De persoon, wiens naam in het voorgaand hoofdstuk het laatst genoemd
is, droeg van datgene, waarin hij zelf zoo van nabij betrokken was,
nog geene kennis. Hij was een ochtendzwerftogt gaan doen, doch niet in
de rigting der stad; anders zouden freule Bertha en hij elkander
misschien tegengekomen zijn, hij te voet en zij in haar rijtuig, en
zou die vroege togt der oude dame naar Soekabrenti hem welligt op het
denkbeeld gebragt hebben van iets buitengewoons. In weinige dagen toch
was het reeds zoo ver met hem gekomen, dat, zonder dergelijke
uitwendige aanleiding, de toestand van aan waanzin of dronkenschap
grenzende verblinding, waarin hij verkeerde, hem niet meer helder
worden kon. Doch de diepe sluimer van zijn geweten werd door geene
enkele ontmoeting gestoord; hij volbragt zijne wandeling, gelijk hij
dat gisteren of eergisteren gedaan zou hebben; droeg zorg den
terugtogt dus te nemen, dat hij van de andere zijde de stad weder
binnenkomen kon, en schelde omstreeks hetzelfde uur, waarop hij
meermalen in het voorbijgaan een bezoek aan Emma gebragt had, aan de
woning van freule Bertha.
--"Vertrokken?" vroeg hij, met de uiterste verbazing, toen Floris hem
aangediend had en hij bij de vrouw des huizes toegelaten was. "Is Emma
vertrokken? Waarom? Waarheen? Hoezoo? Heeft zij geene boodschap voor
mij achtergelaten? Geen briefje? Kon zij niet gewacht hebben totdat ik
met haar gesproken had?"
--"Mijnheer Kortenaer," antwoordde freule Bertha, wier gevoelig hart
tegen dezen toon met kracht in opstand kwam, "indien gij tegenwoordig
waart geweest bij het onderhoud dat ik een uur geleden met mevrouw
Dijk gehad heb, zoudt gij op dit oogenblik niet tegenover mij zitten.
Of heeft een regtvaardig God ook uw hart verstokt, even als dat van
Lidewyde? Eene boodschap voor u, of een briefje van haarzelve, heeft
Emma niet voor u achtergelaten, neen; doch ziehier hetgeen door eene
verraderlijke en onreine hand haar gisteren toegezonden is."
De freule opende hare schrijfcassette, die nevens haar op de tafel
stond, en reikte André het medaljon over, met het daarbij behoorend
biljet van Lidewyde. Emma had eerst niet gewild, dat zij die
voorwerpen behouden zou, doch was geëindigd met toe te geven.
André herkende aanstonds, even als Emma gedaan had, de hand van
Lidewyde. Hij herkende ook het medaljon met het fijne zwartzijden
koord. Ten overvloede bragt hij werktuigelijk de hand aan zijne borst,
ten einde zich te vergewissen dat het door Emma achtergelaten
voorwerp inderdaad hetzelfde was dat hij in de laatste dagen
getrouwelijk om den hals gedragen had. Gisteren nog, herinnerde hij
zich, of anders eergisteren, was het medaljon op de gewone plaats
bevestigd geweest; doch het was verdwenen, en thans hield hij het,
daar viel niet aan te twijfelen, in zijne hand. Hij bezag het eene
wijl aan de voor- en achterzijde, nam toen het papier nog eens op,
waarin het gewikkeld was geweest, en herlas met aandacht de daarop
door Lidewyde gestelde woorden.
Doch meent men dat òf de aanblik der achtenswaardige vrouw tegenover
hem, òf het overtuigend bewijs der onverantwoordelijkste handelwijze,
waarop zijn oog thans rustte, hem verlegen maakte? In geene deele.
Misschien is het jammer, maar het is zoo, dat de stem van het geweten
en de vrees voor het vonnis der wereld luider bij ons spreken, wanneer
onze verkeerde neigingen om zoo te zeggen nog in de periode der
kindsheid verkeeren, dan wanneer zij reeds zekeren graad van
consistentie verkregen hebben; zoodat twee van onze beste
schutsvrouwen tegen de verleiding, helaas, magteloozer worden,
naarmate wij dringender behoefte zouden hebben aan hare bescherming.
André's hartstogt voor Lidewyde was te sterk en tevens te onzuiver,
dan dat freule Bertha's welmeenend bedoelde ontmaskering een
noemenswaardigen indruk op hem zou hebben gemaakt.
--"Is uw wensch, freule, dat ik deze voorwerpen bij mij steken en
medenemen zal?" vroeg hij, zijn zakportefeuille voor den dag halend.
--"Neen, mijnheer; mijn wensch is integendeel, dat gij ze mij
onmiddelijk teruggeven zult. Althans, zoodra gij u met eigen oogen
overtuigd zult hebben van uwe trouweloosheid. Foei, mijnheer
Kortenaer, ik zou u niet in staat hebben geacht tot eene zoo
laaghartige handelwijze!"
Met eene zwijgende buiging reikte hij freule Bertha het medaljon en
het briefje over, greep zijnen hoed, en verliet, met eene aan fierheid
grenzende koelbloedigheid, het huis, waaruit Emma door hem verjaagd
was.
Hij vond het vervelend, ja, dat eene oude jonge jufvrouw, die hij
daarenboven voor eene langtong hield, nu kennis droeg van zijne
hartsgeheimen. Klapte zij uit de school, dan zou hem dit in sommige
moeijelijkheden kunnen wikkelen. Die gedachte deed hem evenwel niet
blozen of verschrikken, maar alleen de wenkbraauwen fronsen; en weinig
scheelde het, of van ongeduld had hij op de openbare straat met den
voet gestampt. Doch verder ging voorshands zijne bezorgdheid niet.
Stond het Lidewyde fraai, achter zijnen rug het leven der goede Emma
te verbitteren? O neen. Door den teugel te vieren aan hare antipathie,
had Lidewyde eene verhouding onmogelijk gemaakt, die hij, wat hem
betrof, gaarne zoo lang mogelijk zou hebben zien voortduren. Doch aan
den anderen kant streelde het in de hoogste mate zijne gevoeligheid,
dat Lidewyde prijs stelde op het onverdeeld bezit van zijn persoon.
Dit was een triomf waarvan hij weinige dagen geleden zelfs niet zou
hebben durven droomen. Daarbij kwam dat Lidewyde, in de zaak van het
medaljon, hem toescheen meer uit onwetendheid dan met opzet gezondigd
te hebben. Zij kon niet weten, dat Emma aan dat kleine voorwerp eene
zoo groote waarde hechtte. Hijzelf althans kon zich alleen herinneren
haar gezegd te hebben, doch zonder meer, dat het medaljon van Emma
afkomstig was. Er was derhalve geene boosaardigheid in het spel
geweest, maar er had een noodlottige zamenloop van omstandigheden
plaats gehad.
Evenwel, er moest nu in sommige opzigten raad geschaft worden. Met
zijn engagement was het gedaan, dat sprak van zelf. Emma,--daaromtrent
maakte hij zich geene hersenschimmen,--Emma had eene soort van
onafhankelijkheid over zich, die het gemakkelijker was te vertreden
dan te buigen. Hare ouders zouden in geen geval gedoogen, dat hij òf
hen, òf haar immer weder onder de oogen kwam. Ook zijne eigen ouders
kwamen in aanmerking. Zij moesten niet in de waan kunnen verkeeren,
dat hij den verkeerden weg was opgegaan, even als zijn broeder
Lodewijk, die gestolen had; hetgeen geheel iets anders was. Vooral
zijn vader, die hem steeds een goed hart had toegedragen en van wien
hij veel vriendschap ondervonden had, moest weten, dat de schuld
slechts gedeeltelijk aan hem, André, lag, en dat, al had zijn
engagement nog eene poos geduurd, en al was hij ten slotte met Emma
getrouwd, Emma toch nimmer eene geschikte vrouw voor hem zou geweest
zijn. Hij zou onmiddelijk werk maken van een uitvoerigen brief naar
huis, waarin hij een en ander duidelijk uiteenzetten zou.
En wat zou de wereld zeggen, indien het uitkwam dat het afspringen van
zijn huwelijk met Emma het gevolg was van zijnen hartstogt voor
Lidewyde? Men zou er zoogenaamd schande van spreken, dat hij een lief
en onschuldig jong meisje opofferde of aan eene getrouwde vrouw. Doch
wat bekommerde hij zich daarom? Lidewyde's liefde was hem genoeg, en
voor Lidewyde's rust vreesde hij niet. Zij was te gevat en te
vindingrijk, dan dat zij de openbare meening niet gemakkelijk op een
dwaalspoor zou weten te brengen; en al gelukte haar dit niet, zoodat
het geheim hunner betrekking verraden werd, ja zelfs al zou eene
openbare breuk met een ondragelijk echtgenoot het gevolg daarvan
zijn,--welnu, die scheiding zou haar vrij en hem, André, tot den
gelukkigste der stervelingen maken.
Toen hij tot zoover met zijne overdenkingen gevorderd was, had zijn
weg door de stad hem naar de Groote Markt gevoerd, waar de omnibussen
naar Zeeburg afreden. Juist sloeg de klok van het stadhuis twaalf ure,
en de schetterende trompet van een kondukteur kondigde aan, dat een
der voor het Badhuis bestemde wagens zich in beweging zou gaan zetten.
"Door thans naar Soekabrenti terug te keeren," zeide hij bij zich
zelven, "zou ik daar zoo goed als zeker te gelijk met Dijk aankomen,
of in geen geval vroeg genoeg om rustig met Lidewyde te kunnen
spreken. Ook moet ik eerst nog eens bij mij zelven overleggen, hoe ik
dien brief aan den ouden heer inkleeden zal. Weet gij wat? Ik zal te
Zeeburg gaan ontbijten. Dat zal mij goed doen. Eerst een bad, dan wat
eten, dan met de eerstvolgende omnibus naar de stad terug,--zoodoende
ontloop ik Dijk, vind Lidewyde alleen, heb eene explikatie met haar,
en regel daarnaar mijn brief."
Er was overvloed van plaats in de omnibus, en de enkele passagiers, in
wier gezelschap hij den rid naar Zeeburg maakte, schenen even weinig
lust te hebben om met hem in gesprek te komen als hij met hen. Ook de
groote zaal van het Badhuis vond hij bij zijne aankomst bijna
verlaten. De meeste badgasten waren reeds vroeger te water geweest en
deden nu een dutje in hunne slaapkamers, of kleedden zich om in den
namiddag naar de stad te gaan. Hij bestelde vooruit een ontbijt, kocht
een kaartje en begaf zich naar het strand. De heeren en dames, die hij
daar nog aantrof, boezemden hem weinig belangstelling in. Het waren
gewone badgasten van beiderlei geslacht, de mannen met schotsche
plaids om de schouders, de vrouwen blootshoofds en met loshangende
haren. Bekende aangezigten ontmoette hij niet. Ook in de babbelkoetsen
op het terras had hij in het voorbijgaan niemand opgemerkt, dien hij
zich herinneren kon gedurende zijn verblijf te M. wel eens gezien of
gesproken te hebben. Men waarschuwde hem dat eene badkoets beschikbaar
was; meer verlangde hij op dit oogenblik niet.
=Le bain creuse=, zeggen de Franschen; en wie André, na afloop van het
zijne, in een hoekje der groote zaal had zien ontbijten, zou zich in
zijn geloof aan de juistheid van dat gezegde niet geschokt gevoeld
hebben. Nogtans was de graagte, waarmede hij zijne koffij verorberde
en zijne lamskoteletten at, niet uitsluitend van stoffelijken
oorsprong, maar tegelijk een symbool van hetgeen in hem omging.
Dezelfde golven, dacht hij, waarin hij daareven geplast en zich alle
vooroordeelen van het lijf, alle muizennesten uit de haren gespoeld
had, hadden menigmaal ook de schoone ledematen van Lidewyde
overstelpt. Lidewyde in het bad; Lidewyde nederduikend in het
bruischend water of de brekende golf opvangend met haren
schouder,--die voorstelling verschafte aan zijne fantasie niet minder
en geen onaangenamer werk dan de aangerigte disch aan zijn verhemelte.
Dat zulk eene vrouw, zoo schoon en zoo schrander, haar goeden naam in
zijne hand gesteld had; dat hij alles van haar gedaan kon krijgen; dat
zij zoover ging van zich naijverig te toonen op hare eigen
heerschappij over hem,--die wetenschap was bijna grooter weelde dan
hij dragen kon. In zijne opgewondenheid riep hij den knecht en
bestelde eene halve flesch sherry.
--"Een glas sherry? Asjeblieft, mijnheer!"
--"Verstaat gij mij niet? Ik vroeg een halve flesch."
--"Asjeblieft, mijnheer!"
Sedert dien namiddag, dat hij met Dijk ontbeten en daarna in spijt van
Sarah's waakzaamheid binnengedrongen was in zekere vertrekken, had een
glas wijn hem zoo goed niet gesmaakt. Hij dronk een tweede en derde
glas. Bij het vierde knipte hij met het linkeroog, bragt het vonkelend
goudkleurig vocht aan zijn regter, liet het licht er in spelen, en zou
lust gevoeld hebben een toast in te stellen op zijnen oom, den
oud-minister, die hem met Lidewyde in kennis had gebragt.
Doch wiens stem weêrklonk daar in het galmend voorhuis, wie trad de
zaal binnen en vroeg overluid aan den kellner, of hij mijnheer Z. (een
der badgasten) voor eene wijl geen belet doen zou? Ja waarlijk, hij
was het! Niet oom Timmermans, hetgeen in hooge mate onwaarschijnlijk
geweest zou zijn, maar dokter Ruardi, wat niemand verwonderen kon en
alleen op dit uur tot de zeldzaamheden behoorde; dokter Ruardi, die
op het zien van André eensklaps al zijne opgeruimdheid scheen te
verliezen en over wiens welwillend gelaat zich plotseling eene
uitdrukking van haat en wraakzucht verspreidde, gelijk men aan onze
noorderstranden en bij onze meer flegmatieke landgenooten slechts
zelden in de gelegenheid is waar te nemen.
André's goede luim daarentegen steeg, toen hij den dokter herkende,
nog hooger dan te voren. In een oogwenk was hij opgerezen, maakte zich
met eene bewonderenswaardige gemakkelijkheid meester van den
ongenaakbaren Ruardi, troonde hem met zich mede naar zijn tafeltje,
deed alsof 's dokters onwil in het geheel niet door hem werd
opgemerkt, en legde over deze ontmoeting eene in den aangenamen zin
des woords zoo contagieuse blijdschap aan den dag, dat men met alle
goede manieren gebroken zou moeten hebben om zijne demonstratien van
ingenomenheid niet voor het minst met een schijn van vriendschap te
beantwoorden. Het kostte Ruardi te minder inspanning dien glimp aan te
nemen, omdat, indien André zijne redenen had om aldus openlijk over
hem te triomferen, hij de zijne meende te hebben om te gelooven dat
André's uitgelatenheid van korten duur zou zijn.
--"Dokter," zeide André op emfatischen toon, als moest de feestdronk,
dien hij daareven zou hebben willen instellen, hem thans onder een
anderen vorm van het hart, "het doet mij onbeschrijfelijk veel
genoegen, uw aangezigt te aanschouwen. Mag ik u een glas wijn
aanbieden? Jan, een glas!"
--"Waarlijk niet, mijnheer Kortenaer. Het maderaklokje heeft voor mij
nog niet geslagen."
--"Zoo als gij wilt, dokter. Op eene verpligting meer of minder, komt
het niet aan. De mijne aan u zijn talloos. Nimmer, dat zweer ik, zal
ik vergeten wat gij voor mij geweest zijt en gedaan hebt. Wanneer ik
betuig in u een ouderen broeder en te gelijk een voortreffelijk
leermeester gevonden te hebben, zeg ik inderdaad niet te veel. Op uwe
gezondheid, dokter, en dat gij voort moogt gaan eenig genoegen aan mij
te beleven!"
--"Laat ons minder luid spreken, mijnheer Kortenaer," fluisterde de
dokter. "Wij hebben wel geene geheimen te verhandelen, maar het zou
niettemin kunnen gebeuren, dat personen, wien onze zaken niet aangaan,
ons beluisterden. Gij houdt mij die opmerking ten goede, niet waar?
Een medicus moet zich op publieke plaatsen somtijds meer in acht nemen
dan hem lief is."
--"Ik begrijp u volkomen, dokter," antwoordde André, eenige oktaven
lager dan daareven, doch met dezelfde hartelijkheid. "Het is alleen de
medicus in u, die zoo spreekt. Als mensch zou het u slechts tot de
hoogste eer kunnen verstrekken, indien de geheele wereld u
beluisterde. Herinnert ge u ons eerste gesprek, daags nadat Adriaan
Dijk de goedheid had gehad mij aan u voor te stellen? Zoo in eenig
oogenblik van mijn leven eene onzigtbare hand in mijne ziel de kiem
gelegd heeft van een ander en hooger bestaan, is het dien
onvergetelijken dag geweest."
--"Gij schertst, mijnheer Kortenaer!"
--"Toch niet, dokter. Voorheen geloofde ik niet aan den invloed van
priesters op mannen, en wanneer ik op de straat, of buiten, een
predikant ontmoette, nam ik den hoed af en dacht bij mijzelven: "Geef
kinderen zoeten koek, en vrouwen zoeten most." Doch sedert mijn
gelukkig gesternte mij naar M. gevoerd en met u in aanraking heeft
gebragt, ben ik van dat vooroordeel voor goed teruggekomen. Gij ziet
in mij den katechumeen, die er in roemt en er zich op verhoovaardigt,
van u zijne wijding ontvangen te hebben."
--"Uwe uitdrukkingen zijn zoo dichterlijk, mijnheer Kortenaer, dat ik
met den lakonieksten der staatslieden, toen een poëet hem zijne
politieke beschouwingen voordroeg, zou wenschen te zeggen: "Ik bid u,
mijnheer, laat ons op de aarde blijven!" Waarlijk, gij overdrijft
schromelijk de geringe diensten die ik u mag bewezen hebben. Zijn
mijne inzigten naar uwen smaak, het is mij aangenaam; doch houd in het
oog, dat de eenige denkbeelden, waarmede men in deze wereld verder
komt, die zijn, waarvan men zelf de uitvinder is."
--"Hetgeen gij daar zegt, dokter, is weder zoo fijn gedacht en zoo
keurig uitgedrukt, dat mijne ingenomenheid met u er volkomen door
geregtvaardigd wordt. Vrees echter niet, dat gij in mij met een dier
onwaardige discipelen te doen hebt, die hunnen meester slechts
napraten."
--"Waarde heer," zeide Ruardi, die nu zijne contenance niet meer
verloor, "niemand kan omtrent uwe originaliteit een gunstiger meening
koesteren dan ik; en tenzij er ook eene oorspronkelijkheid gevonden
wordt, die zich vergenoegt met nalezingen te houden,--hetgeen met
zichzelf in tegenspraak zou zijn,--weet ik inderdaad niet hoe men
billijkerwijze op het denkbeeld zou kunnen komen, u van gebrek aan
zelfstandigheid te beschuldigen."
--"Ten opzigte van uw onderwijs althans, dokter, zou die aantijging
onverdiend zijn," antwoordde André. "Want het is juist omtrent eene
van uwe treffendste uitspraken, dat ik mij hij nader inzien verstout
heb, met u van meening te gaan verschillen. Herinnert gij u?... Maar
gij, die dagelijks zulke gesprekken voert, en, waar het op geestige en
welsprekende aforismen aankomt, u de weelde moogt veroorloven een
=enfant prodigue= te zijn..."
-"Nog eens, mijnheer Kortenaer, gij vergeet dat het voorwerp van uwen
lof tegenover u zit. Hoe zou de kellner mij uitlagchen, indien hij de
vlugt van uwe oden volgen kon! Gelukkig voor mij dat er waarheid is in
het spreekwoord: men moet niemand prijzen vóór zijnen dood."
--"En waarom zou men u niet prijzen bij uw leven, dokter? Toen gij de
eeredienst der vrouwen het aangewezen middel noemdet om onzen landaard
die hoogere vorming te doen bereiken, waarvan de tegenwoordige tijd
eene levensvoorwaarde maakt, waart gij de profeet der 19de eeuw
voor Nederland. Mij ten minste heeft dat denkbeeld eene geheel nieuwe
toekomst geopend, en ik zou alles willen opofferen om het in praktijk
te leeren brengen. Onze kunst, onze litteratuur, onze over het paard
getilde voorouders, den eenoogigen grondlegger van mijn geslacht niet
uitgezonderd,--onze geheele volkshistorie doe ik u prezent."
--"Vrijzinniger kan het niet, mijnheer Kortenaer," zeide de dokter,
"en ik zou geheel en al ontrouw worden aan mijzelven, indien ik u met
die verandering van zienswijze niet van harte geluk wenschte. Doch uwe
bruid zou inderdaad reden hebben mij te haten, indien ik eene
dankbetuiging aannam, waarop buiten haar niemand regt heeft. Hoe vaart
jufvrouw Emma? Hebt gij haar van ochtend reeds een bezoek gebragt? Ik
moet verschooning vragen, dat ik eerst nu naar haren welstand verneem;
doch erken, waarde heer, dat gij mij tot hiertoe geene gelegenheid
gelaten hebt, mij van die aangename verpligting te kwijten."
--"Ik bid u, dokter, bezig het woord verpligting niet. Gij doet
uzelven daarmede onregt aan. Ten eeuwigen dage zal ik de schuldenaar
zijn van den man, die mij den hartstogt der liefde als den volmaaksten
vorm van het menschelijk zijn heeft leeren beschouwen. Doch mag ik u
thans op mijne beurt van een vooroordeel genezen? Er waren in Holland
geene vrouwen, beweerdet gij, in staat eene neiging in te boezemen,
sterk genoeg om u ter wille daarvan alles te doen vergeten. Dat was
onbillijk van u. Ik althans mag eene vrouw de mijne noemen, die aan
uwen eisch in allen deele voldoet; de levende heldin van den
schoonsten roman."
--"En houdt gij mij voor zoo kleingeestig," vroeg Ruardi, "dat ik ter
wille van mijne theorien u het genot van dat voorregt misgunnen zou?
Ik zou het veeleer bejammeren, indien hetgeen ik gezegd mag hebben van
de hollandsche dames in het algemeen, door u was toegepast op jufvrouw
Visscher. Van het eerste oogenblik af heeft uwe bruid den
aangenaamsten indruk op mij gemaakt, en het verwondert mij in geenen
deele dat gij in haar de vrouw van uwe keus gevonden hebt. Zoo ziet
gij, mijnheer de ingenieur, dat men tezelfdertijd een Archimedes in de
werktuigkunde en in de liefde kan zijn!"
--"Voortreffelijk, dokter!" riep André, oprijzend. "Een Archimedes in
de liefde! Men moet dokter Ruardi heeten om aldus in drie woorden een
geheelen toestand te kunnen teekenen. Doch het wordt mijn tijd, en den
uwen mag ik niet langer ontrooven. Krijg ik voor de vrouw van mijne
keus uwe groeten mede?"
Een oogenblik scheen het, alsof André's moedwil Ruardi op nieuw zijne
tegenwoordigheid van geest zou doen verliezen. Doch hij herstelde zich
spoedig en antwoordde met zijne gewone minzaamheid:
--"Het zal mij zeer veel eer zijn, door u te worden aanbevolen in de
herinnering van jufvrouw Visscher."
Hij volgde André naar buiten en zag hem eene plaats kiezen op den top
der huiswaarts keerende omnibus. André groette hem met de hand en hij
beantwoordde dien groet op dezelfde wijze. Toen keerde hij zijnen
zegevierenden medeminnaar den rug toe en zeide binnensmonds:
--"Indien Dijk zichzelven gelijk blijft, zal vriend Kortenaers haan
den langsten tijd viktorie gekraaid hebben."