TIENDE HOOFDSTUK.

Van Belvedere naar zee, het bosch door en de duinen over, was bij dag

eene wandeling van niet meer dan twee uren. Doch kan het wonder

schijnen dat Aart Visscher dien nacht het dubbel van den tijd behoefde

om te gaan, en nogmaals het dubbel voor den terugtogt? Toen hij tegen

tien ure uit de societeit thuis gekomen was, had hij onmiddelijk aan

zijne vrouw bespeurd dat hen eene ramp had getroffen, en met den

besten wil was het haar niet mogelijk geweest, de waarheid voor hem te

verhelen. Emma terug, omdat André een slechtaard was? Die gedachte

dreigde hem te doen stikken. Emma's toestand gedoogde niet, dat hij

naar haar toevloog om haar te omhelzen; en zelfs smeekte Lydia hem,

slechts fluisterend te spreken. Voor zijn overkropt gemoed, en de

gezwollen aderen zijner kloppende slapen, was die dwang eene

duldelooze kwelling geweest. "Geef mij mijn hoed en mijn regenmantel!"

had hij gezegd. "Ik wil naar het strand, ik moet de zee zien! Hier =kan=

ik het niet uithouden!"

--"En laat gij mij den geheelen nacht met Emma alleen? Indien haar

iets overkwam, wat zou ik beginnen?"

--"Zeg Bartje, dat zij met u wake. Ik ben tot niets nut. Het is voor

ons allen beter dat ik ga."

--"Maar indien Emma iets overkwam?"

--"En welk grooter leed kan haar overkomen dan hetgeen die lafaard

haar berokkend heeft? Gij weet zoo goed als ik, Lydia, dat ik u van

geenerlei dienst kan zijn."

--"En wanneer zie ik u terug?"

--"Morgen-ochtend, met het aanbreken van den dag."

--"Laat mij dan voor het minst uwe veldflesch vullen en u een stuk

brood medegeven. Is dit een uur om geheel alleen door de duinen te

gaan dwalen! Gij zult mij twee zieken voor eene bezorgen."

--"Die wandeling zal mij niet ziek maken, Lydia, maar gezond. Vrees

niet voor mij. Ik ken den weg en neem ten overvloede Tiras mede."

Met Reiniers hond aan zijne zijde stak hij het bosch door en besteeg

een voetpad door het zand, dat voor den kortsten weg naar zee gehouden

werd. Doch door de duisternis raakte hij het smal en dagelijks

verstuivend spoor weldra bijster, en kon zijnen weg alleen voortzetten

door nu eens met zijnen stok zich door de bremstruiken heen te slaan,

dan zich vast te klampen aan de helmplanten links en regts, dan zijnen

voet los te rukken uit de ineen gewoelde ranken der duinbeziën, de

angels en klemmen der natuur. Bij het afgaan van eene der hoogste

duinen viel hij eensklaps voorover en moest in het rond tasten om

zijnen hoed weer te vinden: de bovenlaag van een konijnenhol was niet

sterk genoeg geweest om hem te dragen, en hij mogt van geluk spreken

dat zijn struikelen geene erger gevolgen had dan eene schram over het

gelaat en opgekrabde handen.

--"Maak geen leven om niets!" zeide hij, toen de hond om hem henen

sprong en aansloeg. "Kom hier, en speel voor chirurgijn."

Hij rigtte zich op, zette zich neder in het zand, en liet zich door

Tiras het aangezigt en de handen lekken. Zoo ging het voort, duin op,

duin af, in de rigting der zee. Doch toen hij de laatste duinenrij

achter den rug had en alleen nog het strand hem van den grooten

waterplas scheidde, vond hij de begeerde verademing niet. Hij had zich

voorgesteld, onder het bruischen der baren woorden te zullen vinden

voor zijne verontwaardiging. Hoe sterker wind, had hij gedacht, en hoe

woester golven, des te weldadiger zou de overeenstemming zijn tusschen

het geraas om hem henen en den storm in zijne borst. Doch hij ontving

niet een der indrukken, waarop hij gerekend had. De inspanning van het

klimmen en dalen was vergelijkenderwijs eene afleiding geweest: de

vlakke zandbaan was eene teleurstelling. Hij zag omhoog, doch

bespeurde niets als een grijs en onrustig zwerk, met een zwartblaauwen

achtergrond, waarin nu en dan eene enkele ster kwam vonkelen en dan

weder verschoot. Verder dan honderd passen voor zich uit kon hij het

water niet van de lucht onderscheiden, en alleen in zijne onmiddelijke

nabijheid zagen de kuiven der baren wit. Het strand, dat bij dag

onafzienbaar zou zijn geweest, geleek nu eene kleine vlakte binnen

enge fantastische grenzen. Het eenige wat hem half en half voldoening

schonk, was het daverend geweld waarmede sommige reuzengolven

nederkwamen en het strand beukten. Doch hij kon zich niet onverdeeld

overgeven aan zijne gedachten, evenmin als hij een uitweg vond voor

zijne aandoeningen. Hij zou in de eenzaamheid de vuist hebben willen

ballen tegen André; maar om voort te kunnen komen moest hij met beide

handen zijnen mantel bijeen houden. Het zou eene verligting voor hem

geweest zijn, indien hij zich in Emma's droefheid had mogen verdiepen;

doch nu moest hij al zijne krachten inspannen om tegen den wind op te

worstelen, dan werd hij zijns ondanks voorwaarts gestuwd. Had hij

geweten, dat André dien eigen ochtend, op twee dagreizen afstand,

hetzelfde strand bezocht en daar in Lidewyde's bezit geroemd had; dat

Ruardi's haat Emma's vernedering wreken zou; dat André op dit zelfde

oogenblik... Doch van geen der dingen, die zijne belangstelling gewekt

of hem bevredigd zouden hebben, ook al hadden zij hem te gelijk met

afgrijzen vervuld, droeg hij kennis. Daarentegen vernieuwde hetgeen

hij wist onophoudelijk in zijn binnenste het gevoel van zijne

magteloosheid.

Zulke teleurstellingen zijn geene zeldzaamheid. Men heeft verdriet, en

beeldt zich in, het te zullen kunnen verzetten, indien men van zijne

smart door niets wordt afgeleid en men er zich geheel aan wijden kan.

Doch naauwelijks is men met zichzelven alleen, of het blijkt, dat die

verwachting eene hersenschim geweest is. De ligtzinnigheid eet in

zulke uren opium, of drinkt alkohol; het piëtisme werpt zich op de

knieën en bidt. Doch wie het laatste niet zou kunnen doen zonder zich

aan huichelarij te bezondigen, het eerste niet zonder zich in eigen

oogen te verdierlijken, voor hem blijft alleen over zich het zwaard

uit de wonde te rukken en geduldig af te wachten of de tijd haar

cicatriseren wil. Elke andere poging om verligting van pijn te bekomen

staat gelijk met het heen en weder loopen van den leeuw in het hok

eener diergaarde. Hetzij hij nog tien jaren leeft of morgen sterft, in

de voorwaarden zijner gevangenschap komt geene verandering: eene

plaatsruimte van vijfentwintig kubieke voeten, ijzeren bouten aan de

voor-, ijzeren grendels aan de achterzijde, en tweemalen daags een

stuk vleesch.

Ook Emma's vader zocht eenen troost die niet bestond, of althans

nergens op aarde voor hem te vinden was. Hij mogt zijne woning

ontvlugten als een vagebond, door bosschen en duinen dwalen gelijk een

strooper, nu in deze, dan in gene rigting den zoom der golven

volgen,--even als een moordenaar of dief gedaan zou hebben, die naar

een vaartuig zoekt om hem met zijnen buit naar de overzijde te

brengen,--zijn leed verminderde niet. Na Emma was hij het, die door

André's trouweloosheid het diepst gegriefd werd, dieper dan Lydia,

dieper zelfs dan André's ouders. Gulle vooringenomenheid had hem dien

knaap zijn hart doen schenken; voor het eerst sedert vele jaren had

hij weder vrolijk de toekomst ingestaard, had hij zich de

waarschijnlijkheid voorgespiegeld eener verwezenlijking van

lievelingsdenkbeelden, tot hiertoe slechts op één gebied mogelijk

geweest en daar in tranen verdwenen. En nu was het, alsof met het

boosaardigst overleg en door de ruwste vuist hem, voor elke van zijne

blijde verwachtingen, een stoot in de borst werd toegebragt. Wie of

wat kon hem van de smart dier ontgoocheling bevrijden? Bedrogen en

beleedigd was hij gegaan, beleedigd en bedrogen keerde hij op zijne

schreden terug. De eenige verandering was dat de wind ging liggen en

voor een digten motregen plaats maakte. Zijn mantel en Tiras dropen

toen Lydia hem binnenliet.

--"Hoe maakt Emma het?"

--"Zij slaapt. Heeft de wandeling u goed gedaan?"

--"Neen, Lydia. Vergeef mij dat ik niet naar uwen raad geluisterd

heb."

--"En wat beginnen wij nu?"

--"Zorg gij voor Emma, en laat mij naar André gaan."

--"Om wat te doen?"

--"Dat weet ik zelf niet."

--"Wilt gij hem rekenschap vragen van zijne handelwijze?"

--"O neen, zijne verantwoording verkies ik niet aan te hooren. Maar

hij moet niet kunnen denken, dat wij hem vreezen."

--"En wanneer woudt gij vertrekken?"

--"Met den middagtrein van heden. Dan ben ik morgen-ochtend daar

ginds."

--"Het is eene bittere beproeving voor ons allen."

--"Bitterder dan... Maar ook welk eene dwaasheid, dat wij ons vleiden

met de hoop, André voor ons te zullen zien worden wat Reinier geweest

is!"

Lidewyde · 第 55 / 60 题