weet zeker, dat hij geene pistolen bij zich heeft."

--"Die kan hij missen. Ééne pistool is genoeg, en die heb ik hem

verschaft. Denkt gij, dat hij er gebruik van maken zal?"

--"En gij?"

--"Ik denk van neen."

--"Gij beoordeelt hem naar uzelven."

--"Misgeraden, ik beoordeel hem naar u. De schoot van ontuchtige

vrouwen is het graf van den moed der jongelieden, zegt men. Doch mijn

geduld is ten einde. Voor het laatst vraag ik u, of gij zult opstaan?"

Hij wilde haar bij den schouder grijpen, ten einde meer klem bij te

zetten aan zijne tot hiertoe vruchteloos herhaalde vraag, doch voor

hij de hand naar haar had kunnen uitstrekken, vloog zij overeind. Voor

het eerst in haar leven had zij in een woordenstrijd met haren man het

onderspit gedolven. Keer op keer was hij er in geslaagd haar

grievender te beleedigen dan zij hem; en de spijt over die

teleurstelling, gevoegd bij de woede en den angst waarmede de gedachte

aan André's hopeloozen toestand haar vervulde, deed haar zichzelve

zoozeer vergeten, dat zij Adriaan met hare vlakke hand een

luidklinkenden slag in het aangezigt toebragt.

Die slag besliste over hetgeen Lidewyde dezen nacht wedervaren zou.

Adriaan toch was niet teruggekomen met het stellige voornemen om haar

te tuchtigen, en hij had zijne zweep alleen bij zich gestoken, ten

einde een middel van bedreiging bij de hand te hebben. Hij zou

tevreden zijn geweest, indien zij eenig leedgevoel of eenige schaamte

aan den dag gelegd had; ja zelfs, mits zij geene enkele poging

aanwendde om weder aanspraak op zijne genegenheid te verwerven, zou

hij met haar in overleg hebben willen treden over hetgeen gedaan kon

worden om hare misdaad te bedekken en de gevolgen daarvan zoo

onschadelijk mogelijk te maken. Doch nu zij in stede van berouw te

toonen of vergiffenis te vragen, hem met de uiterste impudentie te

woord stond, luid pronkte met hare schuldige liefde voor André, Ruardi

(gelijk hij waande) schandelijk belasterde, en zich ten laatste niet

ontzag hem in het aangezigt te slaan, achtte hij zich tot alles

geregtigd. Onder het uitspreken van een barbaarschen scheldnaam tastte

hij naar zijne zweep en viel op haar aan. Zij wilde vlugten en om hulp

roepen, doch reeds bij de eerste schrede struikelde zij over haar

nachtgewaad en stortte voorover op den grond. Hij wierp zich op haar,

scheurde haar den halsdoek van de borst, snoerde haar daarmede den

mond, en stiet, toen zij zich aan zijne knieën wilde vastklemmen om

weder op te staan, haar meedoogenloos van zich af. Vier, vijf, zes

malen snorde de lange zweep boven zijn hoofd door de lucht en kwam zij

met een doffen slag op Lidewyde's krimpend ligchaam neder. Met striem

aan striem teisterde Adriaan de schoone ledematen, waarvoor André een

uur te voren zou hebben willen nederknielen. In het eind, toen

Lidewyde in het eene oogenblik haar bewustzijn scheen te verliezen en

het knallen van een schot haar in het andere stuiptrekkend deed

opspringen, wierp hij haar het marteltuig in het gelaat, en zeide

onder het heengaan:

--"Zoek nu André op, indien gij lust hebt, en laat mij voortaan met

vrede!"

Lidewyde · 第 58 / 60 题