--"Vroeg dag geweest van ochtend," zeide freule Bertha's koetsier tot
den ouden Floris, die nevens hem op den bok zat.
Floris antwoordde niet.
--"Vroeg dag geweest," herhaalde Hendrik, niet gewoon vóór twaalven te
rijden, doch heden, ofschoon het uur van negenen nog slaan moest,
reeds voor de tweede maal achter de paarden, eerst om Emma naar den
spoortrein, daarna om freule Bertha-zelve naar Soekabrenti te brengen.
--"De jufvrouw zag er erg ontdaan uit," ging Hendrik voort, vast
besloten Floris aan de praat te krijgen.
--"Hendrik," antwoordde Floris in het eind, niet willende dat zijn
kameraad, door geheel en al onkundig te blijven, misschien achteraf
nog veel onbeteugelder zou gaan babbelen, dan hij ongetwijfeld nu
reeds doen zou, "er is in de familie van jufvrouw Emma eene treurige
omstandigheid voorgevallen, zoodat de jufvrouw op stel en sprong naar
huis moest; en de freule heeft beloofd, daarvan onmiddelijk
mededeeling te zullen gaan doen aan mevrouw Dijk, met verzoek, er
mijnheer André op te willen voorbereiden. Daarom zijn we van daag zoo
in de vroegte. Pas gister-avond laat is de tijding ontvangen. Ik heb
zelf den brief binnen gebragt."
--"Dat je den brief zelf hebt binnen gebragt," zeide Hendrik, dankbaar
maar onvoldaan, "zal ik niet tegenspreken, want ik ben er niet bij
geweest; maar ik vind het casueel, zoo als Jakob van den dokter om het
andere woord pleegt te zeggen, dat wij om die reden op dit uur naar
Soekabrenti moeten."
--"Ik heb je al meer gezegd, Hendrik," antwoordde Floris, die den
aanval op het korps der vesting trachtte te ontwijken, door uit een
der afgelegen buitenwerken een uitval te beproeven, "dat je verkeerd
handelt door de kennis met dien Jakob aan te houden. Ik houd hem voor
een gemeenen kerel."
--"Dat's tot je dienst," zeide Hendrik. "Je bent de eenige niet, die
zoo over hem denkt; en als je niet te oud waart om zondagsavonds in
het Fonteintje te komen dansen, zou je misschien nog wel erger over
hem gaan denken."
--"Al kon ik er morgen twintig jaar mede worden," viel Floris hem
driftig in de reden, "ik zou geen voet in jelui vervl--Fonteintje
willen zetten. Dat je er zelf komt, laat ik daar; je bent jong gezel
en de jeugd moet 'er tijd hebben, zeggen de menschen; ofschoon dat
=mijn= leer =niet= is. Maar dat de vader van een huis vol kinderen zulke
plaatsen bezoekt, is schande; en daar je meê verkeert, wordt je meê
geëerd."
--"Dat wordt je," antwoordde Hendrik, met de oogen knippend, "en dat
is de reden, zeggen ze, dat jufvrouw Emma niet langer verkeeren wil
met mijnheer André. Of heb ik het mis?"
Floris zag hem verbijsterd aan. Tot zijn leedwezen bemerkte hij, dat
de koetsier hem niet zoozeer uitgehoord had ten einde iets nieuws,
maar alleen om van hem de bevestiging te vernemen van hetgeen hij
reeds wist of op goede gronden giste. Het was nu evenwel geen tijd om
Hendrik zoo ernstig onder handen te nemen als de zaak het verdiende.
Daar reden zij de laan van Soekabrenti op, Floris moest bij de hand
zijn om het portier te openen voor freule Bertha.
-"Zoodat gij niet voornemens zijt het bedreven kwaad op eenigerlei
wijze goed te maken?" vroeg freule Bertha oprijzend, nadat zij een uur
lang vruchteloos beproefd had Lidewyde òf eene bekentenis, òf eene
toezegging te ontlokken.
Lidewyde was op dit of een dergelijk bezoek voorbereid geweest, en de
gevoelens der oude dame waren haar te gemeenzaam bekend, dan dat zij
langen tijd naar hare antwoorden zou hebben behoeven te zoeken. Bij
tusschenpoozen evenwel, en ook nu weder, hield zij zich, alsof freule
Bertha's vragen met de meeste naauwgezetheid door haar overwogen
werden. In stede van het voorbeeld harer bezoekster te volgen en
insgelijks op te rijzen, bleef zij zitten leunen in haar fauteuil, en
zeide op nadenkenden toon, als iemand, die er in het minst geen belang
bij heeft een aangevangen onderhoud vóór den tijd af te breken:
--"Neen, freule, ik ben inderdaad niet voornemens iets te doen van
hetgeen gij bedoelt. Dat zou geene houding hebben en tot niets leiden.
Doch ik herhaal wat ik daareven zeide: indien tusschen ons omtrent
deze zaak eenig misverstand bestaat,--en ik erken, dat dit het geval
is,--komt het alleen hieruit voort, dat dezelfde gebeurtenis door u
als een kwaad wordt aangemerkt, en door mij niet zoozeer. Is het een
kwaad, dat Emma eenige tranen stort? Dat hare ouders en die van André
eene teleurstelling ondervinden? Ik kan het niet inzien. Spiegelen wij
ons aan de natuur, die den mensch geene enkele smart bespaart, en laat
ons niet wijzer willen zijn dan zij!"
--"Dat zijn drogredenen, Lidewyde, door u aangegrepen met het oogmerk
om uwen misstap te vergoêlijken. Hoe kunt gij uwe handelwijze
natuurlijk noemen? Is het natuurlijk, dat gij uwen man en uwe vrienden
bedriegt? Dat gij droefheid brengt over het hoofd van personen, die,
zooals Emma's ouders, u nooit het geringste leed berokkend hebben? Ik
ken een anderen naam voor dergelijke handelingen."
--"Gij verstaat mij verkeerd, freule, en de beteekenis, die door ons
aan dezelfde woorden gehecht wordt, verschilt. Men spreekt van oorlog,
van pest, van hongersnood; doch neem nu eens het alle dagen zich
herhalend verschijnsel van het sterven; neem de verpligting, waaronder
een onnoemlijk aantal menschen liggen om te moeten werken voor hun
brood. De een moet, om aan den kost te komen, veertien uren daags den
vernederendsten arbeid verrigten, de ander zijne aangeboren talenten
begraven, een derde zijn geweten verkrachten of zijne overtuiging
verkoopen. Doch zoo is de wereld nu eenmaal zamengesteld."
--"Ik weet niet, Lidewyde, wat gij met dergelijke redeneringen
bedoelt. Voorheen spraakt gij anders, en ik zou nooit gedacht hebben,
dat het u in die mate aan gemoed ontbrak. Wat mij betreft, ik ben met
geen ander oogmerk hier gekomen als om u te verzoeken, gebruik te
maken van uwen invloed op André. Weigert gij mij die dienst, dan heb
ik verder niets te zeggen."
--"Altoos hetzelfde misverstand, freule! Gij kondt even goed van mij
verlangen, dat ik een einde maken zal aan de dienstbaarheid van mijn
koetsier of aan de afhankelijke positie van Sarah. Ik heb dat niet in
mijne magt. En al kon ik iets dergelijks uitwerken, dan nog zou ik van
oordeel zijn, dat Emma's verdriet niet in de eerste plaats in
aanmerking komt. Sarah is in mijne oogen veel ongelukkiger dan
Emma, en het ongelukkigst van al vind ik Marcelis. Niets is
onwaarschijnlijker, niet waar? dan dat Marcelis te eeniger tijd in
beter doen komen zal; nogtans moet hij van den ochtend tot den avond
tuigen poetsen, rijtuigen schoonmaken en op den bok zitten. Doch houd
mij de aanmerking ten goede,--het behoort tot de zwakke zijde van uwe
filanthropie, voor =zulke= tragediën geen oog te hebben."
--"Ik erken," zeide de freule, met een bitteren glimlach, "dat uwe
filanthropie geen gevaar loopt, voor zwak te worden aangezien. Foei,
Lidewyde, hoe kunt gij er behagen in scheppen, u zoo geheel anders
voor te doen als gij zijt? Op uwe christelijke barmhartigheid zal ik
mij niet beroepen: gij zoudt in staat zijn mij uit te lagchen. Maar ik
kan niet gelooven dat gij enkel als vrouw, hoe hardvochtig de
behaagzucht u moge gemaakt hebben, geene deernis gevoelen zoudt met
een meisje in Emma's toestand."
--"Toch wel, freule. Ik ben niet overtuigd dat uwe barmhartigheid eene
deugd is, in den zin van eene kracht. En nu gij van christelijk
spreekt, grijp ik de gelegenheid aan om u ronduit te zeggen, dat ik
mij hoe langer hoe minder in uwe denkwijze te huis gevoel."
--"Die mededeeling kondt gij sparen. Ik geloof niet, dat uwe
antipathie mijne denkwijze tot schande strekt."
--"Meen niet, freule, dat mijn oogmerk is, u persoonlijk te grieven;
mijn toeleg is veeleer u een kompliment te maken. Doch laat mij u
mogen vragen, of de christelijke godsdienst niet bij uitsluiting
geschikt is om over het vreugdeloos bestaan van personen zeker waas
van poëzie te werpen? U houd ik voor eene voorbeeldige christin, en
van Emma zal, naar ik voorzie, over dertig of veertig jaren, hetzelfde
kunnen gezegd worden; doch is het christendom eigenlijk wel voor iets
anders bestemd, als om--ik spreek niet van uzelve--vrouwen die in het
geval verkeeren, waarin Emma dan verkeeren zal, te verzoenen met haar
lot? Mijne bedoeling met die vraag is natuurlijk niet de waarde van uw
geloof te verkleinen,--daarvoor is het aantal der gekontrariëerde
vrouwenlevens te groot,--maar alleen u duidelijk te maken, dat voor
mij geene reden bestaat, om, in strijd met mijn beter oordeel, gevolg
te geven aan uw beroep."
--"Mijn geloof, Lidewyde, staat te hoog om door uwen schimp getroffen
te kunnen worden, en ook zonder dat ik het behoef te regtvaardigen,
veroordeelt het u. Wat mij veroordeelt en beschaamd doet staan, is,
dat ik u zoo lang gekend heb zonder u te doorzien. Op mijne knieën zal
ik om vergiffenis voor die kortzigtigheid smeeken tot denzelfden Heer,
die Zijn aangezigt van u afgewend en u overgegeven heeft aan uwe
verdorvenheid. Ook voor u zal ik tot Hem bidden, want Hij is magtig
genoeg om zelfs steenen harten te kunnen verbrijzelen. Wordt mijn
gebed verhoord, dan ziet gij mij weder; eer niet. Er bestaat van dit
oogenblik af geenerlei betrekking meer tusschen ons. Wees de heidin
van uwe keus, indien gij dat voor uw geweten verantwoorden kunt; doch
zoo eene vrijdenkster te zijn voor u beteekent geen hart en alleen
driften te hebben, verboden minnarijen te onderhouden, den naam te
onteeren van den man aan wien gij duizend verpligtingen hebt,
jongelieden in het verderf te storten en ouden van dagen in het
aangezigt te slaan,--zoo dat de vrucht is dier hoogere beschaving,
waartoe gij beweert opgeklommen te zijn, weet dan dat mijn bijgeloof
en mijne wanbegrippen te fier zijn om zich af te geven met uwe
wijsheid."
--"Freule Bertha! Freule Bertha!" riep Lidewyde, eindelijk oprijzend,
toen de freule haar niet zonder digniteit den rug toekeerde en het
vertrek wilde verlaten.
--"Wat is het, Lidewyde?" vroeg zij, het hoofd naar haar omwendend en
haar aanziende met een bestraffenden blik.
Gelukkig voor haar en voor hare waardigheid verried niets in dien blik
de schemering van hoop, die Lidewyde's roepen in haar binnenste had
doen opflikkeren. Wel ver toch dat Lidewyde haar als eene berouwvolle
zondares te gemoet zou gegaan zijn, of voor het minst eenig leedgevoel
zou getoond hebben over hare onbeschaamdheid, ontving zij van haar een
laatsten slag door de wedervraag:
--"Ik wenschte van u te vernemen, freule, wat ik, nu Emma vertrokken
is, aanvangen zal met André?"