Van Belvedere naar zee, het bosch door en de duinen over, was bij dag
eene wandeling van niet meer dan twee uren. Doch kan het wonder
schijnen dat Aart Visscher dien nacht het dubbel van den tijd behoefde
om te gaan, en nogmaals het dubbel voor den terugtogt? Toen hij tegen
tien ure uit de societeit thuis gekomen was, had hij onmiddelijk aan
zijne vrouw bespeurd dat hen eene ramp had getroffen, en met den
besten wil was het haar niet mogelijk geweest, de waarheid voor hem te
verhelen. Emma terug, omdat André een slechtaard was? Die gedachte
dreigde hem te doen stikken. Emma's toestand gedoogde niet, dat hij
naar haar toevloog om haar te omhelzen; en zelfs smeekte Lydia hem,
slechts fluisterend te spreken. Voor zijn overkropt gemoed, en de
gezwollen aderen zijner kloppende slapen, was die dwang eene
duldelooze kwelling geweest. "Geef mij mijn hoed en mijn regenmantel!"
had hij gezegd. "Ik wil naar het strand, ik moet de zee zien! Hier =kan=
ik het niet uithouden!"
--"En laat gij mij den geheelen nacht met Emma alleen? Indien haar
iets overkwam, wat zou ik beginnen?"
--"Zeg Bartje, dat zij met u wake. Ik ben tot niets nut. Het is voor
ons allen beter dat ik ga."
--"Maar indien Emma iets overkwam?"
--"En welk grooter leed kan haar overkomen dan hetgeen die lafaard
haar berokkend heeft? Gij weet zoo goed als ik, Lydia, dat ik u van
geenerlei dienst kan zijn."
--"En wanneer zie ik u terug?"
--"Morgen-ochtend, met het aanbreken van den dag."
--"Laat mij dan voor het minst uwe veldflesch vullen en u een stuk
brood medegeven. Is dit een uur om geheel alleen door de duinen te
gaan dwalen! Gij zult mij twee zieken voor eene bezorgen."
--"Die wandeling zal mij niet ziek maken, Lydia, maar gezond. Vrees
niet voor mij. Ik ken den weg en neem ten overvloede Tiras mede."
Met Reiniers hond aan zijne zijde stak hij het bosch door en besteeg
een voetpad door het zand, dat voor den kortsten weg naar zee gehouden
werd. Doch door de duisternis raakte hij het smal en dagelijks
verstuivend spoor weldra bijster, en kon zijnen weg alleen voortzetten
door nu eens met zijnen stok zich door de bremstruiken heen te slaan,
dan zich vast te klampen aan de helmplanten links en regts, dan zijnen
voet los te rukken uit de ineen gewoelde ranken der duinbeziën, de
angels en klemmen der natuur. Bij het afgaan van eene der hoogste
duinen viel hij eensklaps voorover en moest in het rond tasten om
zijnen hoed weer te vinden: de bovenlaag van een konijnenhol was niet
sterk genoeg geweest om hem te dragen, en hij mogt van geluk spreken
dat zijn struikelen geene erger gevolgen had dan eene schram over het
gelaat en opgekrabde handen.
--"Maak geen leven om niets!" zeide hij, toen de hond om hem henen
sprong en aansloeg. "Kom hier, en speel voor chirurgijn."
Hij rigtte zich op, zette zich neder in het zand, en liet zich door
Tiras het aangezigt en de handen lekken. Zoo ging het voort, duin op,
duin af, in de rigting der zee. Doch toen hij de laatste duinenrij
achter den rug had en alleen nog het strand hem van den grooten
waterplas scheidde, vond hij de begeerde verademing niet. Hij had zich
voorgesteld, onder het bruischen der baren woorden te zullen vinden
voor zijne verontwaardiging. Hoe sterker wind, had hij gedacht, en hoe
woester golven, des te weldadiger zou de overeenstemming zijn tusschen
het geraas om hem henen en den storm in zijne borst. Doch hij ontving
niet een der indrukken, waarop hij gerekend had. De inspanning van het
klimmen en dalen was vergelijkenderwijs eene afleiding geweest: de
vlakke zandbaan was eene teleurstelling. Hij zag omhoog, doch
bespeurde niets als een grijs en onrustig zwerk, met een zwartblaauwen
achtergrond, waarin nu en dan eene enkele ster kwam vonkelen en dan
weder verschoot. Verder dan honderd passen voor zich uit kon hij het
water niet van de lucht onderscheiden, en alleen in zijne onmiddelijke
nabijheid zagen de kuiven der baren wit. Het strand, dat bij dag
onafzienbaar zou zijn geweest, geleek nu eene kleine vlakte binnen
enge fantastische grenzen. Het eenige wat hem half en half voldoening
schonk, was het daverend geweld waarmede sommige reuzengolven
nederkwamen en het strand beukten. Doch hij kon zich niet onverdeeld
overgeven aan zijne gedachten, evenmin als hij een uitweg vond voor
zijne aandoeningen. Hij zou in de eenzaamheid de vuist hebben willen
ballen tegen André; maar om voort te kunnen komen moest hij met beide
handen zijnen mantel bijeen houden. Het zou eene verligting voor hem
geweest zijn, indien hij zich in Emma's droefheid had mogen verdiepen;
doch nu moest hij al zijne krachten inspannen om tegen den wind op te
worstelen, dan werd hij zijns ondanks voorwaarts gestuwd. Had hij
geweten, dat André dien eigen ochtend, op twee dagreizen afstand,
hetzelfde strand bezocht en daar in Lidewyde's bezit geroemd had; dat
Ruardi's haat Emma's vernedering wreken zou; dat André op dit zelfde
oogenblik... Doch van geen der dingen, die zijne belangstelling gewekt
of hem bevredigd zouden hebben, ook al hadden zij hem te gelijk met
afgrijzen vervuld, droeg hij kennis. Daarentegen vernieuwde hetgeen
hij wist onophoudelijk in zijn binnenste het gevoel van zijne
magteloosheid.
Zulke teleurstellingen zijn geene zeldzaamheid. Men heeft verdriet, en
beeldt zich in, het te zullen kunnen verzetten, indien men van zijne
smart door niets wordt afgeleid en men er zich geheel aan wijden kan.
Doch naauwelijks is men met zichzelven alleen, of het blijkt, dat die
verwachting eene hersenschim geweest is. De ligtzinnigheid eet in
zulke uren opium, of drinkt alkohol; het piëtisme werpt zich op de
knieën en bidt. Doch wie het laatste niet zou kunnen doen zonder zich
aan huichelarij te bezondigen, het eerste niet zonder zich in eigen
oogen te verdierlijken, voor hem blijft alleen over zich het zwaard
uit de wonde te rukken en geduldig af te wachten of de tijd haar
cicatriseren wil. Elke andere poging om verligting van pijn te bekomen
staat gelijk met het heen en weder loopen van den leeuw in het hok
eener diergaarde. Hetzij hij nog tien jaren leeft of morgen sterft, in
de voorwaarden zijner gevangenschap komt geene verandering: eene
plaatsruimte van vijfentwintig kubieke voeten, ijzeren bouten aan de
voor-, ijzeren grendels aan de achterzijde, en tweemalen daags een
stuk vleesch.
Ook Emma's vader zocht eenen troost die niet bestond, of althans
nergens op aarde voor hem te vinden was. Hij mogt zijne woning
ontvlugten als een vagebond, door bosschen en duinen dwalen gelijk een
strooper, nu in deze, dan in gene rigting den zoom der golven
volgen,--even als een moordenaar of dief gedaan zou hebben, die naar
een vaartuig zoekt om hem met zijnen buit naar de overzijde te
brengen,--zijn leed verminderde niet. Na Emma was hij het, die door
André's trouweloosheid het diepst gegriefd werd, dieper dan Lydia,
dieper zelfs dan André's ouders. Gulle vooringenomenheid had hem dien
knaap zijn hart doen schenken; voor het eerst sedert vele jaren had
hij weder vrolijk de toekomst ingestaard, had hij zich de
waarschijnlijkheid voorgespiegeld eener verwezenlijking van
lievelingsdenkbeelden, tot hiertoe slechts op één gebied mogelijk
geweest en daar in tranen verdwenen. En nu was het, alsof met het
boosaardigst overleg en door de ruwste vuist hem, voor elke van zijne
blijde verwachtingen, een stoot in de borst werd toegebragt. Wie of
wat kon hem van de smart dier ontgoocheling bevrijden? Bedrogen en
beleedigd was hij gegaan, beleedigd en bedrogen keerde hij op zijne
schreden terug. De eenige verandering was dat de wind ging liggen en
voor een digten motregen plaats maakte. Zijn mantel en Tiras dropen
toen Lydia hem binnenliet.
--"Hoe maakt Emma het?"
--"Zij slaapt. Heeft de wandeling u goed gedaan?"
--"Neen, Lydia. Vergeef mij dat ik niet naar uwen raad geluisterd
heb."
--"En wat beginnen wij nu?"
--"Zorg gij voor Emma, en laat mij naar André gaan."
--"Om wat te doen?"
--"Dat weet ik zelf niet."
--"Wilt gij hem rekenschap vragen van zijne handelwijze?"
--"O neen, zijne verantwoording verkies ik niet aan te hooren. Maar
hij moet niet kunnen denken, dat wij hem vreezen."
--"En wanneer woudt gij vertrekken?"
--"Met den middagtrein van heden. Dan ben ik morgen-ochtend daar
ginds."
--"Het is eene bittere beproeving voor ons allen."
--"Bitterder dan... Maar ook welk eene dwaasheid, dat wij ons vleiden
met de hoop, André voor ons te zullen zien worden wat Reinier geweest
is!"