--"En is dat nu de stad waar mijnheer Lefebvre woont?" vroeg Emma,
toen de trein zich in beweging zette en zij het oog kon laten gaan
over de schoorsteenen en de kerktorens van T.
--"En tevens de stad waar gij van nacht gelogeerd hebt," antwoordde
André, die tegenover haar zat.
--"Jawel," zeide zij, "maar groote steden hebben een geheel ander
voorkomen wanneer men ze op een afstand ziet, als wanneer men er zich
in ophoudt. En het is alsof men dan ook een anderen indruk van de
menschen ontvangt."
--"Er is aan T. niet veel te zien," meende André.
--"Vindt gij? Váder zeide van wel. Zoodra hij mij gisteren-avond in
het logement bezorgd had, is hij eene wandeling door de stad gaan
doen, en van ochtend was ik nog niet bij de hand, of hij was al weder
op het pad. Het stadhuis, de groote kerk, de vleeschhal, de poort aan
de zijde van het bolwerk, ik weet niet wat al wonderen hij mij
daarvan niet verhaald heeft. Het is jammer dat de treinen elkander zoo
snel opvolgen, anders had hij u zeker uitgenoodigd tusschentijds het
een en ander met hem te gaan zien."
--"Luister eens, Emma," zeide André, eensklaps van toon veranderend,
"wij zijn nu nog alleen en kunnen dus vrijuit zamen spreken. Aan het
volgend station bekomen wij welligt reisgezelschap, en moeten òf
zwijgen, òf praten over het mooije weer. Wees dus openhartig, en zeg
mij waaraan ik uwe afgemetenheid moet toeschrijven? Uw vader,
daareven, was hartelijker dan gij."
Emma antwoordde niet en staarde het raampje uit. Van de monumenten van
T's geloof en T's industrie was thans weinig meer te zien, en men
behoefde het meisje niet van nabij te kennen, of te weten wat omging
in haar hart, om aan de uitdrukking van haar gelaat te bespeuren dat
zij zich op dit oogenblik minder dan ooit bekommerde om het verband of
de tegenstrijdigheid van kerkgebouwen en katoenfabrieken,
steenkolendamp en wierookwalm. Zij dacht aan andere dingen, die zij
gewigtiger vond.
--"Emma," vroeg André nogmaals, "waarom zijt gij koel tegen mij? In
veertien lange dagen hebben wij elkander niet gezien, en gij behandelt
mij alsof ik een vreemdeling voor u was. Ik heb allen eerbied voor
oude gebouwen; doch toen ik dezen ochtend van M. vertrok om u te komen
afhalen, is mijne eerste zorg niet geweest, te T. onderzoek te doen
naar de architektuur van den vleeschhal."
--"Ik geloof niet, André," zeide zij, bijna zonder hem aan te zien,
"dat die veertien dagen u bijzonder lang gevallen zijn."
--"Hoe nu? Zal ik van gebrek aan liefde voor u beschuldigd worden,
alleen omdat ik in de eenzaamheid zoo goed mogelijk mijn tijd zoek te
korten? Indien gij geen lust hadt om naar M. te komen en van de
uitnoodiging van freule Steinmetz gebruik te maken, waarom mij dat
niet ronduit geschreven? Wat is de reden dat ik u niet mogt komen
afhalen van Duinendaal? Uwe antwoorden waren zoo gul en hartelijk, dat
ik niet anders denken kon, of gij waart met de door Lidewyde gemaakte
schikking even ingenomen als ik. Of is er iets tusschenbeide gekomen
dat ik niet weet? Vindt uwe moeder het niet goed dat gij te M. komt
logeren? Aan uw vader heb ik niets kunnen bespeuren. Hij was even
vriendelijk als altijd."
Er kwam beweging in Emma's trekken. Zij staarde nu niet meer naar
eene zijde, het venster uit, maar hield, ofschoon met nedergeslagen
oogen, het aangezigt naar André gekeerd. Hij vond haar in die houding
schooner en lieftalliger dan ooit te voren. Het eenvoudig reistoilet
scheen opzettelijk voor haar uitgevonden te zijn, zoo goed kleedde het
haar en zoo volkomen voegde het bij hare taille. Het zuiver ovaal van
haar gelaat vormde met hare blonde krullen, thans aan weerszijde in
één zwaren lok vereenigd, het bekoorlijkst geheel. Op nieuw maakte hij
in zijnen geest eene in de laatste dagen herhaaldelijk ontworpen
vergelijking, en ditmaal sloeg de schaal zeer bepaald naar Emma's
zijde over. Lidewyde had noch dat voorhoofd,--zoo rein, dat een engel
het gekust zou hebben,--noch dien lieven trek om den mond, noch die
zachte wangen, noch het zedige dier lange wimpers. Met kracht kwam
zijne eerste liefde weder bij hem boven; en toen hij onder elk dier
wimpers zich een kristalhelderen traan zag vormen, vonkelend als
diamant, was de triomf voltooid. Hij greep hare twee kleine handen in
de zijne en riep in geestvervoering uit:
"Om godswil, Emma, maak mij niet rampzalig! Kwel u zelve niet! Ik heb
u lief met geheel mijn hart! Schrei niet, en zie mij aan!"
Nog kwam geen glimlach spelen om haren mond; doch zij voldeed
niettemin aan zijn verlangen en sloeg de oogen naar hem op. Zulk een
blik moet het geweest zijn, die de dichters der oudheid heeft doen
zeggen, dat het licht in de oogen der vrouwen het doorbrekend zonlicht
gelijkt.
--"André," zeide zij, hare eene hand loswikkelend uit zijnen greep en
met haar zakdoek de opkomende tranen wegwisschend, "gij vergist u te
eenemaal in mijn gevoelens. Vooreerst is het volstrekt niet waar, dat
gij niet naar Duinendaal zijt mogen komen. Niemand heeft u dat
verboden; maar het was, gelijk ik u geschreven heb"...
--"Ik bid u, lieve," viel hij haar in de rede, "doe geene moeite om
mij van mijn ongelijk te overtuigen. Dat gij verdriet hebt gehad is
het duidelijkst bewijs van mijne schuld. Wees vriendelijk tegen mij,
en ik zal erkennen dat gij bij uitnemendheid de kunst van straffen
verstaat."
--"Neen, André, zoo moet gij niet spreken. In het begin van onze
kennismaking voerdet gij nooit zulk eene ligtzinnige taal, en juist de
verandering die in dat opzigt eensklaps over u gekomen is, maakt mij
bekommerd. Waarom mag ik u niet herinneren, dat uw niet-overkomen naar
Duinendaal de natuurlijkste zaak der wereld geweest is? Vader vond
het te vermoeijend voor mij, op één dag zulk eene verre reis te doen;
en om die reden-alleen heb ik u geschreven, mij te T. te komen
afhalen. Het is niet goed van u, het te doen voorkomen, alsof mijn
oogmerk met die schikking geweest was, u op een afstand te houden."
--"De schikking heeft niettemin op mij dien indruk gemaakt."
--"Neen, André, dat kunt gij niet meenen. Van het oogenblik af dat ik
de reis in twee dagen zou doen, sprak het van zelf dat gij te M.
bleeft en vader mij tot T. geleidde. Indien ik iets tegen u heb, is
het dat gij eene vergoelijkende uitlegging zoekt te geven aan uwe
eigen onverschilligheid. Ik verg niet van u, ik mag niet vergen, dat
gij iederen dag en ieder uur van uw leven mij even teeder zult
liefhebben als ik het u doe. Ik wil gelooven dat de mannen in dit
opzigt anders zijn als wij. Doch neem den schijn niet aan, bid ik u,
alsof in dit geval de meeste genegenheid van uwe zijde gekomen was. Ik
heb dat niet aan u verdiend."
--"En welken anderen schijn wilt gij dan dat ik aannemen zal,
melieve?"
--"Mijn wensch, André, is dat gij uzelven zijn en iederen schijn ter
zijde stellen zult. Hoe kunt gij vragen, of moeder het afkeurt dat ik
te M. ga logeren? Gij weet even goed als ik, dat ik zonder haar
goedvinden Belvedere niet verlaten zou hebben. Neen, niet zij, maar ik
zag er tegen op, de uitnoodiging dier vreemde dame aan te nemen. En
niet om freule Steinmetz aarzelde ik, maar om mevrouw Dijk. Ik heb een
voorgevoel dat onze kennismaking met die dame tot niets goeds leiden
zal; en gij kunt mijne brieven niet met aandacht gelezen hebben,
zonder te bemerken dat ik uwe Lidewyde wantrouw."
--"=Mijne= Lidewyde, zegt gij? Maar ik zweer u, Emma, dat Lidewyde niet
in uwe schaduw staan kan. Al was zij een jong meisje, het zou niet in
mij opkomen haar het hof te maken; nu zij de vrouw is van Adriaan
Dijk, spreekt het van zelf dat ik mij vergenoeg met te haren aanzien
de burgerlijke beleefdheid in acht te nemen. Uwe vrees voor haar is
eene =idée fixe= van u, meer niet. Heden-avond zult gij hare kennis
maken, en morgen-ochtend, daarvoor sta ik in, zal uw eerste werk zijn,
met uwe eigen bekommeringen den draak te steken. Lidewyde is eene
belangwekkende vrouw, daarmede is alles gezegd; en zelfs dat gematigd
kompliment zou overdreven zijn, indien men niet nu en dan aan hare
vrolijkheid-zelve bemerken kon, dat zij ongelukkig is. En nu vraag ik
u of het verstandig, neen, of het edelmoedig is, haar om dat ééne
=charme= in den ban te doen?"
--"Ik heb u reeds geschreven, André, dat Lidewyde's rampen mij
tamelijk koel laten. Laat het zoo zijn, dat zij niet gelukkig getrouwd
is: heeft zij indertijd niet hare eigen keus gevolgd? En indien zij
zich in uw neef Adriaan vergist heeft, geeft dat haar het regt om uit
de hoogte neder te zien op een man die haar niets in den weg legt en
alles doet wat in zijn vermogen is om haar leven te veraangenamen? Ik
=kan= geen medelijden hebben met vrouwen, hoe ongelukkig ook, die alles
geoorloofd achten, alleen omdat hare mannen geene engelen zijn."
--"Nu ja, ik heb u geschreven, dat mijn eerste indruk omtrent Dijk te
gunstig is geweest, en ik al spoedig ben gaan bemerken, dat hij er de
man niet naar is, om eene vrouw als Lidewyde gelukkig te maken. Doch
ik zou meer hebben kunnen schrijven. Behalve dat Lidewyde verbonden is
aan iemand, dien zij onmogelijk met haar geheele hart liefhebben kan,
wordt haar het hof gemaakt door dienzelfden dokter Ruardi, die zich
Adriaans intiemsten vriend noemt. Zeer toevallig ben ik dat te weten
gekomen door een gezegde van Lidewyde's kamenier."
--"Luister, André, ik heb een ingeschapen afkeer van al dergelijke
intriges, en hetgeen gij daar zegt vermeerdert niet, maar vermindert
nog mijne hoogachting voor Lidewyde. Indien zij het ernstig wilde, zou
het haar geene moeite behoeven te kosten, dokter Ruardi op een afstand
te houden zonder aan haren man te doen blijken dat zijn beste vriend
een verrader is. Doch Lidewyde is eene kokette, daar houd ik het voor.
Uw oom doorgrondt haar, en omdat hij haar kent voor hetgeen zij
is,--omdat hij hoopt, dat zij u van uwe liefde voor mij genezen zal,
daarom en daarom-alleen heeft hij u naar M. gezonden."
--"Lieve Emma, hoe komt gij er toe, u zulke dingen in het hoofd te
halen? Mijn oom mag wezen wie hij wil, hij is onbekwaam, zulke
quasi-diabolische plannen te ontwerpen. En al ontwierp hij ze, hebben
wij het niet in onze magt ze te verijdelen? Zijt gij niet de vrouw van
mijne keus? "Kom en zie," schreef ik u, en dat herhaal ik. Leer
Lidewyde kennen, en in een omzien zult gij u verlost gevoelen van uwe
vooroordeelen. Op mijn woord van eer, gij maakt noch uzelve een
kompliment, wanneer gij haar een vermogen op mij toeschrijft, grooter
dan het uwe, noch mij, wanneer gij mij voor zwak genoeg houdt om voor
eene zoo gewone verzoeking te bezwijken."
Hoewel niet verbaasd over de gladheid van zijne eigen tong,--want
Emma's nabijheid inspireerde hem, en hij zou onder dien invloed,
zonder van zijn stuk te geraken, geheele redevoeringen hebben kunnen
houden,--schrikte André toch min of meer op, toen het schel gefluit
der lokomotief, onder het voortrammelen van den trein, zijne laatste
betuiging van genegenheid met eene soort van fanfare begeleidde, die
niet regtstreeks uit de gewesten der hemelsche gelukzaligheid
afkomstig scheen te zijn. Het is inderdaad jammer dat Virgilius en
Dante, die zulke fraaije beschrijvingen van de onderwereld geleverd en
zulke uitgezochte helsche klanken nagebootst hebben, onbekend geweest
zijn met het schrille stemgeluid van het privatief vehikel der 19de
eeuw. Hadden zij daarvan een voorgevoel kunnen hebben, elk ander
symbool van de verschrikkingen des gewetens zou hun toegeschenen zijn,
kleur en toon te missen. Voor het verdeeld gemoed van de kinderen
onzes tijds is dat valsch en snerpend geluid hetgeen voor een
vroeger geslacht het bazuingeschal geweest is, waarmede de
joodsch-christelijke eschatologie het laatste oordeel laat aanvangen.
Doch André maakte zich noodeloos ongerust. Instede van de om zijne
dubbelhartigheid lagchende booze geesten zijner opgewekte
verbeeldingskracht, zag hij eensklaps aan zijne zijde, op de loopplank
nevens het portier, het onschuldig aangezigt verschijnen van een
kondukteur, die plaatskaartjes kwam ophalen, en op den meest
aardschgezinden toon der wereld vroeg, of zich in dit kompartiment
welligt passagiers bevonden, die te G. wenschten uit te stappen. Er
was in de alledaagsche belangstelling van dien man iets zoo
ontnuchterends; de goedige uitdrukking zijner oogen neutraliseerde zoo
te eenemaal het fantastische van zijn verschijnen; zij vernietigde zoo
onherroepelijk de ontsteltenis, die zijn borstelige knevel en zijn
zware sapeursbaard anders welligt nog hadden kunnen teweegbrengen, dat
men voor het minst een moord op het geweten zou moeten gehad hebben om
niet aanstonds te beseffen dat de dichterlijke Furien der mythologie
niets te maken hadden met het plotseling optreden van dezen man, die
een dood-onschuldig Metalen Kruis in het knoopsgat droeg en voor het
overige slechts de voorwaarden zijner broodwinning vervulde. Zoo is
het leven en zoo worden de menschen slecht! Wanende Beëlzebub aan
zijne zijde te zien verschijnen, aanschouwt men een gepasporteerd
militair in de gedaante van een wellevend spoorweg-kondukteur.
Het toeval wilde, dat bij het stilhouden te G. geen enkel passagier
plaats kwam nemen in het rijtuig, waarin André en Emma zich bevonden.
"En is dat nu de stad waar de kapelaan Stephenson woont?" had Emma
kunnen vragen; doch zoomin als André was zij zich van het bestaan van
dien belangwekkenden jongen priester bewust; en haar vervulde alleen
de gedachte aan hetgeen André daareven gezegd had. Hoe kon hij wanen,
dat het haar te doen was om òf hem, òf haarzelve een kompliment te
maken? Wie had hem zulke dingen in het hoofd gebragt? Wat beteekende
die wereldsche taal? Doch aan den anderen kant viel het niet te
ontkennen, meende zij, dat hij de hartelijkheid-zelve scheen en zich
te haren opzigte geheel en al als een vurig bruidegom gedroeg. Nu ja,
ook zonder den kapelaan Stephenson geraadpleegd te hebben, gevoelde
zij dat André sommige drogredenen verkondigde en zijn oordeel over
Lidewyde den toets niet doorstaan kon. Doch zij had nu eenmaal hare
eigen denkbeelden omtrent het hart der mannen in het algemeen en
André's hart in het bijzonder; en een dier axioma's was, dat de
verloofde van hare keus, hetzij als bruidegom of als echtgenoot, het
mogt gaan hoe het wilde, haar nimmer geheel en al ontrouw worden kon.
De bloem onder het uitrukken van wier bladen zij beurtelings
indertijd: "Hij zal mij vragen" en: "Toch niet" gefluisterd, en wier
laatste woord in eene stellige toezegging bestaan had,--die
denkbeeldige bloem was geen kortstondig madeliefje, maar eene
immortelle geweest. De voorstelling dat André in staat was haar te
verwaarloozen, kwetste hare fierheid en deed haar naar de wapenen der
beleedigde onschuld grijpen. Doch pas bedacht zij, dat niemand hem zoo
volkomen kon liefhebben als zij en hij telkens zou moeten eindigen met
dit te erkennen, of zij deed afstand van hare verontwaardiging en
verzoende zich met hem in den geest. In het leven van een man, die aan
zulk eene vrouw zijn woord verpand heeft, kunnen zich oogenblikken
voordoen dat hare al te groote teederheid hem verdrietig maakt en hij
wenschen zou, bij minder zenuwachtigheid, meer in haar te vinden van
hetgeen ledepoppen eene gemakkelijke soort van speelgoed doet zijn.
Doch de mannen, die het regt zouden hebben dergelijke verzuchtingen te
slaken, vormen eene uitzondering op den regel; en André was zulk eene
uitzondering niet. Hij behoorde veeleer tot de klasse dergenen, die
eene vrouw als Emma onwaardig zijn en aan wie eene liefde als de hare
verspild is. Hij wilde wel de baten van Emma's vergevensgezindheid
genieten, doch was niet bereid om daarvan de lasten te dragen; en het
was jammer dat zij dit niet in tijds doorzag. Ware zij daartoe
onbeneveld genoeg van blik geweest, zij zou zichzelve een lang en
groot verdriet gespaard hebben; indien men althans met grond van
oordeel is, dat eene vrouw wijzer handelt en zich minder ongelukkig
maakt, indien zij sommige betrekkingen uit eigen beweging verbreekt,
dan indien zij de gevolgen van hare verblinding voor hare rekening
neemt. En tot Emma's verontschuldiging kon worden aangevoerd, dat zij
niet blinder was dan gevorderd werd om hare liefde aan de voorwaarden
van dat gevoel te doen beantwoorden. Of is eene vrouw te veroordeelen,
alleen omdat zich in haar bestaan eene vaste wet van haren aard
vervult? Alle deskundigen zullen dit ontkennen, en teregt. Toen gij
liefhadt, waart gij blind, mevrouw; zonder dat zou uwe liefde niet van
de regte soort geweest zijn. Tevens meent men te weten, dat de
ongemeene schranderheid, die in de laatste jaren bij u is opgemerkt,
en waardoor gij u eene volkomen verdiende reputatie van superioriteit
verworven hebt, dagteekent van het oogenblik dat uw ideaal in de
werkelijkheid omgekomen en de dienst van Eros door u voor die van
Hermes misschien, maar in elk geval voor die van Athene verlaten is.
Op ieder honderd jeugdige kantoorbedienden, die in gemengd gezelschap,
wanneer zij de zekerheid bezitten niet door hunne patroons beluisterd
te worden, wel eens tot amusement van de dames eene gewaagde anekdote
opdisschen, worden er negen en negentig gevonden, die meer dan eens
genoegen hebben beleefd aan het verhaal van den Tunnel en het Moesje.
Doch Emma droeg geene moesjes, en het geheele nederlandsche
spoorwegnet is geen enkelen tunnel rijk. Het zou derhalve niet baten,
den lezer te willen wijsmaken, dat een kleine zwarte stip, die
gedurende de geheele reis, en nog bij het afrijden van G., een
bekoorlijk relief gegeven had aan Emma's zachtgekleurde wang, bij de
aankomst te M. bevonden werd aan André's bovenlip te kleven. En
waartoe fabelen verhaald, wanneer men de feiten slechts voor het
grijpen heeft? Emma, die zonder moeite over André's redenen zou hebben
kunnen triomferen, was niet bestand tegen die van haar eigen hart.
Zij beloofde, hare vooringenomenheid tegen Lidewyde ter zijde te
zullen stellen; en reeds toen de trein, in weerwil van den geringen
afstand, nog een goed eind van M. verwijderd was, had, dank zij de
nederlandsche spoorwegzeden, die geene jongelieden van beiderlei
geslacht verbieden zamen te reizen, een kus het hersteld verbond
bezegeld tusschen de twistende gelieven.