VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

--"Hemelsche goedheid," zeide André bij zichzelven, toen hij buiten de

stad gekomen was en het schijnen kon dat hij met het laatste gedeelte

van Ruardi's sigaar ook de bedwelming van Ruardi's drogredenen van

zich afwierp, "in welke verbijsterende mate bezit die goede man het

talent van doorslaan! Zonder onbeleefd te worden kon ik hem niet

telkens in de rede vallen, en daarom heb ik meestentijds gezwegen;

doch het zou inderdaad al zeer weinig moeite behoeven te kosten hem

slag op slag in zijne eigen woorden te vangen. Het kleingeestigst van

al vond ik die aanmerking op de Nassau's. Wat doet het er toe, of eene

dynastie al dan niet familie van ons is, indien zij ons eeuw in, eeuw

uit, onbetaalbare diensten bewijst? Zulk een kosmopoliet als Ruardi

behoorde daaromtrent minder bekrompen te denken. Doch hij schijnt mij

toe een oppervlakkig man te zijn, en ik wil wedden dat hij de

hollandsche boeken en de hollandsche schilderijen, waarover hij met

zooveel minachting spreekt, meest van hooren zeggen kent. Neen, dan is

Emma's vader in die zaken vrij wat beter te huis. Potsierlijk vond ik

het, dat hij ons volk opvoeden wil door den omgang met vrouwen. Nu,

men behoeft zijne vier jaargetijden slechts aan te zien, om te

gevoelen dat het zeer onvoorzigtig zou zijn hem bij die soort van

hoogere burgerschool tot docent aan te stellen! En wat doet Dijk met

zulk een vriend? Doch vermoedelijk kent Adriaan hem even kwalijk als

hij zelf Hooft en Rembrandt kent. Ruardi moet er slag van hebben, met

allerlei soort van menschen om te gaan, anders kon hij hier in de stad

onmogelijk zoo gezien zijn als ik geloof dat hij is. In gezelschap van

jonge dames en oude heeren slaat hij stellig een geheel anderen toon

aan als wanneer hij onder vier oogen met jongelui van mijn leeftijd

praat. Van tijd tot tijd vond ik hem heel aardig, en ik kan mij best

begrijpen dat men hem over het algemeen gaarne lijden mag. Zelfs

verwondert het mij dat Lidewyde hem moede schijnt te zijn. Doch

misschien pleit het in haar voordeel, dat zij genoeg van hem heeft. Om

de gulle waarheid te zeggen,--wanneer Ruardi beweert dat de

hollandsche vrouwen niet mooi of niet teeder zijn, geloof ik dat hij

doet als de vos in de fabel, en hij de druiven, die hem te hoog

hangen, zuur noemt. Hij zou wel anders spreken, verbeeld ik mij,

indien Lidewyde van hem gediend was! Maar zij heeft groot gelijk dat

zij dien gesublimeerden commis-voyageur,--want meer dan een

commis-voyageur onder het masker van een wijsgeer is hij toch

eigenlijk niet,--van zich afhoudt."

André zou meer fierheid en meer bekwaamheid ten toon gespreid hebben,

indien hij onder een voegzamen vorm een gedeelte van deze denkbeelden

voorgedragen had in Ruardi's bijzijn, en elk moet het afkeuren dat

zijne gemaakte minachting voor den dokter ten slotte hare meest

geconcentreerde uitdrukking vond in eene insolentie. Doch de

Kortenaers der 19de eeuw zijn minder dapper en hebben minder

tegenwoordigheid van geest dan hun stamvader, en wanneer de bron

hunner argumenten uitgeput is, of niet vloeijen wil, vergenoegen zij

zich somwijlen met beleedigende bijnamen. De omstandigheid dat Ruardi

een bovenhuis bewoonde was dan ook noch de eenige, noch de voornaamste

reden dat André's gevatheid eerst aan het licht kwam, toen hij 's

dokters trap reeds een half uur geleden afgedaald was. Te schitteren

met =esprit d'escalier= strookte met zijn karakter, helaas; en zijn

gebrek aan moed was slechts een andere vorm van zijn gebrek aan

opregtheid. Het was onwaar dat hij Ruardi met ergernis had aangehoord.

Veeleer had het hem gevleid, dat iemand met zulke buitengewone gaven,

die van zijne ware gevoelens voor alle andere menschen een geheim

maakte, hem tot zijnen vertrouwde scheen te hebben gekozen. Het

aanhooren van Ruardi's vermakelijken onzin, indien men daartegen niet

met nadruk en waardigheid opkwam, stond gelijk, dit gevoelde hij, met

een begin van medepligtigheid. Doch hij wilde wel zoo; en de ander was

in zijne oogen een veel fijner opmerker en veel onafhankelijker denker

dan men uit het in de eenzaamheid hem naar het hoofd geworpen

epitheton zou hebben opgemaakt. De eenige reden waarom hij Ruardi's

verdiensten met woorden poogde te verkleinen, was dat hij hem Lidewyde

niet gunde; en hij zou over den afwezige met veel meer lof gesproken

hebben, indien hij vaster overtuigd geweest was, dat Lidewyde ten

aanzien van den dokter altijd dezelfde onverschilligheid zou blijven

gevoelen.

Lidewyde · 第 37 / 60 题