Het kantoor van Adriaan Dijk was in het geheel niet een dier
wijdluftige gebouwen gelijk in onze eeuw het Krediet in alle groote
steden doet verrijzen. Het geleek noch op een spoorweg-station, noch
op een ander Felix Meritis. Ook was het geen vertimmerd heerenhuis uit
den goeden ouden tijd, welks nieuwe en welligt insolide bestemming
herkend wordt aan een geschilderd naambord boven of nevens de deur.
Het was--en deskundigen mogen beslissen of de goede zaak der
architektuur hierbij won of verloor--het was een pakhuis, zes zolders
hoog, met eene reusachtige poort tot hoofdingang, aan wier eene zijde
zich twee of drie zoo niet bewoonbare, of overvloedig verlichte, dan
toch ruime en stevig gebouwde vertrekken bevonden. Gedurende even zoo
vele geslachten op zijn minst als het pakhuis verdiepingen telde, had
de firma Dijk in het voornaamste dier vertrekken--in de twee anderen
arbeidden een boekhouder en klerken--zaken gedaan; en dat die zaken
niet onvoordeelig waren geweest, daarvan getuigde de meer dan gewone
welvaart, te midden waarvan het tegenwoordig hoofd der firma leefde.
Het was een familietrek in dit geslacht, dat zijne leden van oudsher
de toepassing van het begrip comfort voor hunne woonhuizen bewaard
hadden, en hun geld hadden verdiend in eene werkplaats, die meer naar
eene spelonk dan naar eene kamer geleek. De vader, de grootvader, de
overgrootvader,--al de Dijken hadden het gedurende tien of twaalf uren
daags voor lief genomen met een vertrek, welks donkergeel geverfde
zolder van lieverlede zwart gewalmd was, eerst door smeerkaarsen,
later door olielampen, nog later door gasvlammen; welks wanden
beschoten waren met getraliede schuifdeuren, waarachter grootboeken en
journalen van ouder en jonger dagteekening grijnzend in het gelid
stonden geschaard; welks eentoonige aanblik alleen afgewisseld werd
door eene stijve dekoratie van opgeplakte kantoor-almanakken, en in
welks midden, als eenig en sober ameublement, eene groote dubbele
lessenaar stond voor vier personen, omgeven door even zoo vele
ouderwetsche leuningstoelen van bruingeschilderd hout met zittingen
van weleer zeegroen katoen-damast. Toen Adriaan nog een kind was en
zijn vader hem somtijds medenam naar het kantoor, had hij van dat
alles weinig of niets bemerkt; hij wist toen niet beter, of het
behoorde zoo. Naderhand, in zijne dandy-dagen, had hij er zich aan
geërgerd en was het voorvaderlijk kantoor hem toegeschenen, het
voorkomen aan te bieden van een paardenstal. Thans, en sedert hij zelf
als chef van het huis was opgetreden, gevoelde hij zich in dien stal
volkomen op zijn gemak. Hij prees nu zijne voorouders om de scheiding
die zij gemaakt hadden tusschen hunne tabak en hunne weelde; zou aan
dat dualisme, dat hij zoo niet als een onderpand van soliditeit, dan
toch als een zinnebeeld daarvan had leeren aanmerken, niets hebben
willen veranderen, en sleet met een gerust geweten het grootste
gedeelte zijner dagen aan de zijde van een venster, dat geen ander
uitzigt aanbood als de bijna eenzame kade der achtergracht waaraan het
pakhuis gelegen was.
--"Ga zitten, Ruardi," zeide hij, toen de dokter op het bepaalde
middaguur eensklaps voor hem stond. "Gij zijt een man van de klok."
--"Is uw neef nog niet hier?"
--"Zoo als gij ziet; maar ik twijfel niet, of wij zullen hem
onmiddelijk zien verschijnen. Ik heb Sarah opgedragen hem te
verwittigen dat hij u van middag hier vinden zou; en Sarah vergeet
zulke dingen niet ligt."
--"Is het al bepaald, dat het meisje van uw neef hier zal komen
logeren?"
--"Nog niet; maar ik kan niet gelooven, dat daartegen eenig bezwaar
zou bestaan. Er wordt heden aan haar geschreven, meen ik, en de brief
moet op dit oogenblik reeds verzonden zijn."
--"Kunt gij het vinden met uw logé?"
--"Tot nog toe uitmuntend. Eerst vreesde ik dat Lidewyde hem het leven
een weinig zuur zou maken, en hij geen lust zou hebben om te blijven.
Doch het tegendeel is het geval: Lidewyde heeft hem bepaald =en amitié=
genomen."
--"Hij is ingenieur, niet waar? En zijn meisje is eene jufvrouw
Visscher? Kent gij die familie? Oppervlakkig geoordeeld zou men meenen
dat uw neef over eenigen tijd gemakkelijk een ander en beter huwelijk
had kunnen doen."
--"Onder ons gezegd, ik geloof dat zijn oom Timmermans, aan wien hij
veel verpligting heeft, er insgelijks zoo over denkt. Doch dat zijn
zaken waarmede ik mij niet inlaat. Ik vind hem een aardigen jongen, en
naar ik hoor is jufvrouw Visscher een allerliefst meisje."
--"De ingenieurs zijn tegenwoordig in de mode. Er wordt bijna geen
fransche vaudeville vertoond waarin niet een ingenieur voorkomt."
--"Zijt gij bang dat zij de dokters verdringen zullen?"
--"Wat mij betreft, mogen zij dat veilig doen; doch ik geloof niet,
dat zij de konkurrentie zullen kunnen volhouden. Zijn eenmaal overal
spoorwegen aangelegd, dan zullen de ingenieurs, die nu zulke goede
diensten aan de tooneelpoëzie bewijzen,--en geen wonder, want zij zijn
de meest portative sujetten van onzen tijd en men kan ze, even als
champignons, overal laten opschieten,--van zelf weder van de planken
verdwijnen. De dokters daarentegen blijven eeuwig jong, en nog over
twee duizend jaar zullen zij even onvermijdelijk zijn op het tooneel
als in de wereld."
--"Lefebvre praat over de advokaten even als gij over de dokters."
--"Nu, daar doet hij zoo dom niet aan. Zoo lang het menschdom niet
uitgestorven is, zal het groote publiek te goeder trouw aan de
onmisbaarheid van dokters en advokaten blijven gelooven. Mij is het
wel. Maar daar is de man in levendigen lijve!"
--"Wie? André Kortenaer?"
--"Wel neen? Zie maar eens uit."
Juist toen Dijk het hoofd omwendde, ten einde onder de voorbijgangers
den persoon te onderscheiden dien Ruardi bedoelde, zag hij iemand,
wiens slordige kleeding en zwaaijende gang geen twijfel overlieten
omtrent zijne identiteit, de poort van het pakhuis binnentreden, en
hoorde hij met eene krijschende stem aan een der klerken in het
voorvertrek de vraag doen: Of hier het kantoor van mijnheer Dijk
gehouden werd en of mijnheer te spreken was? Dijk rees op, opende de
deur en riep met de kruk in de hand:
--"Kom binnen, mijnheer Lefebvre, kom binnen, als ik u verzoeken mag.
Wij zijn onder ons. Er is niemand hier als mijn vriend Ruardi, dien
gij kent, en voor wien wij geen van beiden, geloof ik, geheimen
hebben."
--"Bonjour, Ruardi," zeide de binnentredende, den netten dokter eene
breede ongewasschen hand toestekend, die intusschen zonder
pligtplegingen aangenomen werd. "Hoe maakt gij het sedert gisteren?
Indien gij niet meer geheimen hebt voor ons als wij voor u, zijt gij
een man om in een glazen huis te wonen. Wat dunkt u? Zal onze vriend
Dijk de reis halen? Zal het ons gelukken, in zijn persoon een man in
de kamer te brengen op wien de liberalen zich de tanden stomp zullen
bijten? Ik voor mij heb goeden moed. Beweert men dat hij laauwe
vrienden en heete vijanden heeft, van het eerste is mij tot heden
niets gebleken. Al de personen, die ik in den loop van den ochtend
gesproken heb, schenen mij vol ijver. Zijne onze vijanden fel, zij
zijn tevens onmogelijk; en wij zullen met die gezegende infirmiteit
ons voordeel weten te doen. Eene partij die alleen oppositie maken,
maar niet regeren kan, moet eindigen met het onderspit te delven."
--"Gij zijt optimist, mijnheer Lefebvre," zeide Adriaan. "Geloof mij,
er zal eene zware wijs op gaan om mijne kandidatuur te doen slagen, en
zonder slapelooze nachten kom ik er niet."
--"Slapelooze nachten, waarde heer? Indien ik voorzag dat de politiek
mij een uur van mijne kostelijke nachtrust rooven zou, kreeg zij voor
goed haar afscheid. Neen, mag ik u een goeden raad geven, en ziedaar
de reden van mijne komst, vraag dan in de volgende week, of in de week
daarna,--op eenige dagen vroeger of later komt het niet aan,--een
dozijn personen, die ik u noemen zal, bij u te gast. Ik heb in mijne
gesprekken met dezen en genen laten doorschemeren dat het plan daartoe
bij u bestond, en meen opgemerkt te hebben dat men van die gelegenheid
om u nader te leeren kennen gaarne gebruik maken zou. Doch geen diner
van enkel heeren, wat ik u bidden mag! De wereld moet weten, dat een
konservatief kandidaat een gezellig schepsel is. Er moeten dames van
de partij zijn. Belooft gij mij dat? Belooft gij op uw woord van eer
dat gij met mevrouw Dijk zult zamenspannen om het uwe gasten zoo
aangenaam mogelijk te maken? Nu dan, geen woord meer daarover. Ook de
aanzienlijkste kiezers zijn gevoelig voor een keurig onthaal, en het
is zonder voorbeeld in de parlementaire jaarboeken, dat iemand, wiens
soep naar den rook of wiens wijn naar de kurk smaakte, zich een
toonbaren aanhang verworven heeft."
De man, die aldus den makelaar in verkiezingen uithing en de politiek
van het cynisme in zijne banier scheen geschreven te hebben, stond in
de meeste opzigten hooger dan zijn programma. Wie wilde mogt met hem
in meening verschillen, doch aan zijne goede trouw viel evenmin te
twijfelen als aan zijne bekwaamheden. Zoon van een predikant, had men
hem indertijd als eene van zelf sprekende zaak naar de akademie
gezonden om te studeren in de theologie; doch zijne vaardigheid in het
ledigen van halve ankers rooden wijn was niet de eenige drijfveer
geweest die hem achtereenvolgens, met veronachtzaming der vaderlijke
wenschen, in de letteren en in de regten had doen promoveren. Het
pleitte voor zijne opregtheid, dat hij eene loopbaan vaarwel gezegd
had, waarin hij niet minder aan zijne natuur dan aan zijn verstand
geweld zou hebben moeten aandoen; en die daad had aan zijne geheele
levensbeschouwing eene andere rigting gegeven. Zoo lang het vaststond
dat hij predikant zou worden, haatte hij de christelijke dogmatiek met
een mohammedaanschen haat, en zou hij, met den Sultan van Bantam, aan
drie vrouwen en één God ver weg de voorkeur gegeven hebben boven drie
Goden en ééne vrouw. Doch zoodra had hij geene vrijheid bekomen om
zich in zijne natuurlijke rigting te bewegen, of hij was een opregt
vereerder geworden dierzelfde Kerk, als wier dienaar hij nooit iets
anders zou hebben kunnen zijn als een wolf in schaapskleederen. Zelfs
in zijne vereering van =la Dive Bouteille=, gelijk hij met
rabelaisiaansche spotternij zijn zwak voor de vrucht van den wijnstok
plagt te bestempelen, was eene verandering ten goede gekomen: hoe
slordig hij er bleef uitzien, en hoe verward zijne sluike zwarte haren
hem over het voorhoofd bleven hangen, op zijne matigheid viel voortaan
niets af te dingen. Sommigen misprezen het in hem, dat hij in strijd
met zijne antecedenten van lieverlede een behoudsman was geworden. Men
noemde dit verschijnsel abnormaal, zag er eene inconsequentie in, en
schreef het aan zekere zucht tot tegenspraak toe, die niet zelden
pleegt aangetroffen te worden bij menschen met buitengewone
bekwaamheden, wel is waar, doch niet buitengewoon genoeg om hen met
het voorwerp hunner eigen antipathie zich in hoogeren kring te doen
verzoenen. Misschien was hij van dat gebrek niet geheel en al vrij, en
personen die hem ongaarne lijden mogten waren in hun regt, wanneer zij
hem een paradoxenjager noemden; doch wanneer men hem het beloop van
zijnen overgang, uit de eene orde van denkbeelden tot de andere hoorde
verhalen, moet men erkennen dat zijne redenen, vergelijkenderwijs, den
toets konden doorstaan. Het liberalisme was tegelijk een ideaal en
eene negatie, beweerde hij; zoodat men, om aan die rigting getrouw te
blijven, haar alleen moest toepassen op een denkbeeldig gebied, gelijk
dat der wetenschap, maar niet beproeven moest, haar eene plaats te
verzekeren in de praktijk. Historische studiën waren in den loop des
tijds zijne specialiteit geworden, en als historicus was hij de
vrijgevigheid in persoon. De nakomelingschap, meende hij, had regt op
elk dokument, hoe bedenkelijk ook voor sommige nagedachtenissen; en
bij uitnemendheid illiberale onderzoekers, in zijne oogen, waren zij,
die ter wille van eene geliefkoosde opinie of van eene dierbare
persoonlijkheid uit den voortijd, feiten verdonkermaanden of ondeugden
vergoêlijkten. Doch men moest niet bij hem aankomen met het beweren,
dat dezelfde soort van kritiek, die zulk een uitmuntend werktuig tot
reconstructie van het verledene vertegenwoordigde, ook in staat was
iets op te bouwen voor het tegenwoordige of voor de toekomst. Toen hij
liberaal was, haatte hij de maatschappij, was zijn zeggen, en zou het
zijn grootste lust geweest zijn alles onderst boven te werpen; en ten
bewijze van de opregtheid zijner conservative gevoelens voerde hij
aan, dat de geest der echte humaniteit eerst vaardig over hem geworden
was, nadat hij zich ontslagen had gevoeld van de verpligting, zich een
hervormer te heeten, ten einde straffeloos een slooper te kunnen zijn.
Gedienstige vereerders noemden Lefebvre een genie; en zij grondden die
meening op het feit dat hij alle talen van den aardbodem verstond en
de wereldgeschiedenis van buiten kende. Volgens anderen daarentegen
was hij een warhoofd, misschien uitermate geschikt om bibliotheken te
ordenen en voor snuffelaars den weg te banen, doch niet bestemd om
immer zelf iets te leveren, hetwelk door een volgend geslacht naar
zijn naam genoemd zou worden, en in elk geval bij zijn leven
veroordeeld tot den omgang met lieden, die niet in zijne schaduw
konden staan. Voor zoover Dijk en Ruardi betrof, was van dit laatste
werkelijk iets aan; of, zoo de dokter in sommige opzigten, wanneer
het niet op studie of nadenken, maar op intelligentie en aangeboren
doorzigt aankwam, zijn evenknie mogt heeten, de koopman stond in elk
geval ver beneden hem. Adriaan Dijk begreep geen iota van Lefebvre's
transcendentale behoudsleer. Hij was konservatief, omdat zijn aard dit
medebragt, en omdat de Aprilbeweging, gelijk hij in vertrouwelijke
oogenblikken erkende, hem de oogen geopend had. Tien of vijftien jaren
geleden--want de meeste menschen hebben overlast van zeker =trop plein=
des gemoeds en wie daarvoor geene afleiding vindt bij zijne vrouw of
zijne kinderen werpt zich alligt in de armen der publieke zaak,--zou
hij gemeend hebben, het doel van zijne eerzucht niet anders te kunnen
of te mogen bereiken als onder het opsteken eener vrijzinnige vlag.
Doch sedert 1853 was daarin verandering gekomen. Van dien tijd af,
zeide hij, had hij het protestantisme leeren beschouwen, niet-alleen
als een voornaam, maar als het deugdelijkst element van den publieken
geest in Nederland en Europa. Voortaan onderscheidde hij de volken in
roomsche en protestantsche; hield het voor uitgemaakt dat aan
laatstgenoemde de toekomst behoorde, en zag in de geschiedenis der
jongste vijftig of zestig jaren,--niet de opkomst van den stoom en van
de telegrafie,--maar de lotgevallen van het stuiptrekkend romanisme,
zijne uiterste, maar nog altijd geduchte krachten verzamelend tot
eenen strijd op leven en dood met een providentieel mededinger en
voorbestemd overwinnaar. De nagedachtenis van Koning Willem I werd
door hem in eere gehouden, omdat die Vorst in 1830 en vroeger, gelijk
Adriaan het noemde, niet voor "den priester" had willen buigen;
terwijl het bondgenootschap tusschen katholieken en liberalen hier te
lande, in 1848 gesloten en in 1853, volgens hem, aan het licht
gekomen, in zijne oogen vooral hierom bedenkelijk was, omdat daardoor
aan eene kleine, maar schrandere en digt aaneengesloten roomsche
minderheid in de Kamer, welke bij menige stemming naar welgevallen den
doorslag geven kon, de koorden der nationale beurs in handen werden
gespeeld. Zijn protestantisme, gelijk men ziet, stond niet
rechtstreeks in verband, hetzij met braafheid of godsdienstigheid,
hetzij met regtzinnigheid in de leer. Doch het was van eene
konservative soort. Het beteekende handhaving van de gemengde school
als anti-papistische instelling; van het kultuurstelsel als schepping
van Koning Willem I, die de roomschen had aangedurfd; van het
koninklijk gezag en van de prerogativen der Kroon als tegenwigt tegen
het bondgenootschap van liberalen en katholieken. Een welligt
onwijsgeerig, maar daarom niet minder welgemeend programma.
--"Mag ik binnenkomen?" vroeg iemand, die reeds een paar malen
vruchteloos had aangeklopt en nu het hoofd om het hoekje der deur
stak. "De heeren zijn zoo druk aan het redeneren en hunne gedachten
bewegen zich in zulke verheven kringen, dat een gewoon sterveling
vergeefsche pogingen aanwendt om gehoor te erlangen. Wordt er
kiesvergadering gehouden? Ben ik overkompleet?"
--"In het minst niet, André," zeide Dijk, "kom gerust binnen. Ik vraag
verschooning dat wij u onbehoorlijk lang antichambre hebben laten
maken."
--"Volstrekt niet overkompleet, mijnheer Kortenaer," voegde Lefebvre
er bij. "Verheugd u hier weêr te zien. Maar het is niet aardig van u,
glossen te maken op onze luidruchtigheid. Is het wel, Ruardi? Gij
vooral, die eene stem hebt als eene primadonna, moogt u dat verwijt
niet laten aanleunen."
--"Toch wel," zeide Ruardi. "Wij hebben alle dingen gemeen en zijn
solidair aansprakelijk voor elkanders keelgeluiden. Bovendien heeft
mijnheer Kortenaer groot gelijk, wanneer hij een weinig den draak
steekt met onze debatten. Mag ik u welkom heeten te M., mijnheer
Kortenaer, en mij aanbevelen in uwe vriendschap?"
--"Ik bemerk," antwoordde André, "dat mijn neef niets te veel gezegd
heeft, toen hij voorspelde dat dokter Ruardi mij met de meeste
voorkomendheid bejegenen zou. Doch gij maakt mij verlegen, dokter. Het
is aan mij, om mij aan te bevelen, ik zal zeer erkentelijk zijn,
indien ik mij bij dezen en genen, gedurende mijn verblijf te M., op u
beroepen mag."
--"Kom morgen of overmorgen op ditzelfde uur een praatje bij mij
maken, indien gij lust hebt; dan zal ik u van de M'sche heeren en de
M'sche dames, de M'sche licht- en de M'sche schaduwzijden alles
vertellen wat ik er zelf van weet."
--"Neem u in acht, mijnheer Kortenaer," krijschte Lefebvre, die heden
bijzonder goed gemutst was en daardoor nog luider sprak dan
gewoonlijk. "Dokter Ruardi is een menschenhater en welsprekend. Hij
zal u van deze goede stad en van hare inwoners een donker tafereel
ophangen."
--"Indien zulke tafereelen niet dienstig zijn voor uw gemoed,"
antwoordde de dokter, "draag dan zorg, mijnheer Kortenaer, dat gij de
woonplaats van mijn vriend Lefebvre mijdt, en sla, indien hij u
verleiden wil hem daar een bezoek te komen brengen, zijne uitnoodiging
wijsselijk af. Hij zou door zijne verhalen van hetgeen in het
doodonschuldige T. voorvalt niet-alleen uwen eetlust bederven en uwe
nachtrust verstoren, maar, wat erger is, uwe vaderlandsliefde
ondermijnen."
--"Gekheid!" riep Lefebvre, door 's dokters beschuldiging op een van
zijn geliefkoosde =topics= gebragt. "Luister niet, mijnheer Kortenaer,
naar den boozen raad van dezen Achitofel, en houd u verzekerd dat het
u niet berouwen zal, indien het toeval, wat zeg ik? indien uwe
gelukster u vroeg of laat naar het eerzame T. voert. Zou ik de stad
mijner inwoning lasteren? Die bakermat van het liberalisme? Eer
vergete mijne regterhand zich zelve! Misschien hebt gij hooren
verhalen, mijnheer, dat T. eene plaats is, waar de dienst van Amor
naar evenredigheid meer volgelingen telt dan in eenige andere stad van
Nederland; doch ik beroep mij op uw gezond verstand en vraag, of die
beschuldiging, indien zij niet veeleer eene hulde verdient te heeten,
niet de onwaarschijnlijkheid-zelve is? T. is eene stad met dertig
duizend inwoners, mijnheer, en het kan niemand bevreemden, dat op eene
bevolking van twee synagogen, vijf roomsche en zeven gereformeerde
kerken, een half dozijn galanterie-winkels aangetroffen worden. Doch,
geloof mij, aan andere galanterien wordt te T. niet gedaan. Men zal u
verhalen dat het jongste kind van onzen burgemeester sprekend gelijkt
op den kolonel van ons garnizoen, of dat de vrouw van den
schout-bij-nacht op non-aktiviteit, dien T. de eer heeft te
huisvesten, de hand heeft in de voordragten van den president onzer
arrondissements-regtbank. Geloof het niet, mijnheer; of liever, kom
met eigen oogen die heeren en die dames aanschouwen, kom hunne
konversatie aanhooren, wees getuige van hunne gezellige bijeenkomsten,
en wanneer gij de insipiditeit zult hebben zien heen en weder
fladderen van de schamele borst van mevrouw X. naar den breeden schoot
van mevrouw Y., wanneer gij de maagdelijke Célestine Z. met de
aanminnigheid eener geit zult hebben zien glimlagchen om de
dubbelzinnigheden van den luitenant A. of de naïveteiten van mijn
konfrater, den advokaat B., zult gij mij zeggen of T. er al dan niet
de plaats naar is om aan Clarissa's tot geboortestad of aan Lovelace's
tot oord van ballingschap te verstrekken. Neen, mijnheer, wij van T.
zijn een eerbaar en ordelijk volk; een volk van katoenspinners en
garentwijnders, van landbouwers en veehoeders. Van de weinige
hartstogten, die ons kwellen, genezen wij ons door een overvloedig
gebruik van mout-extrakt, en onze eenige eerzucht is, de liberaalste
stad van Nederland te zijn of daarvoor door te gaan. Wilt gij een
staaltje van onze virtuositeit op dit gebied? Tot voor weinige jaren
hadden wij eene speelbank, die wel niet met de banken van Spa of
Homburg kon vergeleken worden, maar toch dit goede had, dat zij een
subsidie van vijfentwintig duizend gulden 's jaars aan onze opera
uitkeerde. Voor dat geld engageerden wij tenors en baritons, sopranen
en alten, zoo veel wij noodig hadden; en in dien tijd bezat T. een
theater, dat, hoe klein en nederig ook, met de beste uit het land
wedijveren kon. Het was een centrum van beschaving, en twee-of
driemalen in de week vonden wij er eene weldadige verpoozing van onzen
arbeid. Doch naarmate wij toenamen in liberalisme, gingen allengs onze
oogen open. Wij petitioneerden bij den gemeenteraad om opheffing der
zedelooze speelbank die de zenuw onzer opera was, en niemand is in
staat het verheven gevoel te schetsen hetwelk onze borst doorstroomde,
toen het stedelijk bestuur gehoor gaf aan onzen wensch. T. scheen ons
toe eensklaps een Paradijs geworden te zijn. Het gebouw der speelbank
gesloten en weldra in een venduhuis herschapen; op het affiche van
onzen schouwburg de woorden: =Relâche pour cause de suppression=,--wij
zagen in die verschijnselen de voorboden van het naderend godsrijk; en
waren sommigen onzer niet van eene twijfelachtige regtzinnigheid
geweest, wij zouden het hemelsch Jeruzalem hebben wanen te zien
nederdalen binnen de muren onzer stad. Want supprimeren, mijnheer, dat
weet gij, is de hoogste vreugde van het liberalisme. Verleden jaar
hebben wij de opera gesupprimeerd, omdat wij de speelbank goddeloos
vonden; toekomend jaar zullen wij de =terrines de foies gras=
supprimeren, omdat wij het treden op warme koperen platen, al geldt
het slechts ganzen, voor onvereenigbaar houden met onze beginselen van
filanthropie. En vraag niet wat wij voor een en ander in de plaats
bekomen hebben, of hoe wij het voortaan zonder ganzenleverpasteipotjes
en zonder opera stellen zullen. Het liberalisme supprimeert; doch
remplaceren, daar doet het niet aan. Ons ideaal is eene eeuw, waarin
niemand muziek maken en niemand truffels eten zal, het onderscheid
tusschen arm en rijk, knap en dom, man en vrouw zal zijn opgeheven, de
geheele maatschappij er uit zal zien als een egyptisch korenveld
waarop de sprinkhanen te gast zijn gegaan, en onze kaalgeschoren
aarde zich in de onmetelijke ruimte zal wentelen, dikker dan een ton
en gladder dan een kampernoelje. Nog heeft men te T. dat toppunt van
volkomenheid niet bereikt; nog worden daar smulpapen gevonden, die aan
biefstuk met aardappelen de voorkeur geven boven andijviesla met
beetwortelen; nog vindt men bij ons (doch alles kan ook niet op eens
komen) onhebbelijke vrouwen, die nu en dan een welgeschapen kind ter
wereld brengen. Houd u evenwel bedaard, mijnheer, en wanhoop niet aan
onze toekomst. Den stroom des tijds kan niemand tegenhouden, en mits
gij twaalf maanden wacht met mij een bezoek te komen brengen, maak ik
mij sterk u eene bevolking te toonen, aan wier volmaaktheid alleen nog
ontbreken zal dat zij niet gesupprimeerd is."
--"Mij dunkt," zeide Dijk, toen Lefebvre deze uitboezeming ten einde
had gebragt, "wij moesten gezamenlijk naar de Buitensocieteit wandelen
en daar een luchtje gaan scheppen onder de verandah. Hebt gij lust,
André?"
--"Wat mij betreft," zeide Ruardi, "ik kan bezwaarlijk van de partij
zijn; doch laat dit de heeren niet afbrengen van hun plan. Mag ik er
staat op maken, mijnheer Kortenaer, dat gij mijne uitnoodiging niet
versmaden zult?"
--"Zoo zeer, dokter," antwoordde André, "dat gij mij misschien reeds
morgen aan den dag te uwent zult zien verschijnen."