Even buiten de poort, op den weg die van de stad naar Soekabrenti
voerde, verschool zich tusschen het geboomte een bierhuis van den
tweeden rang, in welks gelagkamer het zondagsavonds na kerktijd, en
somtijds tot laat in den nacht, druk genoeg kon toegaan. In de
dienstbodenwereld te M. was dit uitspanningsoord algemeen bekend onder
den naam van het Fonteintje, en naarmate men tot diegenen behoorde
welke aan de danspartijen in dit lokaal al dan niet deel namen, werd
men naar de uitspraak dezer jury òf tot de klasse der femelaars
gerekend, òf tot de talrijker en verlichter schaar van hen, die van
oordeel zijn, dat de mensch aanspraak heeft op eene betamelijke mate
van levensgenot. Het was zoo weinig eene kerk, en gold tegelijk zoo
weinig voor een =mauvais lieu=, dat onlangs eene meerderjarige M'sche
keukenmaagd van goede zeden, toen hare jeugdiger kameraad zich eene
wijsneuzige aanmerking veroorloofde, het regt meende te hebben haar
toe te voegen: "Hou je mond, kleuter, je hebt van je leven nog niet in
het Fonteintje gedanst!"
In dezen tempel der maatschappelijke mondigheid was het dat Jakob, de
huisknecht van dokter Ruardi, weinige dagen na de gebeurtenissen uit
hooger sfeer waarvan in de voorgaande hoofdstukken gewag gemaakt is,
des ochtends tusschen elven en twaalven eene hartsterking kwam
gebruiken. Hij moest voor den dokter eene boodschap doen op
Soekabrenti, en zou het eene daad van onnatuurlijke zelfverloochening
geacht hebben, hier in het voorbijgaan niet even zijn anker neder te
werpen en aan de toonbank een morgenpraatje te houden met zijne
vriendin, de buffetjufvrouw. Hij beroemde er zich op, die jufvrouw te
kennen van "haver tot gort"; hetgeen in zijnen mond beteekende, dat
zij tot den kring der populaire Hebe's behoorde, die somtijds door hem
met kleine geschenken werden vereerd, en van wie hij getuigen kon dat
ondankbaarheid hare hoofdzonde niet was.
--"Wel nu nog fraaijer, mijnheer Jakob," zeide de buffetjufvrouw, in
de eenzame gelagkamer bezig de groote glazen met tinnen deksels te
reinigen, die in den loop van den dag herhaaldelijk gevuld en door de
bezoekers van het etablissement herhaaldelijk geledigd zouden
worden,--"zoo vroeg al op het pad? En nu zeggen de menschen nog, dat
er geene witte raven bestaan!"
--"Geen kompliment dat gij mijn krullebol maakt, jufvrouw Bella!"
antwoordde Jakob, zijn gegalonneerden hoed even optillend, ten einde
haar eene vrijen blik op zijne kortgeknipte en gitzwarte borstels te
gunnen. "Maar zwarte raaf of witte raaf, het staat u niet fraai, mij
bij een roofvogel te vergelijken."
--"Gij zoudt toch niet willen, dat ik u bij een struisvogel vergeleek,
mijnheer Jakob?"
--"Om den dood niet, jufvrouw Bella! Neen, indien ik volstrekt een
vogel moet verbeelden... Mag ik u iets influisteren?" En voor zij nog
wist of zij zijn verzoek zou toestaan of weigeren, had hij over de
toonbank heen zijne holle hand aan haar oor gebragt en lispelde hij:
"Ik ben het met Linnaeus eens, dat er geen beesten bestaan, die meer
van kippen houden dan een haan."
--"Foei, mijnheer Jakob, gij moest u schamen," zeide de
buffetjufvrouw, die de verzen van den Schoolmeester niet kende. "Een
getrouwd man!" En zij bloosde wel, maar glimlachte toch.
--"Ik zou er u nog meer van kunnen vertellen," zeide Jakob. "Luister
eens."
--"Dank u, genoeg is meer dan veel. Spaar mijne ooren, wat ik u
verzoeken mag."
--"Uwe ooren, jufvrouw Bella, loopen niet het minste gevaar. Wat zegt
de Schrift? Niet hetgeen door den mond ingaat verontreinigt den
mensch, maar de booze gedachten, die opwellen uit zijn hart.
Welnu..."
--"Zwijg, goddelooze spotter! Gij weet wel, dat zulke aardigheden mij
niet aanstaan. Ik zou bijna gaan denken, dat het Fonteintje uwe eerste
aanlegplaats van dezen ochtend niet was. Zijt gij den geheelen nacht
weder aan het zwieren geweest?"
--"Toch niet, jufvrouw Bella; mijne positie is volkomen normaal. Met
de kippetjes naar bed en 's morgens weer 't eerst op de baan, is eene
vaste gewoonte bij den haan."
--"Gij wordt eentoonig, mijnheer Jakob," zeide het meisje, met eene
poging om strak te zien. "Wat zult gij gebruiken? Een glas Kitzinger,
of een glas Amsterdamsch?"
--"Geen van beiden, jufvrouw Bella. Voor apoplektische gestellen als
het mijne, is beijersch bier geen gezonde drank. Het blaast op, het
echauffeert, het bevordert de korpulentie. De dokter heeft mij het
Banting-systeem voorgeschreven, en daar bevind ik mij uitmuntend bij."
--"Is dat een systeem van laffe rijmpjes maken, mijnheer Jakob?"
--"Rijmpjes? En ik onthaal u op het werk van een der grootste
dichters, die Nederland ooit voortgebragt heeft! Gij leest geen
kranten? Nu, zoo lang de Pruissen of de Franschen ons niet zullen
ingepalmd hebben, zoolang zullen de Hollanders hunnen Schoolmeester in
eere houden."
--"Zeg mij liever wat gij gebruiken zult, mijnheer Jakob. Van al die
wijze praat begrijp ik niets."
--"Ik volg het Banting-systeem, heb ik u gezegd, jufvrouw Bella, en
geef boven alles de voorkeur aan een morgenslokje uit het kommetje
onder mijn stokje."
--"Bedoelt gij dit?" vroeg de jufvrouw, naar eene karaf jenever op
schillen wijzend. "Of zijt gij weder in de war met uw schoolmeester?"
--"Gij raadt mijne geheimste gedachten, jufvrouw Bella. Werkelijk
strekt mijne begeerte zich uit naar een glaasje citroen met suiker,
buiten onder de verandah, als ik u verzoeken mag... Gij zijt immers
niet boos op mij, jufvrouw Bella?"
--"Volstrekt niet, mijnheer Jakob. Mijne liefste gasten zijn zij, die
zich eene plaats onder de verandah kiezen. Dan heb ik vrede in het
buffet."
Hij trad naar buiten en zette zich neder op de groen geschilderde bank
achter een der groen geschilderde tafeltjes, waarmede het voorplein
der herberg gestoffeerd was. Jufvrouw Bella volgde hem, met een
blaadje in de eene en een tot den rand gevuld glaasje in de andere
hand.
--"Ik kan er immers op aan, dat gij niet boos op mij zijt?" vroeg hij,
eene beweging makend alsof hij den arm om haar middel wilde slaan.
--"Ik zou het kunnen worden," antwoordde zij, onder het nederzetten
van het kelkje. "Raak mij niet aan, wat ik u bidden mag!"
--"Ik zou u onbeleefd noemen, jufvrouw Bella, wist ik niet van nabij,
dat uw hart voor zachter aandoeningen vatbaar is dan het nu openbaart.
Jufvrouw Bella! jufvrouw Bella!" riep hij haar achterna.
Zij was de gelagkamer weder binnengewipt en stond hem te woord over de
onderdeur.
--"Mijnheer Jakob, gij zijt een mooiprater. Is dat nu taal voor een
gewoon mensch?"
--"Zoo praat men op het tooneel, jufvrouw Bella, en zoo behoort het.
Wilt gij mij de eer doen voor morgen-avond een vrijkaartje van mij aan
te nemen? Dan zal ik u de Schoone Helena laten zien."
--"Dank u hartelijk, mijnheer Jakob! ik moet te vroeg bij de hand
zijn, om tot 's nachts twaalf uur in de komedie te zitten."
--"Reden te meer, ook voor u, jufvrouw Bella, om met de kippetjes..."
Doch toen hij weder van zijne kippetjes begon, was jufvrouw Bella
eensklaps verdwenen.
--"Ik heb mij versproken, naar het schijnt," mompelde hij, legde het
eene been over het andere, stak een sigaar op en savoureerde in de
eenzaamheid zijn goudgeel borreltje.
Er scheelde intusschen veel aan, dat Jakob dezen ochtend werkelijk zoo
vrolijk gestemd zou zijn geweest als men uit den luchthartigen toon
van zijn onderhoud met het buffetmeisje mogt afleiden. Briefjes voor
mevrouw Dijk waren zoo menigmaal aan zijne diskretie toevertrouwd
geworden, en hij had zich te allen tijde met zoo goeden uitslag van de
taak der overbrenging gekweten, dat zijn tegenwoordige gang naar
Soekabrenti hem niet de geringste kwelling zou veroorzaakt hebben,
indien eene soortgelijke boodschap ook ditmaal het doel van zijnen
togt geweest was. Doch dit was het geval niet. Het biljet, hetwelk hij
in de borstzak van zijn blaauwen rok met verzilverde knoopen bij zich
droeg, was niet aan mevrouw Lidewyde, maar aan mijnheer Adriaan
geadresseerd. Hij wist dat de dokter het geschreven had naar
aanleiding van eene exceptioneel onstuimige konversatie, den vorigen
avond te zijnen huize met Sarah gevoerd; en wanneer hij de opgevangen
fragmenten van dien twist in verband bragt met hetgeen hem reeds
sedert lang bekend was, kon hij met die bouwstoffen eene geschiedenis
zamenstellen, geschikter dan eenige andere om den dokter te
exaspereren. Misschien zou het natuurlijker of althans gewoner zijn
geweest, indien hij zich in zijne kwaliteit van knecht over de
déconfiture van zijnen heer in stilte verheugd had, denkend: boontje
komt om zijn loontje, groote dieven worden te zelden gehangen, en het
is niet meer dan billijk, dat wie zoovele anderen vernederd heeft,
eindelijk ook zelf aan de deur wordt gezet. Doch niet-alleen was
Jakobs inborst zoo niet, maar het streed ook met zijn belang, dat zijn
meester zich brouilleerde met mevrouw Dijk. 's Dokters relatie met die
dame was in den loop des tijds voor hem de bron geworden van een
overvloediger _casuel_ dan waarop menig dorpspastoor in Frankrijk of
Oostenrijk voor het drijven van zijne huishouding en het onthalen van
zijne superieuren rekenen kan; en van lieverlede was hij die
buitengewone belooning zijner schranderheid en bescheidenheid als een
vast inkomen gaan beschouwen. En wat zou nu gebeuren? Wanneer het
Italiaansche bloed in 's dokters aderen eenmaal aan het gisten ging,
deinsde hij voor niets terug, ook niet voor handelingen, die menigeen
wreedaardig en verraderlijk genoemd zou hebben. Evenmin kon men weten,
wat mijnheer Dijk zou aanvangen, wanneer iemand van dokter Ruardi's
talent hem inzage van de boeken gaf. Mijnheer Dijk had geheel en al
het voorkomen van een goedaardig man; en dat hij zich gedurende zoo
langen tijd met open oogen had laten bedriegen door zijne vrouw en den
dokter, was zeker geen bewijs van opvliegendheid; "doch ook mijn eigen
vader ging door voor een sukkel," dacht Jakob, "hetgeen niet wegneemt
dat hij mij somtijds bont en blaauw geranseld heeft." In dat briefje
zelf zou nu wel niets staan, waar dadelijk gevaar bij was, maar het
kon een begin zijn van eene door den dokter beraamde wraakoefening; en
wanneer dat potje eenmaal te vuur stond, zou de dokter wel zorgen, dat
mijnheer Dijk er zich het hardst den mond aan brandde. "Enfin," dus
luidde de konklusie van Jakobs overwegingen, "het is een miserabel
geval, en ik wilde om een lief ding, dat die mijnheer Kortenaer en
zijn meisje (onder ons gezegd, dat meisje kan haar plezier ook wel
op!) buiten ons vaarwater gebleven waren."
De weg naar Soekabrenti was in de week en op dit uur van den dag eene
eenzame heirbaan, en van de plaats waar Jakob zat uit te rusten van de
wandeling die hij nog moest ondernemen, kon men, tusschen de
boomstammen door, de weinige voetgangers, die zich in de rigting der
stad bewogen, reeds in de verte zien aankomen. De glooijing eener
hooge brug met witte leuningen, waar eene vaart op eenigen afstand den
weg door midden sneed, verminderde nog de voor die waarneming
gevorderde inspanning; en Jakob vermaakte zich eene poos met op te
merken, hoe van de personen, die hem naderden, nadat de ronding der
brug hen gedurende korten tijd onzigtbaar had gemaakt, eerst het
hoofd, dan de romp, en eindelijk ook de beenen weder allengs zigtbaar
werden.
--"Een saai kijkje," sprak hij echter weldra in zichzelven. En schier
onmiddelijk daarna, zich vooroverbuigend, ten einde scherper te kunnen
toezien: "Dat 's casueel!" riep hij uit, alsof het kijkje hem
eensklaps nieuwe belangstelling inboezemde, "hij is het, al zijn
leven!"
De zwarte pet van glimmend wasdoek, de korte donkergrijze jas met
metalen knoopen en de om het been spannende slobkousen van
chocoladebruin laken, wier verschijnen op den top der brug Jakob dien
kreet van verwondering deed slaken, behoorden aan niemand anders als
Isidoor, den eerzamen huisknecht op Soekabrenti; in zoo ver namelijk
een livereibediende zeggen kan dat zijne kleederen hem toebehooren, en
niet hij aan zijne kleederen. Het duurde niet lang, of Isidoor, die
met eene boodschap van Lidewyde naar stad moest, merkte op dat van
onder den luifel van het Fonteintje, met dichterlijke vrijheid door
Jakob en jufvrouw Bella de verandah genoemd, telegrafische seinen tot
hem gerigt werden. Toen hij evenwel, nader gekomen, Jakob herkende,
was zijne vreugde slechts matig; want Jakob had onder zijne kameraden
den naam, in meer dan gewone mate "bij de pinken" te zijn, en Isidoor
deelde in zoo ver in het zwak dier onbedeesden wien het niet aan
verstand of doorzicht hapert, dat hij ongaarne overbluft werd. Des te
meer viel het hem in de hand, dat Jakob dezen ochtend in het geheel
niet spotziek gestemd scheen te zijn, en volstrekt geene aanstalten
maakte om hem, Isidoor, voor het lapje te houden. De ontvangst was
integendeel even hartelijk als gemeenzaam, en indien Isidoor het
voorregt had gehad, Jakob meer van nabij te kennen, zou hij aan diens
welwillendheid bemerkt hebben, dat Jakob hem noodig had.
--"Hou je me gezelschap," vroeg Jakob, naar zijn kelkje wijzend, "of
ben je van de Afschaffing? Er is in mijn eigen leven een tijd geweest,
dat ik vóór twaalven nooit iets anders als water met suiker dronk."
--"Voor mij moet die tijd nog komen," zeide Isidoor, die meende te
weten dat men tot de dagen van Jakob's zuigelingsschap zou moeten
opklimmen, alvorens de door hem bedoelde water- en suiker-periode te
bereiken. "Maar als ik regtuit spreken zal, drink ik vóór twaalven
liefst bier."
--"Ieder zijn meug," antwoordde Jakob. En zich naar de openstaande
deur der gelagkamer wendend: "Jufvrouw Bella," riep hij, "een glas
Beijersch voor mijn vriend Isidoor! Groote maat, als ik je verzoeken
mag."
--"Ik ben op weg naar jelui toe," vervolgde hij, een deel van zijne
eigen geheimen verklappend, ten einde des te spoediger achter die van
Isidoor te komen. "De dokter zendt me met een briefje naar
Soekabrenti. En wat moet jij zoo vroeg in de stad uitvoeren? Ik dacht
dat jelui nooit anders boodschappen deedt als met rijtuig?"
--"Ik moet voor mevrouw een pakje brengen naar het expeditie-kantoor."
--"Dat verandert. Spoortreinen wachten niet."
--"Dat doen ze net niet; maar in dit geval zou de trein geen eer
inleggen met te wachten, want mijn pakje hoeft niet mee."
--"Hoe heb ik het met je? Breng jij pakjes naar het expeditie-kantoor
om thuis gelaten te worden?"
--"Niet precies. Mijn pakje moet worden bezorgd aan een adres in de
stad."
--"Wat? Zoo als de rijke lui op Sinterklaas-avond doen, om te zorgen
dat de vrinden niet weten zullen uit welken hoek de wind waait? Jou
mevrouw is er tijdig bij, moet ik zeggen. Ik heb juist gisteren aan
mijn kleine meid verteld, dat Sinterklaas' mooije japon nog twee
maanden in de Bank moet staan, voor hij hem lossen kan."
--"De kleine meid, voor wie mijn pakje bestemd is, zou blij zijn,
geloof ik, indien ze twee maanden uitstel kreeg," zeide Isidoor op
geheimzinnigen toon.
Een minder naauwlettend hoorder dan Jakob zou het spel bedorven hebben
door te vragen: "Voor wie is het dan?" Doch Jakob begreep dat de ander
op den goeden weg was, en van hemzelven nog slechts een weinig meer
openhartigheid gevorderd werd, om Isidoor de zijne te doen voltooijen.
--"Luister eens," zeide hij, eensklaps de hand op Isidoor's arm
leggend en insgelijks een mysterieusen toon aannemend, "het gaat mij
niet aan, welke boodschappen jou worden opgedragen, en mijn vader
heeft me geleerd, dat een booi, die niet hooren, zien en zwijgen kan,
geen knip voor zijn neus waard is. Maar, òf ik heb het mis, òf de
wagen gaat op dit oogenblik bij jou aan huis evenmin regt als bij den
dokter."
--"Bij den dokter?" vroeg Isidoor verwonderd. "Daar weet ik niet van."
--"Indien je alles wist, zou ik je niets te vertellen hebben, dat
spreekt. Wil ik je eens wat zeggen? Ik geloof dat die mevrouw van jou
een rare dame is."
--"Ik wou," zeide Isidoor met een zucht, "dat het anders was; maar ik
vrees dat je gelijk hebt."
--"Waarom zet je daar een bedrukt gezigt over? Ze is geen kind; en
wanneer ze dingen doet, die niet deugen, moet ze zelf weten wat er bij
staat."
--"Jawel, maar voor de rest is ze een goed mensch; veel te goed om
zich te vergooijen."
--"Dat is de vraag, Isidoor. Ken je de geschiedenis van prins
Potemkin?"
--"Neen, van dien snuiter heb ik nooit gehoord."
--"Nu, er is reis een keizerin van Rusland geweest, die eerst er man
gemold en toen een sleep vrijers nagehouden heeft, waarvan vriend
Potemkin het verder heeft gebragt dan al de anderen. Minister,
admiraal, generaal, stadhouder, prins,--de hemel weet wat de kerel al
niet geworden is, ofschoon hij van afkomst maar de zoon van een armen
kapelaan was. Want in Rusland, moet je denken, mogen de kapelaans
trouwen, als ze willen, en kinderen krijgen als ze kunnen. Maar denk
je dat iemand ooit precies geweten heeft waarom keizerin Katharina
zoo'n zin had in dien jongen?"
--"Misschien was het wel..."
--"Je wilt zeggen dat hij meer verstand of meer courage had dan de
anderen? Mis, maat! Hij was zoo dom als een eend, al hield hij zich,
wanneer het op vechten aankwam, wijsselijk buiten schot. Er kan maar
één reden geweest zijn, waarom de keizerin zich aan hem verslingerd
heeft."
--"En dat was?"
--"Men kan alle dingen zoo niet bij 'er naam noemen; maar ik geloof
dat keizerin Katharina om dezelfde reden van prins Potemkin hield,
waarom jou mevrouw een hekel heeft aan 'er man. Ja, ja, Isidoor,
sommige vrouwen zijn vreemde zeeschepen, en prins Potemkin was een
mooije jongen, zoo hoog en zoo breed als een tamboermajoor. Maar dat
's tot daaraan toe. Is die mijnheer Kortenaer nog bij jelui
gelogeerd? Hij is een keer of wat bij den dokter komen praten, en de
dokter is een keer of wat met hem uit rijden of uit wandelen geweest.
Het zou mij niet verwonderen, indien het briefje, dat ik in mijn zak
heb, bestemd was om daar een einde aan te maken. De dokter is op zijn
gezelschap niet bijzonder gesteld, lijkt het wel."
--"En zendt mijnheer Ruardi jou om die reden naar Soekabrenti?" vroeg
Isidoor, die het oogenblik gekomen achtte om op zijne beurt Jakob een
weinig uit te hooren.
--"Dat zou ik je niet kunnen zeggen," antwoordde Jakob droogjes; "maar
wel, dat het briefje niet voor mijnheer Kortenaer, maar voor mijnheer
Dijk is. Het zou evenwel kunnen wezen, dat mijnheer Dijk alleen dienen
moest als tusschenpersoon, net als jou expeditie-kantoor."
--"En voorzie je dat daar ongenoegen van komen zal?"
--"Wel zeker voorzie ik dat, en erg ongenoegen ook."
--"Het doet me pleizier dat je niet luchtig denkt over hetgeen
tegenwoordig bij ons aan huis voorvalt. Ik heb medelijden met dat
juffertje."
--"Nu zeg je precies hetzelfde, Isidoor, wat ik bezig was bij mijn
eigen te overleggen, toen ik je daareven zag aankomen. Dat meisje, zei
ik, kan 'er pleizier meer dan op."
--"En ik vrees dat haar pleizier nog verminderen zal, wanneer ze dit
pakje ontvangt."
--"Heb ik het niet gedacht," riep Jakob, achter een schijn van
verontwaardiging zijne zelfvoldoening over Isidoor's mededeeling
verbergend. "Mevrouw Dijk doet met jufvrouw Emma even als de dokter
met mijnheer André."
--"De tijd moet het leeren, Jakob; maar ik kan je zeggen dat ik van
mijn mevrouw nooit zoo iets vermoed zou hebben."
--"Ik ook niet," antwoordde Jakob. "Gelukkig voor ons, dat wij onze
handen in onschuld wasschen kunnen. Maar onze lieve Heer is
regtvaardig, dat heb ik altijd gezeid. Wij, arme drommels, moeten het
werk doen; maar de verantwoording komt voor rekening van de grooten.
Zoo krijgt elk zijn deel. Nog een halfje Beijersch?"
Het aanbod was niet geheel en al opregt; doch al ware het dat geweest,
Isidoor zou het in elk geval van de hand gewezen hebben. Hij was een
te naauwgezette knaap om ter wille van zijne gemoedsbezwaren zijne
boodschappen te verzuimen.
Jakob was ruimer van geweten, en vond het geene doodzonde vóór hij
Isidoors voorbeeld volgde, nog een halfje citroen met suiker te
gebruiken. In het eind evenwel nam ook hij afscheid van het
Fonteintje, en ging hij zich kwijten van den hem opgedragen last.
--"Veel wijzer ben ik niet geworden," zeide hij bij zichzelven, toen
hij zijne vertering betaald had en men hem den weg naar Soekabrenti
zag opwandelen. "Maar toch wel een beetje. Wel, wel, moet jufvrouw
Emma de vesting ruimen! Wonder is het niet, want voor Isidoors mevrouw
is zij geen portuur. Met dat al spijt het mij vervl--, dat de dokter
en mevrouw Lidewyde met elkander over hoop liggen. Dat zal een
geduchte streep door mijne rekening zijn. Een lieve jongen, die
mijnheer André!"