Toen André in den voornacht zijne kamer verlaten had om zich naar die
van Lidewyde te begeven, had hij de deur voorzigtig aangezet, en noch
licht ontstoken, noch de overgordijnen tot elkander getrokken. Thans
waren die gordijnen zorgvuldig digtgeschoven; op de tafel brandde eene
lamp, en om binnen te kunnen treden had hij de deur moeten ontsluiten.
Ook de gang en het portaal waren min of meer verlicht, en hij had
ditmaal niet noodig, gelijk anders, afgaande op de flaauwe schemering
der lantaarn van gebogen glas, die zich hoog in de lucht boven den
trap welfde, tastend zijnen weg te zoeken. Hij opende de deur met
kracht, om te toonen dat hij geene vrees kende, en meende niet anders,
toen hij de ontstoken lamp bespeurde, of Lidewyde's echtgenoot zou
eensklaps op hem toeschieten. Doch er heerschte in het vertrek eene
doodsche stilte. Eerst had zijn oog moeite, de voorwerpen behoorlijk
te onderscheiden; want de kamer was te groot om door slechts ééne lamp
in alle rigtingen verlicht te kunnen worden, en de donkere kleur der
meubelen, bij het diepe groen en rood van het behangsel en de
draperiën, vermeerderde nog de duisternis op den achtergrond en aan de
zijden. Des te sterker daarentegen was het schijnsel dat van onder de
kap der lamp op de met een gebloemd kleed van fluweelachtig trijp
bedekte tafel viel. Ook kon het geen toeval zijn, dat geen enkel ander
voorwerp op dat oogenblik de aandacht afleidde van het tweetal, door
Dijks hand aan den voet der lamp nedergelegd. Niemand kon het vertrek
binnentreden zonder die twee--eene pistool en een brief--aanstonds op
te merken.
André had zoo vast geloofd, Dijk te zullen aantreffen, dat zelfs het
lezen van zijnen naam op het adres van den brief hem niet overtuigde
dat hij alleen was. Hij rukte de overgordijnen open, als kon er voor
Adriaan eene reden bestaan hebben om zich daarachter te verbergen;
doch ook dit onderzoek leidde tot niets. Het verdroot hem, dat hij
Dijk niet onder de oogen kon treden. Niet één, maar twee pistolen
waren noodig; en niet hier of nu was daaraan behoefte, maar tegen
morgen of overmorgen, in het afgelegen veld, wanneer alles voor het
duel in gereedheid zou zijn gebragt en hij in den vorm van een
doodelijken kogel Dijk de voldoening schenken zou, welke voor
Lidewyde's rust gevorderd werd. Doch hoe bestierf eensklaps op zijne
lippen de taal van den overmoed; tot welk eene armzalige werkelijkheid
kromp voor zijn gevoel de poëzie van het wanbedrijf, zoodra hij kennis
genomen had van Adriaans wilsbeschikking! Dijk schreef hem:
"Het is beneden mij, u met woorden te berispen of te straffen. De zorg
om dat met daden te doen, heb ik aan anderen opgedragen. Wend geene
pogingen aan om te ontvlugten; zij zouden u slechts te spoediger in de
handen van Marcelis en zijne palfreniers doen vallen. Al mijne
maatregelen zijn genomen, en indien gij het waagt, den voet buiten uwe
kamer te zetten, zal ik u voor uw leven tot verminkens toe doen
tuchtigen. Eén middel schiet u over om te toonen, dat gij geen lafaard
zijt. Het ligt voor u op de tafel. Gij zult daardoor tevens de
toekomst kunnen redden van het meisje dat door u verraden is. Terwijl
ik dit schrijf, slaat de klok twee ure; mijne lieden hebben in last,
indien met slaan van drieën uw schot niet gevallen is, binnen te
dringen in uwe kamer, u gekneveld mede te voeren naar den stal, en
hunnen euvelmoed aan u te koelen op eene wijze, die ik niet noemen
wil. Gij hebt te kiezen tusschen het wapen nevens u en de straf der
overspelers.
"PS. De pistool is niet met kruid geladen; maar de bussen der kogels
zijn met donderpoeder gevuld. Er zijn er zes, zooals gij ziet. Ketst
de eene, gebruik dan den volgenden. Doch ik geloof niet dat het noodig
zal zijn. Het is dezelfde revolver waarmede ik Moor door den kop
geschoten heb. Het dier heeft geene minuut behoeven te lijden. Dit tot
uw narigt."
André's eerste daad na het lezen dezer woorden was eene poging om door
een sprong in den tuin zijn leven te redden. Doch hoe hij nu aan het
eene, dan aan het andere venster rukte, er was aan de spanjoletten
geen verwrikken: eene geoefende hand had ze onbruikbaar gemaakt, en
hij verspilde noodeloos zijne krachten. Wat erger was, zoodra de
stilte in het vertrek door het gedruisch zijner voetstappen en het
rammeijen aan de vensters was afgebroken, hoorde hij een sleutel
steken in het slot der kamerdeur. Een onzigtbaar cipier draaide tot
tweemaal toe den sleutel om in het slot, en de gevangene kon voor-noch
achteruit.
Het besef dat die voorzorg noodig was geweest om hem het vlugten te
beletten, vernederde hem, en hij schaamde zich over zijne eerste
opwelling. Alle verdere pogingen tot ontsnappen liet hij varen, en
beproefde een juist inzigt in zijnen toestand te bekomen.
Zou Dijk zijne bedreigingen ten uitvoer durven brengen? Sedert hij van
Lidewyde wist dat Ruardi langer dan een jaar onder Dijk's oogen haar
aangenomen minnaar was geweest, had zijne verachting voor Adriaan haar
toppunt bereikt. Daareven nog was Adriaan in zijne oogen een
walgelijke stumpert, dien hij de moeite niet zou genomen hebben te
haten, indien hij niet een onoverkomelijke hinderpaal voor zijne eigen
vereeniging met Lidewyde geweest ware. Was het mogelijk, dat diezelfde
Adriaan thans eene koelbloedigheid ten toon spreidde, die misschien
niet veel persoonlijke dapperheid, maar eene dubbele maat van
hartstogt verried? Hoe blinder evenwel Adriaans woede was, des te meer
reden bestond er om te duchten dat hij behagen scheppen zou in de door
hem aangekondigde wraak. En de voorstelling dier strafoefening deed
het Kortenaersbloed André naar het aangezigt stijgen. Te zelden was
voorheen de stem van dat bloed bij hem ontwaakt, en indien men hem
gestreng beoordeelen wilde, had men het regt hem een treurig voorbeeld
van de verbastering van onzen landaard te noemen. Doch eene
beleediging als die, welke Dijk hem toedacht, was meer dan zelfs hij
verdragen kon. In zijne verbeelding zag hij zich door de geheele
wereld met den vinger nagewezen...
De tranen sprongen hem in de oogen toen hij de pendule op den
schoorsteenmantel half drie hoorde slaan. Daareven had hij zich
nedergeworpen in zijn gemakkelijken stoel, ten einde des te rustiger
te kunnen nadenken; doch die metalen klank werkte zoo galvanisch op
zijne zenuwen, dat het hem niet mogelijk was langer te blijven zitten.
Met de kin op de borst en de handen in de zakken, krampachtig spelend
met zijne beurs en zijne sleutels, stapte hij de kamer op en neder, en
poogde, doch vruchteloos, zich zelven in te prenten dat, wilde hij
handelen als een man, hij binnen dertig minuten een lijk moest zijn.
Hij was geen Kato, en zou zonder wroeging den val van zijn vaderland
overleefd hebben; geen Hamlet, vragend naar te zijn of niet te zijn,
en over dat onderwerp, met een eigenwilligen dood voor oogen,
onsterfelijke diepzinnigheden verkondigend. Maar hij was jong; en
gelijk dat volstond om den lust naar het leven als wassend water te
doen klimmen in zijne borst, evenzoo was het verschoonbaar dat zijne
aandoeningen hem voor eene wijl overstelpten. Hij snikte overluid en
moest zich de oogen afwisschen. Emma had hij verraden, Dijk bedrogen,
Ruardi gesard, naar Lidewyde's omhelzingen gehunkerd, het was alles
zijne eigen schuld. Zijne ouders zouden ontroostbaar zijn. Die van
Emma, waaraan hij zulke groote verpligtingen had en die zoo goed voor
hem waren geweest, hem levenslang haten. Emma-zelve zou zich door zijn
toedoen diep ongelukkig gevoelen; en al was de vreugde van haar
bestaan niet noodzakelijk voor altijd verwoest, het zou eindelooze
jaren kunnen duren eer haar gevoelig hart weder aan deugd en liefde
kon gelooven. Al dien tijd zou zij het kruis van zijne nagedachtenis
moeten dragen en zouden de menschen haar elkander aanwijzen als de
voormalige bruid van dien André Kortenaer, wiens vader en moeder
zooveel verdriet beleefden van hunne zonen. Nogtans waren het geene
tranen van berouw, die zijne oogen verduisterden en hem deden
aanloopen tegen de meubelen regts en links. Het gevoel van schuld had
te geener tijd luid bij hem gesproken, en deed dit ook nu niet. Hij
schreide niet omdat hij slecht was, maar omdat hij pas dertig jaren
telde; en indien men hem gevraagd had wat hij meer betreurde, voor
altijd Emma te moeten missen of nimmermeer verzadigd te zullen
insluimeren aan Lidewyde's zijde, zou hij het antwoord schuldig
gebleven zijn.
En hoe zou Adriaan met Lidewyde handelen? Het vermoedelijkst was, dat
hij openlijk van haar zou willen scheiden; en misschien werd het
voornemen daartoe haar op dit oogenblik-zelf door hem aangekondigd.
Zou zij daarna het land verlaten en in vreemde werelddeelen gaan
omzwerven? Moeten eindigen met even als Sarah haar eigen brood te
verdienen? Dat dit haar deel zou kunnen zijn, was eene ondragelijke
gedachte. Doch duldeloozer nog was de voorstelling, dat de nood haar
op nieuw in Ruardi's armen zou kunnen drijven, en zij, ten einde in
haar levensonderhoud te voorzien, liefkozingen zou moeten dulden,
neen, beantwoorden, die zij in den grond van haar hart verafschuwde.
Arme Lidewyde, hoe duur zou het haar kunnen te staan komen, dat zij
hem, André, onvoorzigtig had liefgehad! Het zou hare schuld niet zijn,
indien zij voor Ruardi's aanbiedingen bezweek, maar alleen die van den
verfoeijelijken dokter. Zulk een schepsel had de wereld nog nooit
voortgebragt: tegelijk een wellusteling en een lafaard, een verrader
en een bluffer, een wijsgeer en een zielverkooper.
Van tijd tot tijd wierp hij een blik op de pistool. Het gepolijste
staal van den loop glinsterde in het licht der lamp, en het
donkerbruin der kunstig gesneden kolf kwam zoo schilderachtig uit
tegen de hooggekleurde bloemen van het tafelkleed, dat men gewaand zou
hebben een feestgeschenk te zien liggen: eenige dier nuttige
snuisterijen waarmede eene verstandige vrouw haren man op zijn
verjaardag verrast, of die een bevoorregt pupil bij zijn aanstaand
vertrek naar de akademie van een edelmoedig voogd tot eene gedachtenis
ontvangt. André was het nog in het geheel niet met zichzelven eens hoe
hij handelen zou; doch dit was geene reden, meende hij, om met het
door Dijk hem opgedrongen wapen niet meer van nabij kennis te maken.
Spoedig evenwel ontzonk hem die belangstelling. Door de gleuven van
den metalen kraag, tusschen de kolf en den loop, grijnsden hem zes
grijze puntkogels aan, en hij herkende in Dijks revolver een dier
uitheemsche moordtuigen, waarvan men den haan slechts behoeft over te
halen om telkens een nieuw schot te kunnen doen. Er was geen twijfel
aan: één zulk een kogel volstond om iemands hersenen uit elkander te
doen spatten, en zijne hand beefde toen hij de pistool weder op de
tafel legde.
Allerlei voornemens speelden hem door het hoofd. Eerst zou hij
beproeven een brief aan zijnen vader te schrijven, toen een brief aan
den ouden heer Visscher, toen een brief aan Emma. Doch geen dier
plannen slaagde. Moest hij sterven, dan zou het beste ongetwijfeld
zijn, dat hij Emma vergiffenis vroeg voor het haar aangedaan onregt,
en haar verzocht zijne voorspraak te willen zijn bij hare ouders. Aan
zijnen vader zou hij dan kunnen melden, dat het hem innig leed deed
door een jammerlijken zamenloop van omstandigheden in den bloei zijns
levens te zijn weggerukt. Doch zoolang het niet onherroepelijk
vaststond dat zijn laatste uur aanstonds slaan zou, wilde hem geen
enkel woord uit de pen; en hoe gering de kans ook zijn mogt om aan het
door Dijk gesteld dilemma te ontkomen, hij klampte zich met de
halstarrigheid van een ter dood veroordeelde aan de hersenschimmige
voorstelling vast, dat zijn lot, op welke wijze dan ook, in het
beslissend oogenblik eene gunstige wending nemen zou.
Onder het staren in dat denkbeeldig verschiet, verloor hij allengs
weder het besef van zijnen toestand. Daareven had hij met ontsteltenis
den grooten wijzer der pendule zich zien reppen om van de eene minuut
naar de andere te komen; thans scheen het alsof de groote wijzer de
kleine geworden was en het eene eeuwigheid duren zou eer hij den
eindpaal bereikte. Naarmate zijne wilskracht insluimerde, ontwaakte op
nieuw zijne fantasie, en hij begon het als eene uitgemaakte zaak te
beschouwen dat hij zich noodeloos verontrust had. Wanneer het zoo
aanstonds drie ure sloeg, zou de deur van zijne kamer openspringen
en--Lidewyde op den drempel verschijnen. Met den vinger op den mond,
ten teeken dat hij voorzigtig moest zijn, zou zij hem een sluijer
aanbieden en hem wenken zich dien voor de oogen te binden. Zoodra hij
daarmede gereed was, zou zij hem bij de hand grijpen en langs een
onbekenden weg hem naar beneden voeren, waar zij eenige woorden
fluisteren zou in het oor van iemand, die haar met gedempte stem zou
antwoorden, doch niet zoo onverstaanbaar of hij zou bemerken dat het
Sarah was. In het volgend oogenblik, nadat hij Sarah een grendel had
hooren wegschuiven, zou hij zich met Lidewyde in de open lucht
bevinden en langs honderd kronkelpaden door haar naar eene plaats
gevoerd worden, waar hij snuivende paarden met ongeduld zou hooren
stampvoeten op een geplaveiden weg en een postiljon tot het
ongeduldigste dier beesten met eene doffe stem zou hooren zeggen:
"Stil, knol!" Het rijtuig, waarin Lidewyde hem nevens haar zou doen
plaats nemen, zou in vliegende vaart den geheelen nacht voorthollen,
dorpen en steden door, en eerst wanneer de zon reeds sedert geruimen
tijd aan den hemel moest staan, zou Lidewyde, die al dien tijd zijne
hand in de hare gehouden had, hem vrijheid geven om zich den blinddoek
van het gelaat te rukken. Op hetzelfde oogenblik zou het rijtuig
stilhouden voor het hoog bordes van een oud en vervallen kasteel,
omgeven door verwilderde bosschen en verwaarloosd bouwland, maar zoo
verrukkelijk gelegen en met zulke prachtige vergezigten voor en
achter, dat men zich onwillekeurig afvroeg, waarom niemand de moeite
nam, orde in dien chaos te scheppen. "André!" zou Lidewyde tot hem
zeggen, op nieuw zijne hand grijpend en die aan haren boezem
drukkende, "ziedaar de plek die ik heb uitgekozen om er levenslang
gelukkig met u te zijn. Te zamen zullen wij deze wildernis een
paradijs doen worden, waaruit alleen de dood ons zal kunnen
verdrijven."
Uit het oogpunt eener verheven zedeleer gezien, was deze droom, waarin
hijzelf en Lidewyde zoozeer de hoofdrollen vervulden dat voor Emma te
naauwernood eene plaats onder de toeschouwers overbleef, een nieuw
bewijs van André's verdorvenheid. Zij daarentegen die van oordeel zijn
dat de mensch een te zwak en te nietig schepsel is om met een idealen
maatstaf gemeten te mogen worden, zullen zich om André's wil
verblijden dat zijne laatste gedachten in deze wereld ten minste niet
bezoedeld zijn geweest met de smet der zinnelijkheid. De gelegenheid
om eenmaal een beteren dunk van zich te doen koesteren werd hem niet
geschonken; want toen het slaan der pendule hem uit zijne verdooving
deed opschrikken en hij op hetzelfde oogenblik eene ruwe stem buiten
de deur bevel hoorde geven om naar binnen te dringen, daagde de
spookgestalte van Adriaans bedreiging met zulk eene overweldigende
kracht voor hem op en ontstak het gevoel der naderende schande zulk
een vuur in zijne aderen, dat hij met éénen sprong zich op den
revolver wierp, den loop aan zijnen mond bragt, en met een onvasten,
maar daarom niet minder wreeden vinger den trekker de beweging
mededeelde, die aan alles een einde moest maken.