VIJFDE HOOFDSTUK.

Hoewel Adriaan Dijk voorwaar geen genie was, zou men hem ten onregte

voor een lafaard gehouden hebben, en wie hem in de eenzaamheid had

kunnen gadeslaan, toen hij, uit de stad gekomen, Ruardi's briefje vond

en zich daarmede naar zijne kamer begaf, zou getroffen zijn geweest

door de uitdrukking van vastberadenheid, welke zich eensklaps over

zijne gelaatstrekken verspreidde. Eerst stapte hij, met de armen over

de borst gekruist, eenige malen het vertrek op en neder, opende toen

zijn bureau, waarvan de cylinder naar achteren week, wanneer men het

blad bij den knop vatte en naar zich toe trok, en zette zich toen met

het hoofd in de hand, blijkbaar zonder eenig voornemen om thans

schrijf- of ander werk te verrigten, peinzend neder in zijn ronden

stoel.

--"Gij zijt ijdel," zou de wereld hem hebben kunnen toevoegen, en tot

staving van dat verwijt had zij zegevierend kunnen wijzen op zijn

hunkeren naar een mandaat waarvoor hij niet berekend was. "Gij zijt

dom," kon zij vervolgen, en onder vier oogen zou Lefebvre het haar uit

den grond zijns harten hebben nagezegd. "Gij zijt veel te goed van

vertrouwen," kon zij er bijvoegen, en indien Jakob of Sarah uit de

school hadden willen klappen, zouden zij hem van de waarheid dier

stelling op eene voor zijn gevoel uiterst pijnlijke wijze hebben

kunnen overtuigen. Doch juist Ruardi was de man, die hem van elke

opkomende achterdocht ten aanzien van Lidewyde telkens genezen had;

zoodat zijne eenige fout, in zake van ligtgeloovigheid, hierin

bestond, dat hij Ruardi's vriendschap voor eene uitgemaakte zaak

hield. Zal men weigeren te erkennen dat die dwaling hem tot eer

verstrekte, ook al was hij overigens die hij was? Schranderder lieden

dan hij, lieden van wie elk erkent dat hunne handelingen te geener

tijd door vaniteit bestuurd werden, zijn dwaas genoeg geweest om ten

einde toe aan de goede trouw van sommige personen te gelooven; en het

moet nog uitgemaakt worden, of het beter is, alle menschen zonder

onderscheid te verdenken, dan enkelen hunner als het uitgedrukt beeld

der welwillendheid aan te merken.

Er rustte op Dijks huwelijksleven een dier sluijers, welke alleen door

de dienstboden van Jakobs soort plegen opgeligt te worden. Lidewyde

had hem indertijd hare hand geschonken,--ja waarom? omdat zij eene

natuurlijke dochter was. Op een leeftijd dat andere jonge meisjes nog

naauwelijks de kinderschoenen ontwassen zijn, had het besef van dien

toestand haar reeds naar een huwelijk doen verlangen. Zij wilde

levenslang aan iemand toebehooren; een eigen naam dragen, gelijk alle

andere menschen in haren kring; een eigen huis en eene eigen omgeving

bezitten. Die wensch verdrong bij haar destijds al het overige; en

toen zij op achttien- of negentienjarigen leeftijd aan Adriaan Dijk

verbonden werd, was haar geduld, meende zij, reeds op de uiterste

proef gesteld geworden. Wat hem betreft, hare ongemeene, uitheemsche

schoonheid had hem eene wijl betooverd, en daarbij was het vragen van

hare hand in zijne oogen eene daad van courtoisie, bijna eene

heldendaad geweest. Zijne moeder, tegen wie hij van jongs af zeer had

opgezien, wier afkeuring hij nog nooit getrotseerd had, was eerst te

elfder ure tot berusten gekomen, en het had hem vrij wat moeite

gekost, haar eene vondeling, gelijk zij Lidewyde noemde, als

schoondochter te doen erkennen. Doch de vreugde over die zegepraal was

slechts van korten duur geweest. Geene drie maanden na zijn huwelijk

was tusschen Lidewyde en hem eene onoverkomelijke verwijdering

ontstaan; eene dier scheidingen, welke voor het oog der wereld

verborgen kunnen blijven, omdat zij haren oorsprong nemen in eene door

haar zelve ten toon gedragen koelheid. Weldra zou het zes jaren worden

dat Adriaan en Lidewyde voor elkander niets anders geweest waren als

twee personen, die in hetzelfde hôtel, ten onregte hun huis genoemd,

verschillende appartementen bewoonden.

Het was heden geenszins voor de eerste maal in dat half dozijn jaren

dat Adriaan nadacht over hetgeen hij doen zou, indien Lidewyde hem te

eeniger tijd openlijk ontrouw werd. In bijzonderheden, wel is waar,

had hij daaromtrent nooit iets kunnen vaststellen, omdat de te nemen

wraak of de te eischen voldoening zich natuurlijkerwijze zouden moeten

regelen naar de omstandigheden, waaronder de beleediging zou plaats

hebben. Doch indien hij met zijne wenschen te rade ging, wist hij met

genoegzame zekerheid op welke soort van strafoefening, al zou de

wereld daarvan dan ook schande spreken, zijne keus zich vestigen zou,

en zelfs zou hij de wapenen hebben kunnen noemen en aanwijzen, waarvan

hij zich bij die gelegenheid liefst zou bedienen. In het eerste jaar

van zijn huwelijk had hij een gitzwarten Newfoundlander bezeten, aan

wien hij om zijne vrolijkheid en hartelijkheid bijzonder gehecht was,

en wiens doodvonnis (het dier was sporen van dolheid gaan vertoonen,

of was althans eensklaps niet langer te vertrouwen geweest) hij met

een verdeeld gemoed onderteekend had. Eerst had hij Marcelis last

gegeven, den hond buiten zijne voorkennis te doen afmaken; doch

naarmate het oogenblik naderde, waarop hij berekenen kon dat zijn

bevel ten uitvoer zou worden gelegd, was de vrees hem gaan bekruipen,

dat men het dier meer zou doen lijden dan volstrekt noodig was. Ten

slotte was hij naar de stad gereden, had bij een geweermaker den

moorddadigsten revolver gekocht, die in 's mans magazijn te vinden

was, en had met eigen hand den armen Moor, die roerloos en met

bloedroode oogen op eene binnenplaats aan zijne ketting lag, door den

kop geschoten. Sedert dien tijd rustte dat wapen achter de kleine

kunstig gesloten deur onder den cylinder van zijn bureau, en slechts

enkele malen haalde hij het voor den dag, ten einde het te reinigen en

in bruikbaren staat te houden. Naast den revolver lag de korte zweep

met den langen en zwaren slag van gevlochten leder, dien hij gewoon

was geweest bij zich te steken, wanneer hij met Moor eene verre

wandeling ging doen. Niet dat de hond veelvuldig behoefde gekastijd te

worden; maar hij was te gelijk een zwemmersbaas en een aartsvijand van

wolvee, en indien men onderweg geen ongenoegen krijgen wilde met

herders of boeren, was het somtijds zaak hem tot zijnen pligt te

roepen. Zoo verleidelijk evenwel konden de ontstelde schapen met hunne

dikke lijven en hunne korte pooten niet voor hem uitrennen; zoo

breed kon de molenvliet niet zijn, die hij moest overzwemmen om

zijnen meester weder in te halen, of op het eerste geluid van

Adriaans zweepslag keerde Moor, druipend en hijgend, op zijne

zevenmijlssprongen terug.

De vraag of er eene bijzondere predispositie noodig is om te eeniger

tijd een doodslager of een beul te worden, dan wel of de aanleg

daartoe, zonder onderscheid van individuen, bij alle menschen als kiem

wordt aangetroffen, is welligt niet meer dan eene thesis voor de eene

of andere debating-club. Predikers der godsdienst hebben herhaaldelijk

in den loop der eeuwen het laatste alternatief tot het onderwerp van

roerende toespraken gemaakt; het eerste is door moralisten van de

physiologische school meermalen als ruim zoo waarschijnlijk

voorgesteld. Doch zoo min die zede-als die godsdienstleeraars zouden

in staat zijn geweest Adriaan Dijk de bekentenis te ontlokken, dat,

indien een man hem zijne eer ontroofde en zijne vrouw aan dien roof

medepligtig was, hij het regt niet hebben zou, Lidewyde voor dat

misdrijf te tuchtigen en haren minnaar te dwingen, zich met eigen hand

het leven te benemen. Op dat punt koesterde hij eene vastheid van

overtuiging, waarvan men beweren kon dat zij aan zinsverbijstering

grensde, doch tevens erkennen moest, dat zij de onbeduidendheid van

zijn persoon tot op zekere hoogte neutraliseerde. Het eene wapen om

hem te vernietigen, het andere om =haar= te vernederen: van die

opvatting was hij niet af te brengen. Dat stond geschreven, meende

hij. En aan de regtmatigheid van dat inzigt geloofde hij met dezelfde

onverzettelijkheid als een Arabier gelooft dat God groot en Mohammed

zijn profeet is.

Lidewyde · 第 50 / 60 题