Hoewel Adriaan Dijk voorwaar geen genie was, zou men hem ten onregte
voor een lafaard gehouden hebben, en wie hem in de eenzaamheid had
kunnen gadeslaan, toen hij, uit de stad gekomen, Ruardi's briefje vond
en zich daarmede naar zijne kamer begaf, zou getroffen zijn geweest
door de uitdrukking van vastberadenheid, welke zich eensklaps over
zijne gelaatstrekken verspreidde. Eerst stapte hij, met de armen over
de borst gekruist, eenige malen het vertrek op en neder, opende toen
zijn bureau, waarvan de cylinder naar achteren week, wanneer men het
blad bij den knop vatte en naar zich toe trok, en zette zich toen met
het hoofd in de hand, blijkbaar zonder eenig voornemen om thans
schrijf- of ander werk te verrigten, peinzend neder in zijn ronden
stoel.
--"Gij zijt ijdel," zou de wereld hem hebben kunnen toevoegen, en tot
staving van dat verwijt had zij zegevierend kunnen wijzen op zijn
hunkeren naar een mandaat waarvoor hij niet berekend was. "Gij zijt
dom," kon zij vervolgen, en onder vier oogen zou Lefebvre het haar uit
den grond zijns harten hebben nagezegd. "Gij zijt veel te goed van
vertrouwen," kon zij er bijvoegen, en indien Jakob of Sarah uit de
school hadden willen klappen, zouden zij hem van de waarheid dier
stelling op eene voor zijn gevoel uiterst pijnlijke wijze hebben
kunnen overtuigen. Doch juist Ruardi was de man, die hem van elke
opkomende achterdocht ten aanzien van Lidewyde telkens genezen had;
zoodat zijne eenige fout, in zake van ligtgeloovigheid, hierin
bestond, dat hij Ruardi's vriendschap voor eene uitgemaakte zaak
hield. Zal men weigeren te erkennen dat die dwaling hem tot eer
verstrekte, ook al was hij overigens die hij was? Schranderder lieden
dan hij, lieden van wie elk erkent dat hunne handelingen te geener
tijd door vaniteit bestuurd werden, zijn dwaas genoeg geweest om ten
einde toe aan de goede trouw van sommige personen te gelooven; en het
moet nog uitgemaakt worden, of het beter is, alle menschen zonder
onderscheid te verdenken, dan enkelen hunner als het uitgedrukt beeld
der welwillendheid aan te merken.
Er rustte op Dijks huwelijksleven een dier sluijers, welke alleen door
de dienstboden van Jakobs soort plegen opgeligt te worden. Lidewyde
had hem indertijd hare hand geschonken,--ja waarom? omdat zij eene
natuurlijke dochter was. Op een leeftijd dat andere jonge meisjes nog
naauwelijks de kinderschoenen ontwassen zijn, had het besef van dien
toestand haar reeds naar een huwelijk doen verlangen. Zij wilde
levenslang aan iemand toebehooren; een eigen naam dragen, gelijk alle
andere menschen in haren kring; een eigen huis en eene eigen omgeving
bezitten. Die wensch verdrong bij haar destijds al het overige; en
toen zij op achttien- of negentienjarigen leeftijd aan Adriaan Dijk
verbonden werd, was haar geduld, meende zij, reeds op de uiterste
proef gesteld geworden. Wat hem betreft, hare ongemeene, uitheemsche
schoonheid had hem eene wijl betooverd, en daarbij was het vragen van
hare hand in zijne oogen eene daad van courtoisie, bijna eene
heldendaad geweest. Zijne moeder, tegen wie hij van jongs af zeer had
opgezien, wier afkeuring hij nog nooit getrotseerd had, was eerst te
elfder ure tot berusten gekomen, en het had hem vrij wat moeite
gekost, haar eene vondeling, gelijk zij Lidewyde noemde, als
schoondochter te doen erkennen. Doch de vreugde over die zegepraal was
slechts van korten duur geweest. Geene drie maanden na zijn huwelijk
was tusschen Lidewyde en hem eene onoverkomelijke verwijdering
ontstaan; eene dier scheidingen, welke voor het oog der wereld
verborgen kunnen blijven, omdat zij haren oorsprong nemen in eene door
haar zelve ten toon gedragen koelheid. Weldra zou het zes jaren worden
dat Adriaan en Lidewyde voor elkander niets anders geweest waren als
twee personen, die in hetzelfde hôtel, ten onregte hun huis genoemd,
verschillende appartementen bewoonden.
Het was heden geenszins voor de eerste maal in dat half dozijn jaren
dat Adriaan nadacht over hetgeen hij doen zou, indien Lidewyde hem te
eeniger tijd openlijk ontrouw werd. In bijzonderheden, wel is waar,
had hij daaromtrent nooit iets kunnen vaststellen, omdat de te nemen
wraak of de te eischen voldoening zich natuurlijkerwijze zouden moeten
regelen naar de omstandigheden, waaronder de beleediging zou plaats
hebben. Doch indien hij met zijne wenschen te rade ging, wist hij met
genoegzame zekerheid op welke soort van strafoefening, al zou de
wereld daarvan dan ook schande spreken, zijne keus zich vestigen zou,
en zelfs zou hij de wapenen hebben kunnen noemen en aanwijzen, waarvan
hij zich bij die gelegenheid liefst zou bedienen. In het eerste jaar
van zijn huwelijk had hij een gitzwarten Newfoundlander bezeten, aan
wien hij om zijne vrolijkheid en hartelijkheid bijzonder gehecht was,
en wiens doodvonnis (het dier was sporen van dolheid gaan vertoonen,
of was althans eensklaps niet langer te vertrouwen geweest) hij met
een verdeeld gemoed onderteekend had. Eerst had hij Marcelis last
gegeven, den hond buiten zijne voorkennis te doen afmaken; doch
naarmate het oogenblik naderde, waarop hij berekenen kon dat zijn
bevel ten uitvoer zou worden gelegd, was de vrees hem gaan bekruipen,
dat men het dier meer zou doen lijden dan volstrekt noodig was. Ten
slotte was hij naar de stad gereden, had bij een geweermaker den
moorddadigsten revolver gekocht, die in 's mans magazijn te vinden
was, en had met eigen hand den armen Moor, die roerloos en met
bloedroode oogen op eene binnenplaats aan zijne ketting lag, door den
kop geschoten. Sedert dien tijd rustte dat wapen achter de kleine
kunstig gesloten deur onder den cylinder van zijn bureau, en slechts
enkele malen haalde hij het voor den dag, ten einde het te reinigen en
in bruikbaren staat te houden. Naast den revolver lag de korte zweep
met den langen en zwaren slag van gevlochten leder, dien hij gewoon
was geweest bij zich te steken, wanneer hij met Moor eene verre
wandeling ging doen. Niet dat de hond veelvuldig behoefde gekastijd te
worden; maar hij was te gelijk een zwemmersbaas en een aartsvijand van
wolvee, en indien men onderweg geen ongenoegen krijgen wilde met
herders of boeren, was het somtijds zaak hem tot zijnen pligt te
roepen. Zoo verleidelijk evenwel konden de ontstelde schapen met hunne
dikke lijven en hunne korte pooten niet voor hem uitrennen; zoo
breed kon de molenvliet niet zijn, die hij moest overzwemmen om
zijnen meester weder in te halen, of op het eerste geluid van
Adriaans zweepslag keerde Moor, druipend en hijgend, op zijne
zevenmijlssprongen terug.
De vraag of er eene bijzondere predispositie noodig is om te eeniger
tijd een doodslager of een beul te worden, dan wel of de aanleg
daartoe, zonder onderscheid van individuen, bij alle menschen als kiem
wordt aangetroffen, is welligt niet meer dan eene thesis voor de eene
of andere debating-club. Predikers der godsdienst hebben herhaaldelijk
in den loop der eeuwen het laatste alternatief tot het onderwerp van
roerende toespraken gemaakt; het eerste is door moralisten van de
physiologische school meermalen als ruim zoo waarschijnlijk
voorgesteld. Doch zoo min die zede-als die godsdienstleeraars zouden
in staat zijn geweest Adriaan Dijk de bekentenis te ontlokken, dat,
indien een man hem zijne eer ontroofde en zijne vrouw aan dien roof
medepligtig was, hij het regt niet hebben zou, Lidewyde voor dat
misdrijf te tuchtigen en haren minnaar te dwingen, zich met eigen hand
het leven te benemen. Op dat punt koesterde hij eene vastheid van
overtuiging, waarvan men beweren kon dat zij aan zinsverbijstering
grensde, doch tevens erkennen moest, dat zij de onbeduidendheid van
zijn persoon tot op zekere hoogte neutraliseerde. Het eene wapen om
hem te vernietigen, het andere om =haar= te vernederen: van die
opvatting was hij niet af te brengen. Dat stond geschreven, meende
hij. En aan de regtmatigheid van dat inzigt geloofde hij met dezelfde
onverzettelijkheid als een Arabier gelooft dat God groot en Mohammed
zijn profeet is.