"Ik wenschte dat Dijk mij dien knaap niet aanbevolen had," zeide
dokter Ruardi bij zichzelven, toen hij den volgenden ochtend zijn
ontbijt had gebruikt en zich gereed maakte om visites te gaan rijden.
"Hij schijnt verbazend groen, en wie weet of het de moeite loont hem
te helpen ontbolsteren? Het best zou zijn, dat hij eenigen tijd bij
Lefebvre in de leer ging, om zijne denkbeelden te vormen; want dat er
in de praktijk immer iets van hem teregt zal komen, geloof ik niet.
Lidewyde heeft hem =en amitié= genomen, zegt Dijk; dat verstaat zich.
Zij haalt hem aan uit tijdverdrijf, en zal beproeven zijn meisje
jaloersch van haar te maken. Indien dat lieve kind haar belang kende,
zou zij stil bij vader en moeder blijven en zich hier in geene
wespennesten komen steken. Die goede Lefebvre! Hij is de
onschadelijkheid-zelve, en men lastert hem, wanneer men hem een
corrumperenden invloed toeschrijft. Toch kan ik mij voorstellen, dat
onervaren jongelieden door hem zoogenaamd op het dwaalspoor gebragt
worden; en misschien is het maar goed, dat vriend Kortenaer niet onder
zijne leiding komt. Indien ik ooit pædagoog word, waarvoor de hemel
mij beware, ben ik voornemens zulk soort van meesters op een afstand
te houden. Ik kan niet gelooven, dat het dienstig is voor jongelui,
hunne tegenstanders te leeren minachten. Die taktiek is alleen goed,
dunkt mij, ten aanzien van de vrouwen; tegenover mannen deugt zij
niet. Om die onder den duim te krijgen... Maar genadige goedheid, neef
André is geen schoolknaap, en ik behoef hier in de eenzaamheid geen
cursus over opvoedkunde te zitten houden. Jakob, ben je daar? Luister
eens."
--"Wat is er van uwe dienst, mijnheer?" vroeg Jakob, die in een
aangrenzend vertrek bezig was eenig huiswerk te verrigten.
--"Ik verwacht van middag bezoek."
--"Mijnheer kan er op rekenen, dat ik de dames behoorlijk ontvangen
zal."
--"Wat praat gij van dames? Er is kwestie van een jong heer, een logé
van mijnheer en mevrouw Dijk. Het kan gebeuren dat ik nog niet thuis
ben tegen dat mijnheer komt: in dat geval laat gij mijnheer in de
rookkamer, en verzoekt hem een oogenblik te willen wachten. Vergeet
niet, het noodige gereed te zetten. Mijnheers naam is Kortenaer;
verder ben ik voor niemand thuis of te spreken."
Het vertrek waarin André, in den namiddag van dien dag, door Jakob
verzocht werd de thuiskomst des dokters te verbeiden, maakte geen deel
uit der appartementen waarvan het middelste toegang tot den wintertuin
verleende. Evenmin was het dat, waarin Ruardi des ochtends den
kapelaan ontvangen en dezen op een overzigt zijner wijsbegeerte
onthaald had. Het lag evenwel in dezelfde rigting als dit laatste en
kommuniceerde daarmede. Zijn omvang was die van een ruim kabinet,
gemeubeld met divan aan divan. Hier en ginds stond eene kleine tafel,
wier japansch-verlakt blad, glanzig rood met gouden vogels, in eene
ebbenhouten lijst gevat was en op een kunstig gedraaiden zwarten voet
rustte. Een dier tafeltjes droeg een zilveren schenkblad met
vonkelende wijnkaraffen, waarnevens een kistje veelbelovende sigaren
en eene turksche pijp. Boven den schoorsteen hing een trofee van
indische wapenen, terwijl de plaats onder den schoorsteenmantel, waar
's winters de haard zich uitbreidde, thans ingenomen werd door eene
monsterpul van oud-blaauw. De wanden prijkten met vier medaljons in
pastel, levensgroote kniestukken, de vier jaargetijden voorstellend in
de gedaante van even zoo vele schoone vrouwengestalten. Echter
verbraken die beelden min of meer de oostersche tint die over het
vertrek uitgespreid lag, en men behoefde niet in Azie gereisd te
hebben om weldra te gevoelen dat =les filles de marbre=, die tot
modellen voor deze teekeningen hadden gediend, geene geboren bayadères
waren. Te zeggen dat André, toen hij uit tijdverdrijf, nadat Jakob hem
alleen gelaten had, van het eene medaljon naar het andere ging, de
oogen nedersloeg, of zich met weerzin afwendde, zou met de
geschiedenis in strijd zijn. Doch wel is het waar dat hij zich in de
beschouwing dier nuditeiten niet regtstreeks verlustigde. Daartoe had
verbazing te zeer den boventoon in zijnen geest; verbazing dat er
vrouwen gevonden worden, die voor geld te bewegen waren om in
zoodanige mate met de vooroordeelen misschien, doch in elk geval met
de overleveringen der schaamte te breken; verbazing dat dokter Ruardi
eene voorstelling der saizoenen nahield, waaraan het element der
draperie zoo te eenemaal ontbrak. Bloemen en vruchten in overvloed;
ook bekers en schalen. Doch van de onontbeerlijkste kleedingstukken
nergens een spoor.
Een gulle lach uit den mond van den binnentredenden heer des huizes
maakte een einde aan André's kunstbeschouwing.
--"O, o, mijnheer de puritein," schertste de dokter, "ik zie wel
waaraan het hapert; gij ergert u aan mijne jaargetijden. Maar ga
zitten, neem een sigaar en een glas madera, en ik zal u haarklein de
geschiedenis dier medaljons vertellen."
Ruardi kon liegen of het gedrukt stond, niet-alleen, maar of een
volleerd tooneelspeler zijne fabelen met studie voordroeg. De inhoud
zijner verhalen wisselde naarmate van het gezelschap waarin hij zich
bevond, en het geval moest zich nog voordoen dat hij in de
tegenwoordigheid van een jong meisje eene anekdote aanroerde die
alleen door gehuwde vrouwen gesavoureerd kon worden, of het voorhoofd
van grijsaards glad zocht te strijken met geestigheden waar alleen een
jong mensch met ongedwongenheid om glimlagchen kon. Hij kende André
nog te weinig om een bepaald oordeel over hem te hebben; doch zooveel
vaster dan de meeste jongelieden van zijnen leeftijd, meende hij,
stond deze vaudeville-held, gelijk hij hem noemde, niet in zijne
schoenen, dat hij aarzelen moest hem de legende der medaljons op te
disschen. Het was het onderhoudend verhaal van een vaderlandsch
edelman, een van Ruardi's voormalige patienten, die gedurende eene
lange reeks van jaren al den tijd, hem door eene sinecure aan ons Hof
gelaten, te Parijs plagt door te brengen. "Hier te lande," zeide
Ruardi, "werd hij aangezien voor een groot heer, en wanneer hij bij
officiële gelegenheden in gala-kostuum als ceremoniemeester fungeerde,
of zoo iets, zag hij er met zijn geborduurden rok vol ridderorden zeer
voornaam uit. Doch daarginds, waar het krielde van russische prinsen
en hongaarsche magnaten, twintig maal rijker en aanzienlijker dan hij,
maakte hij met zijne schelvischoogen en zijn onverbeterlijk hollandsch
accent zulk een beklagelijk figuur, dat hem niets anders overschoot
als zich in de armen van den =demi-monde= te werpen. Op zijn landgoed in
Gelderland of Overijssel had hij de afgod der boeren en de trots van
den burgemeester kunnen zijn; doch liever dan zich des zondags door
den dominé der plaats te hooren gedenken in den gebede, liever dan uit
de hand van onschuldige dorpskinderen verjaarverzen en pionierozen aan
te nemen, liet hij zich plukken door uitgebloeide actrices of de les
lezen door ondernemende figuranten uit de vrouwelijke helft van een
corps-de-ballet. Verleden jaar, in het eind, is hij getrouwd met een
schatrijk meisje uit onze bankierswereld, wier familiewapen, dat
verzeker ik u, minder kwartieren telt dan er hypotheken op zijne
boerderijen staan; en toen ik hem tegen het aanbreken van den grooten
dag weder een weinig op zijn verhaal geholpen had, heeft hij mij
dringend verzocht, hem wel te willen ontheffen van dit viertal
souvenirs uit den tijd zijner losse haren. Ik heb het geschenk
aanvaard, en laat de medaljons daar hangen als eene dagelijksche
waarschuwing aan mijzelven om toch niet af te dwalen van het pad der
deugd."
--"Durfde ik," zeide André, "ik zou beweren, dat de vermaning te
wegslepend is om volkomen ernstig te kunnen zijn."
--"Dan zweemt zij naar de predikatien van onzen vriend Lefebvre, die
mij insgelijks toeschijnen, meer te boeijen dan te stichten."
--"Is dat inderdaad uwe meening? Houdt gij hem niet voor een ernstig
man? Op mij heeft hij een aangenamen indruk gemaakt. Wanneer hij daar
voor u staat met zijn hoog en breed ligchaam, zwaaijend met het
bovenlijf, zich de haren uit het gelaat strijkend, dan vergeet men,
vind ik, zijne korpulentie, zijne krassende stem en zijn groezelig
linnen, en wordt men onwillekeurig medegesleept door zijne
denkbeelden, meer nog dan door zijne woorden. Het is of hij eene
elektriseer-machine in het hoofd heeft, wier vonken hem uit de oogen
schieten."
--"Ongetwijfeld geef ik u toe, dat Lefebvre een buitengewoon man is,
en gij moet niet denken dat ik kwaad van hem spreek. Zonder dat hij
tot mijne oudste vrienden behoort, ken ik hem toch reeds sedert
geruimen tijd, en telkens als ik hem na eene korter en langer
tusschenpoos weêrzie, gelijk nu dezer dagen het geval is, word ik
versterkt in de meening dat hij de grootste hoogachting verdient. Maar
ofschoon ik over een aantal zaken even zoo denk als hij en hij zonder
eenigen twijfel een man van overtuiging is, wantrouw ik hem toch in
sommige opzigten. Ik geloof inderdaad niet, dat hij zulk een
anti-liberaal is als waarvoor hij zich uitgeeft."
--"Dat begrijp ik niet. Hetgeen hij zegt komt blijkbaar uit het diepst
van zijne ziel, en hij zou onmogelijk met zooveel vuur kunnen spreken,
indien hij niet geheel doordrongen was van de waarheid zijner
denkwijze."
--"Maar dat vuur, waarde heer, dat vuur? Let wel dat ik u van uwe
gunstige meening omtrent Lefebvre volstrekt niet wil afbrengen. Ook
ben ik niet genoeg te huis in de denkbeelden, waarmede hij voortdurend
vervuld is. Alleen schijnt het mij toe, dat hij liberaal en
konservatief onophoudelijk met elkander verwart. Wat is liberaal zijn?
Vergeef mij, dat ik zulke pedante vragen opwerp, maar ik, die niets
ben, noch liberaal, noch konservatief,--en in dat opzigt varen wij in
hetzelfde schuitje, niet waar?--ik beweer dat al wie voor iets ijvert,
met iets dweept, aan iets gelooft zoo als de menschen zeggen, liberaal
is. De ernstige behoudsman is positivist, dunkt mij en neemt de
menschen en de dingen gelijk zij zijn. Hoe doet Lefebvre daarentegen?
De vonken van het enthusiasme, gelijk gij teregt opmerkt, spatten hem
uit de oogen. Hij is in zijne soort een fanaticus, en men hoort hem
zijn konservatisme bepleiten met eene ingenomenheid, die den
trouwhartigsten liberaal niet misstaan zou. Neem mij niet kwalijk,
maar ik houd niet van zulke begripsverwarringen. Lefebvre is met al
zijne paradoxen en al zijne sarkasmen een goed man, en toch geloof ik
dat hij de lieden van het spoor brengt. Wie mede spreekt over de
publieke zaak, moet weten wat hij wil; en dat weet Lefebvre niet. Hij
dooft bij anderen juist datgene uit, waarin het aantrekkelijke van
zijn eigen persoon gelegen is; en indien ik u de gulle waarheid zeggen
mag,--mijn onbeduidende kamerheer-ceremoniemeester, met zijn
schelvischoogen en zijne vooze konstitutie, is in mijne oogen een
onschadelijker lid der zamenleving dan de geniale Lefebvre."
--"Jawel; maar men behoort in deze wereld nog iets meer dan alleen
onschadelijk te zijn. Lefebvre is in elk geval eene kracht."
--"En mijn ceremoniemeester dan? Daareven heb ik zoo onbarmhartig den
draak met hem gestoken, dat ik mij verpligt acht, nu ook iets te
zijnen voordeele te zeggen. Het is, dat hij in een ander land als het
onze, een genoeglijk leven en schoone vrouwen is gaan zoeken. Die
verdienste schijnt gering, maar in mijne schatting is zij eene daad
van toegepaste metaphysica, niet-alleen, maar van de eenige
metaphysica die onze aandacht verdient. Ik geloof namelijk aan het
bestaan van den hartstogt dien men liefde noemt, en dien ik voor mij
als den volmaaktsten vorm van het menschelijk zijn beschouw. Gij
begrijpt mij? Wanneer iemand mij komt verhalen dat hard werken zijn
lust en zijn leven is, keer ik hem in gedachte den rug toe; want
ofschoon ik zeer wel inzie dat de wereld niet zou kunnen voortduren,
indien wij niet elk op onze beurt ons inspanden, vind ik in den arbeid
iets vernederends, en zoo menigmaal een dusgenaamde werkezel mij den
lof van zijn bestaan komt zingen, gevoel ik lust hem aan zijn naam te
houden, en hem te zeggen dat hij inderdaad een langoor is. Nu, iets
dergelijks is ook het geval met alle andere quasi-genoeglijke
aandoeningen van onze ziel, de liefde uitgezonderd. Rijk te willen
zijn, beroemd te willen zijn, een eerzaam huisvader te willen
zijn, lid van de Tweede Kamer te willen zijn,--van elk dier idealen,
deze nederig, gene subliem, is zekere mate van trivialiteit
onafscheidelijk. Daaronder is er niet één... Doch ik verveel u met
mijne bespiegelingen?"
--"Neen," zeide André, "het tegendeel is waar; maar ik vraag mij af,
of ook de minnarijen van uw verloopen kamerheer niet insgelijks min of
meer triviaal waren?"
--"Natuurlijk, wel zeker," hervatte de dokter, "maar mijn kamerheer
bevond zich niettemin op den goeden weg. De soort van liefde,
waarmede hij, omdat hij een Hollander, een stumpert en een kamerheer
was, zich vergenoegen moest, beantwoordde op ver na niet aan het
begrip van dien hartstogt. Het was er eene karikatuur, eene parodie,
eene charge van. Doch dit neemt niet weg dat men met een weinig takt
zeer wel in die misvormde trekken het oorspronkelijk beeld herkennen
kan. Geen man, daar houd ik het voor, vervult zijne bestemming, indien
hij zich niet aan de vrouwen wijdt; en geene vrouw draagt haren naam
met eere, indien zij niet in staat is een hartstogt in te boezemen,
sterk genoeg om u ter wille daarvan alles te doen vergeten. Elke
vrouw, die dat vermag, is schoon, ook al zouden hare vriendinnen haar
leelijk noemen; en ziedaar"--hier barstte de dokter op nieuw in een
gullen schaterlach uit, die moest aanduiden dat hij met zijne eigen
theorien een loopje nam en er niet om gaf of hij zichzelven al dan
niet tegensprak,--"ziedaar waarom ik beweer dat er in Holland geene
schoone vrouwen zijn!"
André zou hebben willen vragen: "En Emma dan? En Lidewyde?" Doch het
was duidelijk dat Ruardi met zijne stelling niets personeels bedoelde,
en het zou belagchelijk geweest zijn, vond hij, aan diens woorden meer
beteekenis te hechten dan waarop zij aanspraak maakten.
--"Meent gij," vroeg hij, 's dokters woorden voor de leus =au sérieux=
nemend, "meent gij dat de vrouwen in Holland minder hartelijk of
toeschietend zijn dan in andere landen? Mij is dat zoo niet
voorgekomen. Ook het tegendeel niet. Het is waar, dat ik weinig in het
buitenland verkeerd heb. Maar te oordeelen naar de vreemdelingen met
wie ik nu en dan in kennis ben gekomen, zou ik zeggen dat zoowel de
mannen als de vrouwen in alle landen van Europa tamelijk veel op
elkander gelijken."
--"Nu ja," zeide Ruardi, "ik geef u toe dat de gelijkvormigheid van
menschen en van dingen een der sprekendste karaktertrekken van onzen
tijd is. Al onze mannen dragen een ronden hoed, al onze vrouwen een
hoepelrok, en men moet in onze dagen de menschen persoonlijk kennen om
Rothschild van zijn kantoorbediende, of Keizerin Eugénie van hare
modemaakster te kunnen onderscheiden. Zelfs bij de militairen vindt
men bijna geene onderscheidingsteekenen meer; en de kolonel van een
regiment huzaren in groot uniform gelijkt sprekend op zijn oppasser.
Onder ons gezegd is dat niet de beste dienst die de Fransche Revolutie
ons bewezen heeft. Het is niet natuurlijk dat elk huisonderwijzer
president van een ministerraad, elk adjunkt-kommies onderkoning van
eene kolonie worden kan. Goede onderkoningen bekomt men niet op die
wijze, maar wel ongedurige adjunkt-kommiezen. Daar is nu evenwel niets
aan te doen, en men moet de tijden nemen gelijk zij zijn. Daarenboven
zou het mij niet fraai staan, kwaad te spreken van de egaliteit. Toen
mijn piemontesche overgrootvader zich hier te lande als
schoorsteenveger kwam nederzetten, droomde hij ook niet dat zijn
achterkleinzoon eenmaal ongestraft, wat zeg ik? op uitdrukkelijk
verzoek de hagelblanke pols zou mogen voelen der meest patricische
dames. Ik beweer alleen, dat onder de oppervlakte der gelijkheid, in
onze europesche maatschappij, een bepaald verschil van rassen is
blijven voortbestaan, waaronder het hollandsche van beiderlei geslacht
vooral niet uitmunt. De Duitschers praten van kultuurvolken, en zij
houden zichzelven voor één daarvan. Ik mag het lijden, ofschoon het
mij nooit is mogen gelukken, in de duitsche beschaving iets
noemenswaardigs te ontdekken wat niet van de Franschen of de
Engelschen geborgd was. Indien de Duitschers werkelijk een kultuurvolk
zijn, zijn zij het van de nabootsing; hetgeen, let wel, in elk geval
beter is dan, zoo als wij, zelfs in de nabootsing niet uit te munten
en =traînards= te zijn tot in de assimilatie toe. De Spanjaarden en de
Italianen (moge mijn overgrootvader mij die gelijkstelling vergeven!)
hebben hun besten tijd achter den rug; zij zijn kultuurvolken geweest,
gelijk de Russen het nog worden moeten; indien althans mijn vriend
Börne het bij het regte einde had, toen hij de Moskoviten het eenige
volk van Europa noemde, van hetwelk onze maatschappij nog een weinig
bloedvernieuwing verwachten kon. Ik voor mij ben op die verversching
in het minst niet gesteld, en zoo lang er Franschen en Engelschen
zijn, vooral Franschen, geloof ik dat wij de Russen best missen
kunnen. Werkelijk zijn de Franschen het universeelste volk van de
geheele wereld. Hunne taal te radbraken is zelfs onder ons een vast
kenmerk van rusticiteit. Wanneer wij goed gekleed willen gaan,
bedienen wij ons van een franschen snijder, en iederen keer dat wij
een feestelijken maaltijd wenschen aan te rigten, nemen wij onze
toevlugt tot een franschen kok. Parijs is de stad waar het toilet van
alle toonbare vrouwen der beide halfronden vastgesteld wordt, en onze
meest orthodox-gereformeerde dames zouden niet op de openbare straat
durven verschijnen, indien hare hoeden of japonnen niet zweemden naar
de Parijsche modeplaatjes van den vorigen dag. Het is inderdaad
merkwaardig, dat eene hollandsche vrouw van den eersten rang, indien
zij voor een keer er regt achtbaar en fashionable wenscht uit te zien,
dat doel het best bereiken kan door zich te kleeden gelijk twee
saizoenen geleden de bloem der Parijsche courtisanes zich uitdoste. En
die hulde is niet onverdiend. Zulk eene Parijsche courtisane toch
staat als vrouw, ik bedoel als liefhebbend wezen, werkelijk hooger dan
de gedistingeerdste vrouwen bij ons. Noem mij zoo onbeleefd als gij
wilt, de feiten getuigen in mijn voordeel. Mij is in Nederland geene
enkele vrouw bekend, die voegzaam de heldin van een roman zou kunnen
zijn; en men moet tot Jacoba van Beijeren opklimmen,--van Beijeren,
hoort gij wel?--om in onze vaderlandsche geschiedenis een persoon
te ontmoeten, die eenigszins (en dan nog!) tot draagster zou
kunnen dienen van de edelste aandoeningen van het vrouwelijk
gemoed. Ik zeg u, de hollandsche vrouwenwereld is eene wereld
van bakers en kindermeisjes, gelijk onze mannenwereld er eene van
katechiseermeesters is."
--"Ik wenschte," zeide André, "dat mijn aanstaande schoonvader u
hoorde. Hij erkent wel, dat onze landaard tegenwoordig niet half zoo
veel te beduiden heeft als voorheen, maar gelooft toch aan het bestaan
eener hollandsche nationaliteit en is daarvan een vereerder. Hij zou
uwe invektiven beter weten te beantwoorden dan ik."
--"Ik heb de eer niet uw aanstaanden schoonvader persoonlijk te
kennen," antwoordde Ruardi, "en indien ik het genoegen had hem te
ontmoeten, zou ik waarschijnlijk mijne denkbeelden voor mijzelven
houden. Het is eene vaste gewoonte van mij, en die ik u ter navolging
durf aanbevelen, nooit te redetwisten met mannen van zekeren leeftijd
en zekere rigting. De oude heer Visscher is artist geweest, niet
waar?"
--"Geweest, ja, en in zekeren zin is hij het nog. Zijne groote
bewondering voor onze dichters en schilders der 17de eeuw doet hem
belang stellen in al hetgeen ook nu nog bij ons op dat gebied
voorvalt. Volgens hem, zouden onze kunstenaars van den tegenwoordigen
tijd slechts hun eigen voorgeslacht tot model behoeven te kiezen, om
den hollandschen naam weder tot eer te brengen. En zoo denkt hij in de
meeste dingen. In de politiek behoort hij tot geene der tegenwoordige
partijen, maar is een vaderlandlievend man, die met zijne geheele ziel
aan eene providentiële roeping van ons Vorstenhuis gelooft en maar één
programma kent: Oranje en de vrijheid."
De dokter schudde ongeloovig het hoofd.
--"Waarom houdt gij dat voor eene illusie?" vroeg André. "Is het
onnatuurlijk dat een Koning zich tot orgaan der volkswenschen maakt?"
--"Ik bid u," antwoordde Ruardi, "bewaar die vragen voor uw
eerstvolgend onderhoud met Lefebvre. Mij klinkt het programma van uwen
schoonvader in hope als een fragment uit ik weet niet welke
gedenkschriften =d'Outre-Tombe= in de ooren; doch wat bewijst dit? Ik
bemoei mij niet met politiek, en mijne vreemde afkomst maakt mij
ongevoelig voor de tooverkracht met uwlieder nationale overleveringen
en sympathien. Waarom regeert in Nederland eene familie Oranje-Nassau?
Wat beduiden die uitheemsche namen? Is uw land zoo arm aan edele
geslachten, dat buitenlanders naar hier zijn moeten overkomen om u te
regeren? Ik versta het niet en weet het niet. Van mijnheer Visschers
bondgenootschap tusschen Oranje en de vrijheid begrijp ik geen
syllabe. Uw vorstenhuis is, voor zoo ver ik oordeelen mag, nooit iets
anders geweest als de bondgenoot van =the mob=, en zijne geschiedenis is
die van eene fortuinzoekende dynastie, die er in den loop des tijds in
geslaagd is, de rol van ambtenaar te verruilen voor die van souverein.
Doch ik kwets met mijne ketterijen uwe regtzinnig-nederlandsche
ooren?"
--"Dat doet gij," zeide André, "maar het is mijne eigen schuld.
Bovendien zou mijnheer Visscher u niet toegeven, dat de Hollanders
geene natie zijn, alleen omdat de grondlegger van hunne nationaliteit
een vreemdeling geweest is. Er is eene hollandsche kunst en eene
hollandsche litteratuur geweest, beweert hij; en zoo lang Holland
bestaat, is er mogelijkheid dat die kunst en die litteratuur
terugkomen. Het zijn de besten die zich beteren, volgens hem."
--"Beterschap is een woord", zeide de dokter, "waarvan de medici zich
uit goedhartigheid bedienen in den dagelijkschen omgang met
individuen, doch waarvoor in het leven der volken geene plaats is. Men
is eene natie, of men is het niet."
--"Men zou kunnen opgehouden hebben het te zijn, en het niettemin
naderhand weder kunnen worden", meende André.
--"Wel mogelijk," was het antwoord; "doch voor de Hollanders, die te
geener tijd eene natie geweest zijn, is die troostgrond zwak. De
Japannezen zijn het eenige volk der aarde, dat zich ooit ingespannen
heeft om uwe taal te leeren; en nu eindelijk voor hen het oogenblik
gekomen is om voor die moeite beloond te worden, kunnen zij met uwe
wanspraak nergens teregt. Is dat een bewijs van nationale kracht? Is
het dat van de zijde van een volk, dat twee honderd en vijftig jaren
lang in het bezit geweest is van de prachtigste kolonien en met de
geheele wereld handel gedreven heeft? Geloof mij, eene natie wier taal
men ontberen kan, telt niet mede in de rij der volken. Wanneer de
wereldgeschiedenis haren gang kan gaan, zonder notitie van u te nemen;
wanneer zij zichzelve zou moeten benadeelen en stil zou moeten staan,
om zich met u onledig te kunnen houden,--deedt gij beter, zooals de
boeren zeggen, eijeren voor uw geld te kiezen. Er is een tijd geweest,
nu ja, dat Holland eene plaats in den europeschen kabinetsraad had;
doch op welken voet? Niet uwe beschaving deed u den toegang tot dien
areopagus verwerven, maar uwe schaggeraarsnatuur. Gij zijt een
tijdlang de woekeraars van Europa geweest; en daarin heeft het
voornaamste punt van overeenkomst tusschen u en het volk Israel
bestaan. Doch toen uw geld op was, hebben de welopgevoede natien u den
rug toegekeerd, even als aan de akademien de jongelui van goeden huize
wel voor eene poos omgang houden met den vermogenden kinkel die hun
oesters voorzet en champagne schenkt, maar hem aan zijn lot overlaten
zoodra het uitlekt dat zijn vader bankroet gemaakt heeft. Gij zijt,
met uw verlof, te allen tijde de risée en de dupe van Europa geweest;
en alleen het isolement, waartoe gij vervallen zijt, is oorzaak dat
het menschdom,--hetwelk thans van die dingen geene kennis neemt en dan
ook waarlijk zijn vrijen tijd nuttiger besteden kan,--niet nog
dagelijks schatert van lagchen om al die boeken en bladen waarin gij u
zelven honig om den mond smeert, uwe mediokriteiten tot den rang van
geniën verheft, en uwe voorvaderen groot noemt, in de hoop dat uwe
kinderen niet bemerken zullen hoe klein gij zijt."
--"Ik geloof inderdaad niet," zeide André, "dat mijnheer Visscher zich
door uwe beschouwingswijze van zijn stuk zou laten brengen. Niets zou
ons verhinderen, volgens hem, weder een toonbaar volk te worden,
gelijk gij het noemt, indien wij ons op nieuw leerden onderscheiden
door onze degelijkheid. Wij zouden dan wel niet kunnen wedijveren,
gelijk voorheen, met de Engelschen of de Franschen, en zelfs niet met
de Duitschers, maar dit zou niet beletten, dat wij onder de volken van
den tweeden rang eene eervolle plaats konden innemen."
--"Mijn lieve mijnheer Kortenaer," antwoordde de dokter, die op zijne
wijze van lieverlede ernstiger geworden was en nu bijna gemoedelijk
werd, "ik herhaal dat ik voor uw aanstaanden schoonvader den meest
mogelijken eerbied heb en hem gaarne voor een merkwaardig man houd;
doch neem mij niet kwalijk, dat ik zijne denkbeelden droomerijen noem.
Hoe kan eene natie weder in het bezit komen van eene eigenschap, die
zij verloren heeft? Dat is zuiver woordenspel. Nationale deugden zijn
geene verdwaalde wandelstokken of doekspelden, waarvan de kommissaris
van politie in de courant adverteert dat de eigenaren ze aan zijn
bureau terugbekomen kunnen. Doch al konden uwe Hollanders zich de
voorvaderlijke degelijkheid op nieuw eigen maken,--houd mij ten goede
dat dergelijk ondernemen mij toeschijnt een even onbegonnen werk te
zijn als uit het venster te gaan liggen, ten einde zichzelven te zien
voorbijgaan op de straat,--die degelijkheid, waarmede mijnheer
Visscher zoo ingenomen is, vormt mijns inziens juist een voornaam
beletsel tegen uwlieder toenemen in beschaving. Predik degelijkheid
aan een Franschman, en ik zal u begrijpen; want in het fransche
volkskarakter is die kwaliteit niet in zoo ruime mate voorhanden, dat
zij niet nu en dan aanmoediging zou behoeven. Predik degelijkheid aan
de Spanjaarden, de Italianen, de Mexikanen, de Mohikanen, aan wie gij
wilt. Doch wanneer ik haar u aan de Hollanders hoor verkondigen,
verbaas ik mij. Gij kondt even goed tot hen zeggen: Lieve vrienden,
gij zijt geboren lummels; draagt derhalve vooral zorg, dat gij den
hoogsten trap der lummelachtigheid bereikt. Neen, indien gij van uw
volk nog iets maken wilt, en gij niet vreest den moriaan te zullen
schuren, leer den Hollanders urbaniteit, goede manieren, een goeden
toon; bovenal, leer hen omgaan met vrouwen. Gij spot met mij, omdat ik
telkens op hetzelfde aanbeeld sla; en ik ben op dat punt, ik erken
het, een weinig monomaan. Doch zeg mij, zou uw aanstaande schoonvader,
die zulk een bewonderaar der oude hollandsche schilders is, zou hij in
staat zijn één doek dier heeren te noemen, waarop een aanvallig
vrouwenbeeld voorkomt? Ik laster uwe nationale schilderschool niet,
dat spreekt; maar dit durf ik volhouden, dat men in de italiaansche of
de spaansche kunst een volslagen vreemdeling moet zijn, om niet te
gevoelen dat de uwe in sommige voorname punten jammerlijk te kort
geschoten is. Van Rafael, van Titiaan, van Murillo, van Velasquez, van
honderd andere schilders uit die scholen, weet men de schoonste
vrouwelijke typen te noemen; beelden, waarop het verste nageslacht
met bewondering staren zal en bij wier aanschouwen men door de hoogste
verrukking wordt medegesleept. Doch uw Frans Hals en uw Van der Helst,
wat hebben zij geschilderd en aan welke onderwerpen hebben zij hunne
beste krachten verspild? Schuttersmaaltijden, op mijn woord van eer!
waar men het vet der karbonaden langs de vingers der onhebbelijke
gasten ziet druipen, en de rhijnsche wijn hunne wangen zoo rood ziet
kleuren als de kalkoensche hanen, die zij meteen naar binnen zullen
slaan. Loopt er temet een vrouwenbeeld onder hunne voorstellingen, het
gelijken altegader hofjesjufvrouwen, regentessen van weeshuizen, met
gezigten om bang van te worden, en in het kostuum eener strafkolonie.
Rembrandt in persoon maakt geene uitzondering op dien regel, en ik
noem het karakteristiek, dat de bloem zijner vrouwenportretten eene
dame in de interessantste van alle positien voorstelt. =Low life=, ziet
gij, =low life= is het natuurlijk element van uwe groote hollandsche
schilders geweest; en dat veroordeelt hen. Zij hebben geen oog gehad
voor den hoogsten vorm der schoonheid, of indien al, geen talent
genoeg om dat schoon te reproduceren."
--"Heine beweert," zeide André, "dat Jan Steen een even groot schilder
geweest is als Rafael."
--"Met die autoriteit kan het u geen ernst zijn, waarde heer,"
antwoordde de dokter. "Wie ontkent dat Heine de grootste europesche
schrijver is van den nieuwen tijd? De eenige, misschien, die nooit
verveelt, maar altijd nieuwe denkbeelden bij u opwekt? De onzigtbare
weldoener en verlosser van eene in de pedanterie verzonken
maatschappij? Doch wat hij van de godsdienst der vreugde zegt, die Jan
Steen vertegenwoordigen zou, in onderscheiding van de door Rafael en
zoo vele anderen in beeld gebrachte godsdienst der smart, is hoogst
eenzijdig. Hij droomt van een tijd dat de nachtegalen vrijheid zullen
hebben om naar hartelust hier beneden hunne blijde kreten te slaken:
doch noemt gij het vreugde, met eene bierkroes in de hand en met den
arm om het midden van eene dikke boerenmeid, in de gelagkamer van een
dorpsherberg de horlepijp te dansen? Geloof mij, het staat met de
slemppartijen van Jan Steen als met die van Frans Hals: de roem dier
voorstellingen is in zekeren zin de schande van uw land. Voor het
overige doet het mij genoegen dat gij Heine leest, en derhalve nog in
iets anders smaak hebt als in den kost dien uwe landslieden u
voorzetten."
--"Ik verdien dat kompliment maar half, dokter, niet-alleen omdat ik
Heine slechts zeer oppervlakkig ken, maar ook omdat ik werkelijk tot
de vereerders behoor van sommige onzer vaderlandsche auteurs."
--"Hoe is het mogelijk!" riep Ruardi, de handen ten hemel heffend.
"Neen, dan moet ik u zeggen dat uwe schilders, hoe veel er ook op hen
aan te merken zij, toch altijd nog hooger staan dan hunne
kunstbroeders met de pen. Waarom bestaat er geene leesbare
geschiedenis van uwe letterkunde? Omdat, lieve vriend, zelfs een
fransche kok een haas noodig heeft om hazepeper te kunnen maken. Een
volk, dat nooit een eigen denkbeeld vertegenwoordigd heeft; altijd, om
zoo te zeggen, op den boer heeft gereisd; nooit iets anders heeft
gedaan als navolgen en achteraan komen,--zulk een volk, dat spreekt,
heeft geene litteratuur die het de moeite waard zou zijn te boek te
stellen; en men rigt dan ook bij u standbeelden op voor letterkundige
grootheden wier werken zoo weinig gehalte bezitten, dat wie beproeven
wil, ze in eene beschaafde taal over te brengen, het er stelselmatig
op aflegt. Ik heb evenmin verstand van litteratuur als van politiek,
en verzoek u daarom, aan mijne meening niet meer waarde te hechten dan
zij verdient; doch niemand heeft ooit in mijne oogen een juister
oordeel over uw proza en uwe poëzie geveld dan de oude Disraëli,
wanneer hij van u zegt dat bij eene natie, wier litterarische
producten de middelmatigheid niet te bovengaan, het middelmatige voor
uitstekend geldt, en hetgeen zulk eene natie meesterstukken noemt, in
vergelijking van hetgeen beschaafder volken voortgebragt hebben,
slechts knapenwerk is. Kent gij een hollandschen roman, een hollandsch
drama, een hollandsch dichtwerk, waarin eene heldin voorkomt, die gij,
ik zeg niet voor uwe grootmoeder of voor uwe schoonmaakster, maar voor
uwe vrouw zoudt willen hebben? Ik niet. Men klaagt dat uwe
welopgevoede dames die boeken versmaden, en aan fransche romans, soms
van het ligtst allooi, de voorkeur geven; men noemt het ergerlijk, dat
fatsoenlijke hollandsche meisjes, die uit volle borst van: "=O mon
Fernand!=" en van: "=Robert! toi que j'aime=" zingen, wanneer men haar
een minnedichtje van Hooft in handen geeft, aan het ginnegappen en
blozen slaan. Doch niets is mijns inziens natuurlijker. De liefde, die
de zenuw der romantiek is, heeft te allen tijde bij u om brood
geloopen; doch tevens is die hartstogt zulk een tiran, dat gij hem
hulde bewijst in de vormen van het buitenland. Missen kunt gij hem
niet; maar wanneer hij uwe taal spreekt zet gij het op een loopen. Hij
mag zichzelven bij u ridikuul maken; mag het idioom uwer achterbuurten
nabootsen; mag optreden in de gedaante van een korporaal, die een
dienstmeisje aan zijn hart drukt. Zoodra hij zich evenwel verstout,
eene sport hooger te klimmen op den maatschappelijken ladder en hij
het ernstig begint te meenen, beleeft men tweederlei verschijnsel: de
kunst uwer dichters schiet dan eensklaps te kort, en de natuurlijke
terugwerking van dat onvermogen is, dat men hen uitlacht of van hen
walgt."
--"Zoodat?" vroeg André, oprijzend om te vertrekken.
--"Zoodat," antwoordde de dokter, hem tot afscheid de beide handen
drukkend en eensklaps zijn gewonen lagchenden toon hernemend, "sommige
jeugdige Nederlanders van geluk mogen spreken, de toekomstige
echtgenooten te zijn van meisjes, zooals Rembrandt ze niet geschilderd
en Hooft ze niet bezongen heeft."
Aldus korrigeerde dokter Ruardi, met meer valsch vernuft dan echte
logica, hetgeen hij de fout van zijnen vriend Lefebvre noemde:
jongelieden minachting in te boezemen voor andersdenkenden.