--"Sta op!" zeide Dijk, voor het ledikant tredend, dat Lidewyde na
André's vertrek weder opgezocht had. "Sta op, zeg ik u!"
Zij was verkleumd geweest, en het beste middel, had zij gedacht, om
van den schrik te bekomen, dien André's hartstogtelijkheid haar had
aangejaagd, was geweest, zich in hare dekens te wikkelen. Hoe dwaas
van hem, haar de kleederen van het lijf te scheuren, nadat hij zelf
aanmerking had gemaakt op hare bloote voeten! Doch nu zij geene koude
meer gevoelde, vergaf zij hem zijne drift en dacht met welgevallen aan
het tooneel van daareven. Alleen van zulk een minnaar, niet van een
berekenend egoïst gelijk Ruardi, kon zij verwachten, dat hij niets en
niemand ontzien zou. Wanneer het tot een tweegevecht kwam, zou André,
die alles voor haar over had, in vollen ernst Dijk om het leven zoeken
te brengen; en zijne meerdere bedrevenheid in het hanteren van wapenen
zou de kans om daarin te slagen nog doen toenemen. Omtrent hetgeen zij
daarna met hem zou aanvangen had zij nog niets bij zich zelve
vastgesteld. Dit zou afhangen van de middelen, waarover zij na Dijks
dood zou kunnen beschikken. André was haar medegevallen; doch niet in
zoodanige mate, dat zij gebrek met hem zou willen lijden. Het deed
haar geen leed, dat zij geene enkele voorzorg genomen had om hare
betrekking tot hem voor Dijk te verbergen. Geheime minnarijen waren
niet langer van hare gading, en met één overleg had zij twee oogmerken
bereikt. Sproten daaruit voor André sommige gevaren voort, zij vergde
niets van hem als hetgeen ieder man, die haar lief had, gaarne voor
haar wagen zou. Bovendien was de vrees, dat Dijk overwinnaar blijven
zou in den strijd, bijna hersenschimmig. Eenmaal op het terrein
verschenen, zou Adriaan onmiddelijk zijne tegenwoordigheid van geest
verliezen. Harerzijds zou zij, wanneer hij kwam om met haar te
spreken, hem tot het uiterste drijven, en van hare liefde voor André
zoo hoog opgeven, dat het gevoel van zijne minderheid hem geheel en al
demoraliseren zou.
--"Verstaat gij mij niet?" vroeg hij, op nog barscher toon dan te
voren. "Ik zeg u, dat gij op zult staan."
--"Zeg gij mij eerst waar André zich bevindt," antwoordde zij. "Ik ben
niet doof of slaap niet, en gij hebt verlof minder luid te spreken."
--"André is in goede handen."
--"Belooft gij mij, dat hem geen leed geschieden zal? Hij is
onschuldig. Indien ik hem niet aangemoedigd had, zou hij de oogen niet
naar mij hebben durven opslaan."
--"De onbeschaamde, die mij niet ontzag al gaaft gij u den eersten den
besten prijs!"
--"Hij onbeschaamd? Zijne bescheidenheid is integendeel zoo groot, dat
hij er zich mede vergenoegd heeft de opvolger van Ruardi te worden."
--"Dat liegt gij. Ruardi's vriendschap voor mij zou hem het regt geven
zich uw bittersten vijand te toonen; maar er is niemand die met meer
verschooning over u spreekt dan hij."
--"Het is waar, dat hij slechts enkele nachten in dit ledikant heeft
doorgebragt; maar ik een des te grooter aantal in het zijne. Ten
laatste walgde ik van hem, even als van u, en heb ik aan André de
voorkeur gegeven."
--"Gij liegt, maar uwe fabelen zullen noch uzelve baten, noch André."
--"Dat behoeft ook niet. Hij en ik, wij kunnen uwe bescherming
ontberen. André is een gentleman."
--"Veel geluk er mede!"
--"Ik heb hem lief, omdat hij in alles het tegenbeeld is van u."
--"Ik gun hem uwe liefde. De genegenheid van lichtekooijen heeft nooit
veel aantrekkelijkheid voor mij gehad."
--"En ik kan mij levendig voorstellen, dat de onverschilligheid
wederkeerig geweest is."
--"In uwen mond is dat antwoord voegzaam. Zult gij opstaan?"
--"Ja, indien gij mij zegt waar André is."
--"Dat raakt u niet."
--"Het is integendeel het eenige wat mij op dit oogenblik schelen
kan!"
--"André is in den stal, bij Marcelis."
--"In den stal!"
--"Ja. Ik heb Marcelis last gegeven hem zijne booze lusten te
verleeren. Het is evenwel mogelijk dat hij zich nog in zijne kamer
bevindt."
--"Waarom?"
--"Omdat ik het in zijne keus gelaten heb, zich voor den kop te
schieten, of kennis te maken met wapenen van minder allooi. Zulke
knapen moeten loon naar werken ontvangen."
--"Gij bluft. Al zou André zich van kant willen maken, hij zou niet
kunnen. Ik weet zeker, dat hij geene pistolen bij zich heeft."
--"Die kan hij missen. Ééne pistool is genoeg, en die heb ik hem
verschaft. Denkt gij, dat hij er gebruik van maken zal?"
--"En gij?"
--"Ik denk van neen."
--"Gij beoordeelt hem naar uzelven."
--"Misgeraden, ik beoordeel hem naar u. De schoot van ontuchtige
vrouwen is het graf van den moed der jongelieden, zegt men. Doch mijn
geduld is ten einde. Voor het laatst vraag ik u, of gij zult opstaan?"
Hij wilde haar bij den schouder grijpen, ten einde meer klem bij te
zetten aan zijne tot hiertoe vruchteloos herhaalde vraag, doch voor
hij de hand naar haar had kunnen uitstrekken, vloog zij overeind. Voor
het eerst in haar leven had zij in een woordenstrijd met haren man het
onderspit gedolven. Keer op keer was hij er in geslaagd haar
grievender te beleedigen dan zij hem; en de spijt over die
teleurstelling, gevoegd bij de woede en den angst waarmede de gedachte
aan André's hopeloozen toestand haar vervulde, deed haar zichzelve
zoozeer vergeten, dat zij Adriaan met hare vlakke hand een
luidklinkenden slag in het aangezigt toebragt.
Die slag besliste over hetgeen Lidewyde dezen nacht wedervaren zou.
Adriaan toch was niet teruggekomen met het stellige voornemen om haar
te tuchtigen, en hij had zijne zweep alleen bij zich gestoken, ten
einde een middel van bedreiging bij de hand te hebben. Hij zou
tevreden zijn geweest, indien zij eenig leedgevoel of eenige schaamte
aan den dag gelegd had; ja zelfs, mits zij geene enkele poging
aanwendde om weder aanspraak op zijne genegenheid te verwerven, zou
hij met haar in overleg hebben willen treden over hetgeen gedaan kon
worden om hare misdaad te bedekken en de gevolgen daarvan zoo
onschadelijk mogelijk te maken. Doch nu zij in stede van berouw te
toonen of vergiffenis te vragen, hem met de uiterste impudentie te
woord stond, luid pronkte met hare schuldige liefde voor André, Ruardi
(gelijk hij waande) schandelijk belasterde, en zich ten laatste niet
ontzag hem in het aangezigt te slaan, achtte hij zich tot alles
geregtigd. Onder het uitspreken van een barbaarschen scheldnaam tastte
hij naar zijne zweep en viel op haar aan. Zij wilde vlugten en om hulp
roepen, doch reeds bij de eerste schrede struikelde zij over haar
nachtgewaad en stortte voorover op den grond. Hij wierp zich op haar,
scheurde haar den halsdoek van de borst, snoerde haar daarmede den
mond, en stiet, toen zij zich aan zijne knieën wilde vastklemmen om
weder op te staan, haar meedoogenloos van zich af. Vier, vijf, zes
malen snorde de lange zweep boven zijn hoofd door de lucht en kwam zij
met een doffen slag op Lidewyde's krimpend ligchaam neder. Met striem
aan striem teisterde Adriaan de schoone ledematen, waarvoor André een
uur te voren zou hebben willen nederknielen. In het eind, toen
Lidewyde in het eene oogenblik haar bewustzijn scheen te verliezen en
het knallen van een schot haar in het andere stuiptrekkend deed
opspringen, wierp hij haar het marteltuig in het gelaat, en zeide
onder het heengaan:
--"Zoek nu André op, indien gij lust hebt, en laat mij voortaan met
vrede!"