De besteller van het expeditie-kantoor had zijnen pligt kwalijk
betracht, of wel de chef van het bureau had aan verstrooidheid
geleden. Althans, eerst in den loop van den avond, toen zij van huis
was en met André eene wandeling in het Park deed, was het voor Emma
bestemde pakje aan haar adres bezorgd geworden.
--"Hier is een pakje voor de jufvrouw," had Floris gezegd, toen hij de
lampen was komen opsteken.
--"Van wien komt het?" had freule Bertha gevraagd.
--"Dat is er niet bij gezegd," had Floris geantwoord. "De man, die het
bezorgd heeft, is dezelfde die boodschappen pleegt te doen voor het
expeditie-kantoor."
--"Leg het dan maar neder op de jufvrouws plaats," had de freule
bevolen. "De jufvrouw kan elk oogenblik thuis komen."
Emma kwam, en vond de freule als naar gewoonte bij haar theeblad
zitten. Zij zou even naar hare kamer gaan, zeide zij, om zich van haar
wandelkostuum te ontdoen; dan kon zij verder rustig beneden blijven en
zou zij de freule iets voorlezen.
--"Doe dat, liefkind! Hoe meer gij mij mijne oude oogen helpt ontzien,
hoe grooter dienst gij mij bewijst. Floris heeft daareven een
kleinigheid voor u binnengebragt, die gij misschien zult willen
medenemen naar boven. Ik heb hem gezegd, dat hij het dingje op uwe
plaats zou deponeren. Ligt het daar niet?"
--"Waar?" vroeg Emma, die het pakje eerst niet opgemerkt had.
--"Voor u, op de tafel."
--"Hoe kan ik zoo onoplettend zijn! Gij bemerkt, freule, dat men jonge
oogen niet te spoedig prijzen moet."
--"Nu, nu, gij zult eene aanstaande bruid niet hard vallen, omdat zij
kleine distrakties heeft."
--"Staat dat in de Schrift, freule?" vroeg Emma lagchend.
--"Neen, jufvrouw ongeloof, de Schrift bezondigt zich niet aan zulke
zwakheden. Dat doen alleen oude vrouwen, die een te goed hart hebben
voor de jonge."
--"Mag ik dan even gaan? Binnen vijf minuten ziet gij mij weder hier."
Emma had dien avond aan André niets ongewoons bespeurd. Alleen toen
hij reeds afscheid van haar genomen had was haar ingevallen, dat het
hartelijker van hem geweest zou zijn, indien hij voor het minst eene
poging had aangewend om de wandeling nog een weinig te rekken. Doch
ook dat verzuim had haar niet bijzonder getroffen, omdat zij wist dat
hij altijd vol bezorgdheid was voor hare gezondheid en hij de
avondlucht bepaald schadelijk achtte voor haar gestel. Arm in arm
hadden zij tusschen de oude boomen en het jonge plantsoen
gedwaald,--van de kiosk, waar muziek gemaakt werd, naar den vijver, en
van de hertenkamp terug naar de kiosk. Buitengemeen vertrouwelijk of
teeder waren hunne gesprekken niet geweest; daartoe was het dien avond
in het Park niet eenzaam genoeg, en hadden zij te vaak zorg moeten
dragen, den groet van nieuwe M'sche bekenden met wedergroeten te
beantwoorden. Niettemin had het onderhoud geen oogenblik gekwijnd.
Zooveel de gelegenheid het toeliet en met zorgvuldig vermijden van
Lidewyde's naam (bij stilzwijgende overeenkomst was tusschen hen in de
laatste dagen geene spraak van Lidewyde geweest), hadden zij als van
ouds gekeuveld over tijd en toekomst. Toen de duisternis begon te
vallen, waren zij den stroom der huiswaarts keerende wandelaars
gevolgd en voor de deur van freule Bertha's woning had André, meteen
vriendelijk: "Tot morgen!", hare hand eerst zacht gedrukt en daarna
gekust.
--"Wat beteekent dat?... Van waar komt dat?... Wat zal nu volgen?...
Hoe zou hij het verloren,... wie zou het hem ontnomen,... aan wie zou
hij het gegeven hebben?... Ach, dat ik niet zien kan!... Floris,
Floris, breng licht!"
In de meening, dat het pakje afkomstig was uit een magazijn, waar zij
des ochtends eenige kleine emplettes had gedaan, had zij het
gedachteloos met zich medegenomen naar hare kamer; en reeds was zij op
het punt weder naar beneden te gaan en het aan freule Bertha gegeven
woord gestand te doen, toen zij zich herinnerde, niet eenmaal inzage
genomen te hebben van hetgeen de oude dame met zooveel trouwhartigheid
voor haar in ontvang genomen had. Zonder licht naar boven geloopen,
had zij, half op het gevoel, het pakje nedergelegd op hare
schrijftafel; doch de gaslantaarn op de straat brandde helder genoeg
om het haar weldra te doen terugvinden. Zij beproefde, of welligt de
hand van schrijver of schrijfster op het adres haar de herkomst van
het gezondene zou kunnen doen raden; want het pakje scheen van buiten
de stad te komen, of was althans anders en zorgvuldiger gesloten dan
met gewone, bezendingen uit winkels het geval pleegt te zijn. Doch het
schrift was te fijn, en zij onderscheidde alleen de aanvangletters van
haar eigen naam en voornaam. Eerst toen zij drie of vier malen haar
schaartje gebruikt, het bindgaren doorgeknipt en het eene papier voor,
het andere na verwijderd had, ontwaarde zij, dat die windselen alleen
hadden moeten dienen om haar zoo lang mogelijk naar een klein rond
voorwerp te doen zoeken, hetwelk nogmaals in een papier gewikkeld was.
Zij betastte het, en ofschoon zij nog niet wist wat het was, begon
haar hart eensklaps sneller te kloppen en bekroop haar een geheime
angst. Zij zou gezworen hebben, dat het voorwerp, hetwelk zij in de
hand hield, haar eenmaal in eigendom had toebehoord; dat zij het
honderd malen had aanschouwd; het jaren achtereen, aan een fijn zwart
koord bevestigd, om haren hals gedragen had. Doch hoe kon het
medaljon, hetwelk zij eenige dagen geleden aan André had geschonken,
en dat hij plegtig beloofd had, levenslang te zullen bewaren als een
onderpand van hare liefde, zich eensklaps in dit pakje bevinden?
Moedig verbande zij elke gedachte, welke op nieuw eene schaduw zou
hebben kunnen werpen op André's karakter; en zelfs toen zij met
bevende vingers het laatste papier, dat dunner en buigzamer was dan
een der vorige, opengevouwen had; met onbedriegelijke zekerheid haar
eigen geschenk herkende; als eene gejaagde het vertrek op en neder
liep, om licht roepend en in hare radeloosheid de middelen niet
vindend om het zich zelve te verschaffen,--zelfs toen geloofde zij nog
aan eene dier duizend gunstige mogelijkheden, wier naam zelfbedrog of
misverstand is.
Eindelijk vond zij op den schoorsteenmantel, achter eene candelabre,
het porseleinen doosje dat tot bergplaats voor de lucifers diende. Den
vorigen avond had zij het zelve daar nedergezet, en in elke andere
omstandigheid zou zij het onmiddelijk teruggevonden hebben. Doch met
het licht kwam wel de waarheid, maar niet de vrede. Aan de binnenzijde
toch van het glanzig blad, waarin vaardige vingeren waren aangevangen
het medaljon te vouwen, stonden in het Fransch eenige woorden
geschreven, die naauwlijks voor tweederlei uitlegging vatbaar schenen
te zijn. Reeds voor zij er in geslaagd was eene bougie te ontsteken,
had de gladheid en fijnheid van dat papier Emma's aandacht getrokken;
en meer nog dan zijne schitterend witte kleur of zijne satijnachtige
oppervlakte, de verveinegeur die het verspreidde. Zij bedroog zich
niet. Eau-de-verveine was Lidewyde's geliefkoosde parfumerie, en het
fraaije blad papier was afkomstig uit Lidewyde's buvard. Ook had
Lidewyde de moeite niet genomen, haar schrift, dat zeer elegant en
tegelijk zeer eigenaardig was, onkenbaar te maken. =Recueilli sur le
coeur= d'=un charmant infidèle=, luidden de fransche woorden, bestemd
om naar het medaljon te verwijzen; en die woorden waren geschreven met
dezelfde vaste en loopende hand als het briefje, waarin Lidewyde Emma
verzocht had, Belvedere voor eene wijl met Soekabrenti te verwisselen.
Emma bezat dat briefje nog. Het lag in hare schrijfportefeuille; en de
overeenkomst van het eene handschrift met het andere maakte elk verder
onderzoek overbodig. Ten overvloede prijkte Lidewyde's voorletter,
gevat in het schild van een gestempeld fantasiewapen, bovenaan links
op den brief zoowel, als op het nu ontvangen biljet.
Hoe overtuigend dit alles ook was, duurde het eene poos alvorens Emma
zich van het aan haar gepleegd verraad ten volle bewust werd. Welk
leed had zij ooit aan Lidewyde berokkend, dat Lidewyde haar aldus naar
het hart stak? Wat kon het Lidewyde schelen, hoe het André's bruid
verging, mits André haar toebehoorde?... Doch bij het doen dier
laatste vraag, waarin tot tweemalen toe den naam van André voorkwam,
overmeesterde haar op nieuw het gevoel der doodelijke zekerheid.
Lidewyde moest zelve weten hoe zij haar gedrag verantwoorden kon. Zij,
Emma, was daarvoor niet aansprakelijk. Van zulke vrouwen en zulke
hartstogten kon zij zich geene voorstelling vormen. Doch hoe kwam
Lidewyde in het bezit van André's medaljon? Emma kon niet gelooven dat
hij het haar geschonken zou hebben. Het lag niet in zijnen aard,
meende zij, opzettelijk trouweloos te zijn; en daarin oordeelde zij
juist. Doch wat lag dan wèl in zijnen aard? Nog den vorigen dag had
hij haar verhaald, welken hoogen prijs hij stelde op het hem dien
zekeren ochtend door haar geschonken verzoeningsteeken; hoe weldadig
het hem had aangedaan, aldus door haar bejegend te zijn; dat zij de
teederste en de edelmoedigste van alle bruiden was, en hij haar
medaljon nacht en dag op zijne borst droeg. En zij, toen hij haar
edelmoedig genoemd en daardoor zijdelings bekend had, dat door hem
aanleiding was gegeven tot het gerezen misverstand, zij had niet voor
hem willen onderdoen in openhartigheid, maar had het geheim der aan
zijn oog onttrokken teekening,--met welk een ijver en welk eene
droefheid zij had zitten arbeiden aan hare aquarel; hoe zij daarbij
gestadig aan hem gedacht, en welke noodlottige voorstellingen hare
fantasie aan de donkerroode kleur der al de andere rozen
overschaduwende François Premier verbonden had,--eerlijk opgebiecht.
Was er dan wel een naam te vinden voor André's gedrag? Slechts op ééne
wijze was het medaljon uit zijn bezit in dat van Lidewyde kunnen
overgaan, en wanneer Emma bedacht, wat daartoe noodig was geweest,
verkreeg de eerste indruk weder de bovenhand en ontsnapte haar op
nieuw de kreet waarmede zij Lidewyde's briefje van zich af- en op den
grond geworpen had: "Afschuwelijk!"
Zij was te lang boven gebleven om geheel en al zonder
verontschuldiging in de tegenwoordigheid van freule Bertha te kunnen
verschijnen; doch indien zij slechts eenmaal beneden was, meende zij,
zou haar wel het een of ander invallen tot verklaring van haar gedrag.
Intusschen was het in den gang, dien zij volgen moest om den trap te
bereiken, geheel en al duister geworden; en ten einde niet te
struikelen, of zich niet aan de ouderwetsche gebeeldhouwde linnenkast
te stooten, wier vooruitspringende voet schier de helft van het
portaal besloeg, nam zij den kandelaar mede, bij wiens schijnsel zij
Lidewyde's schrift ontcijferd had. Bij het afgaan van den trap viel,
door het wankelen van haren tred, een groote droppel was op de
bovenzijde van hare hand; doch zij bemerkte dit eerst, toen het heete
vocht reeds gestolten en strak geworden was.
Hoe zwak freule Bertha's oogen bij avond ook waren, zij bespeurde
weldra aan Emma's voorkomen, en begreep uit het onwaarschijnlijke der
door haar aangevoerde redenen, dat haar iets ongewoons en onaangenaams
was wedervaren. Zoo lang evenwel Emma haar daaromtrent geene
opheldering gaf, meende zij den schijn te moeten aannemen, alsof zij
zonder bevreemding de aangekondigde vijf minuten zich had zien
verlengen tot een uur. Om te toonen hoe gevoelig zij voor die
bescheidenheid was, nam Emma het boek ter hand, waaruit zij beloofd
had, de freule te zullen voorlezen. De eerste bladzijde ging goed, de
tweede dragelijk. Doch van lieverlede werd hare stem onvaster, en toen
zij de derde bladzijde nog ten einde brengen moest, snikte zij zoo
luid en zoo hartstogtelijk, dat hare hoorderes de schepen der
diskretie moedig in brand stak.
--"Kom hier, lief kind," zeide freule Bertha, de armen naar haar
uitbreidend, "kom hier en zeg mij wat u kwelt."
Alles kon Emma de oude dame niet mededeelen; ten minste niet op
eenmaal. En dat wilde zij ook niet. Er viel, ten bate van André, een
wanhopige schijn te bewaren, en aan die verpligting mogt niet te kort
gedaan worden. Doch wat het ongelukkige meisje ook achterhield en de
brave freule ook raden moest,--toen zij elkander "goeden nacht"
kusten, geloofde geen van beiden dat die wensch in vervulling zou
gaan. Wakker liggen; de trage uren tellen; zich nu het een dan het
ander in het hoofd halen; het gelaat in de kussens verbergen met het
stellige voornemen om te gaan slapen; geene minuut later weder
overeind zitten om nogmaals en vruchteloos een nieuw antwoord op de
oude vragen te zoeken; het aanbreken van den dag verbeiden, en
nogtans weten, dat ook het rijzend licht niet in staat zal zijn de
benaauwde schaduwen te verdrijven,--zoo zal het wezen, dacht de vrouw
van leeftijd; daarop zal het nederkomen, voorspelde zich het jonge
meisje. En met een hart vol zorgen,--vlijmende zorgen, waarmede hier
beneden alleen de vriendschap en de liefde teisteren,--begaven beiden
zich naar hare slaapkamers.
Sommige nachten zijn zoo droog als de =Noctes Haganae= van onverschillig
welken rector der latijnsche scholen in het 's Gravenhage der 18de
eeuw; andere zoo amusant als de =Florentinische= van dokter Ruardi's
lievelingsauteur. Doch zoo min in het leven als in de litteratuur is
alles òf grappig òf vervelend. In beiden doet ook de weemoed zijne
regten gelden; en het is voor de bedroefden,--voor hen en voor haar
die in Emma's geval verkeeren, toen zelfs de ten hemel geslagen blik
van het =Ecce Home=-beeld, waarop in het fantastisch uur haar slapeloos
oog zich vestigde, geen antwoord gaf op de vraag, waarom André haar
bedrogen had,--voor haar en voor hen is het, dat Musset in eene zijner
=Nuits= die strofe vol zuchten en tranen gedicht heeft:
Partout où j'ai voulu dormir,
Partout où j'ai voulu mourir,
Partout où j'ai touché la terre,
Sur ma route est venu s'asseoir
Un malheureux vêtu de noir
Qui me regardait comme un frère.
Dat lied der eenzaamheid, Emma zou het dien nacht gezongen hebben,
indien elke andere aandrift voor haar op dat oogenblik niet
natuurlijker geweest dan die tot zingen. Zij dacht aan niets als aan
hare laatste wandeling met André in het Park. Wie haar toen had willen
diets maken dat de man, in wiens arm de hare rustte, weinige uren
later door eene andere vrouw zou worden verwelkomd,--zij had hem een
lasteraar genoemd. Ware de onbescheidene zelfzuchtig genoeg geweest,
door het aanvoeren van bewijzen zich te willen zuiveren van die
blaam,--de minste menschen kunnen het denkbeeld verdragen, voor
logenaars te worden aangezien, en wanneer zij kiezen moeten tusschen
hunne eigene rechtvaardiging en uwe smart vergeten zij ligt de
voorschriften der edelmoedigheid,--niet-alleen zou zij uit kieschheid
geweigerd hebben toe te luisteren, maar de aantijging zou bij haar
zijn afgestuit op een stalen ongeloof. Hoe jammerlijk was haar
vertrouwen beschaamd geworden! Hetgeen toen monsterachtig zou geluid
hebben, was nu eene werkelijkheid. Zij waakte, zij schreide, zij bad,
zij bracht de handen aan hare slapen om niet waanzinnig te worden van
verdriet,--terwijl Lidewyde's vingeren met de lokken van haren
bruidegom speelden.