--"Wat deert u, Lidewyde? Wat is er gebeurd?" vroeg André, schichtig
oprijzend uit den slaap. "Gij vergist u, het is nog lang geen dag.
Waarom loopt gij zoo driftig op en neder? Kom hier, gij zult ziek
worden."
Bij het schijnsel der albasten lamp, die in het voorvertrek van den
zolder afhing, kon hij alleen hare gedaante onderscheiden. Er was iets
spookachtigs in het heen en weder golven van dat wit en slepend
nachtgewaad: hetwelk het eene oogenblik zich van de alkoof verwijderde
en dan telkenmale eensklaps weer zigtbaar werd.
--"Waarom antwoordt gij niet, Lidewyde? Schiet ten minste uwe muiltjes
aan, zeg ik u. In het holle van den nacht op uwe bloote voeten!"
Zij trad naar het ledikant, sloeg de armen om zijnen hals, en
fluisterde hem in het oor:
--"Ruardi heeft ons verraden. Dijk is hier geweest, terwijl gij
sliept. Sta dadelijk op en ga naar uwe kamer."
--"Naar mijne kamer?" vroeg hij, overeind vliegend en naar zijne
kleederen grijpend. "Neen, Lidewyde, ik verlaat u niet. Geef mij den
sleutel van de kleine trapdeur. Ik zal Marcelis wekken en hem zeggen
dat hij ijlings inspant. Verkiest gij den landauer?"
--"Gij droomt, André. Den sleutel, waarvan gij spreekt, bezit ik niet.
Dien heeft Ruardi aan Dijk in handen gespeeld. Marcelis is omgekocht.
Wij zijn in Dijks magt."
--"Is hij het dan die verlangt, dat ik naar mijne kamer zal gaan?"
--"Ja. Daareven stond hij eensklaps aan mijne zijde en wekte mij. Ik
kon hem aanzien dat hij gewaakt had."
--"En wat heeft hij gezegd?"
--"Niet veel, maar genoeg. Over een uur, zeide hij, kwam hij hier
terug en zou dan eene explikatie hebben met mij, na eerst met u te
hebben afgerekend."
--"Hoe wenschte ik, dat hij mij uitdaagde! Het schreeuwt om wraak, dat
gij vastgeketend zijt aan zulk een bloed. Doch hij zal den moed niet
hebben om zich als een man te gedragen."
--"Gij zult hem niet sparen, wel?"
--"Wees zonder zorg. Het genot zou grooter zijn, indien ik, tegelijk
met hem, ook Ruardi treffen kon; maar Ruardi zal mij daarom niet
ontloopen. Met den prijs uwer liefde in het verschiet..."
--"In het verschiet? Gij zoudt mij bijna doen glimlagchen. Zie mij
aan, en zeg welke vrouw zwakker voor u kan zijn dan ik? Doch de tijd
dringt. Rep u! Dijk wacht."
--"Voor zijne rust zal ik vroeg genoeg tot zijne dienst zijn."
--"Maar hij zal u verdenken, indien gij hem niet spoedig te woord
staat."
--"Verjaagt gij mij? Dat is hard. Misschien zie ik u heden nacht voor
het laatst."
--"Onzin, André! Zelfs in den dood ben ik de uwe!"
--"Laat mij nog vijf minuten mogen blijven, Lidewyde! Het =kon= zijn dat
wij voor eeuwig gescheiden werden."
--"Geloof toch niet aan dwaze voorgevoelens, André! Dijk mag niet
wachten. Gij bederft uwe zaak... en de mijne."
--"Gij hebt gelijk. Omhels mij dan, en ik ga. Omhels mij, bid ik u."
--"Ziedaar."
--"Omhels mij nogmaals, en zeg overluid dat gij mij liefhebt."
--"Nu dan."
--"Neen, niet fluisteren."
--"Ik heb u lief, André! Is het zoo naar uwen zin?"
--"Bijna. Eerst moet ik u op den hals mogen kussen, even als ik dien
avond in den tuin gedaan heb."
--"Maar dan gaat gij ook?"
--"Stellig en zeker."
--"Gij breekt uw woord! Laat mij los, André! Zoo kust een man zijne
aanstaande vrouw niet."
--"Dat kunt gij niet meenen, Lidewyde. Uw hoofd op mijnen schouder en
mijne lippen op uwen hals: zoo behoort het. Mag ik?"
--"Al wat gij wilt, mits gij mij loslaat."
Reeds voor het bekomen verlof, ofschoon zij het niet aldus bedoeld
had, had zijne hand over haren schouder heen, haar gewaad ontknoopt,
en viel het matte licht der van den zolder afhangende lamp op haar nu
met geen enkel floers bedekten boezem. Het baatte niet dat zij met den
eenen arm hem van zich poogde af te weren en met den anderen haar
kleed bijeenhield. Haar gordel zelf bezweek weldra voor zijne drift,
die alles wilde aanschouwen. Toen ook de laatste sluijer verwijderd
was, deed hij eene schrede achterwaarts, verslond met de oogen het
golvend marmer van Lidewyde's schoonheid, drukte haar nog eenmaal aan
zijne borst, en ging.