Voor derden moest de toon van Emma's brieven iets te kinderlijks
hebben. Het flinke in haar karakter kwam in haar korrespondentie niet
tot zijn regt, en zij scheen alleen woorden te kunnen vinden voor eene
zachtheid, die aan zoetheid grensde. Doch André genoot te zeer van het
bezit van haren brief en van hetgeen daarin streelends was voor zijne
fatuiteit, om door die eenzijdigheid getroffen te worden. Zich
aangebeden te weten, was voor hem, zonder dat hij zich daarvan
rekenschap gaf, de streelendste der gewaarwordingen; en een ingewijde
zou het hem kunnen aanzien, dat hij op dit oogenblik meer dan louter
een gevoel van welbehagen ondervond. De zelfvoldoening waarmede hij,
alvorens zijne lektuur aan te vangen, een laatsten blik in zijn
toiletspiegel wierp,--Emma zou, indien zij tegenwoordig had kunnen
zijn bij die pantomime, tevreden zijn geweest over haar triomf.
Zij schreef:
"Maandag-ochtend.
"Ik neem dit blaadje uit mijne portefeuille, zonder te weten
wanneer ik het opvouwen en verzenden zal. Dat zal afhangen van uwe
eigen vlugheid in het schrijven. Zoo lang ik geen brief van u heb,
volg ik het voorbeeld dier lieve ouders, wier kinderen zich in de
Oost bevinden, en die iederen dag eenige regels voegen bij den
brief, bestemd om met de eerstvolgende mail hun toegezonden te
worden. Zoo lang zal het nu wel niet duren eer ik dezen op de post
doe, maar wachten is wachten, en wanneer gij niet bij mij zijt, is
het zoo goed alsof gij in de Oost waart.
"Ik zal eerlijk zijn en bekennen dat ik den geheelen nacht van u
gedroomd heb. Waarom zijt gij ook zoo lief? Toen wij
gisteren-avond aan het venster stonden, zou ik met u hebben willen
wegvliegen naar die schitterende ster, boven de maan. Van ochtend
vroeg zou ik gewild hebben, dat gij met mij in den tuin had kunnen
wandelen, en op dit oogenblik wenschte ik dat gij tegenover mij
zat, terwijl ik aan het schrijven ben. Helaas, mijnheer, men is
uwe slavin of men is het niet!
"Daareven ben ik, snuffelend in vaders woordenboeken, achter den
franschen naam gekomen van het vogeltje, welks hollandsche de eer
niet heeft u te behagen. =Oiseau grenadier= heet het, en nu behoef
ik mij de fraaije snorren van mijn baardmannetje niet langer te
schamen. "Ik acht een schoonen naam, die waardig wordt gedragen,"
en hij draagt den zijnen met even veel digniteit als zijne
knevels. Doch gij, mijnheer, indien uw wijfje stierf, zoudt gij
even als mijn baardmannetje en zijne stamgenooten wegkwijnen van
verdriet? Neem mij niet kwalijk dat ik op dat punt overdreven
nieuwsgierig en een weinig ongeloovig ben. Och, André, indien gij
mij half zoo lief hadt als ik u, gij zoudt... Doch ik behoef u
niet bepaald dwaasheden te zeggen.
"De tuinman is ons van ochtend eene nieuwe stamroos komen brengen,
eene =François premier=. Zij is donkerrood met een vol hart en ruikt
overheerlijk. Ik vrees alleen dat ik haar niet zal kunnen aanzien
zonder dikwijls aan de arme vrouwen te denken, die koning Frans
ongelukkig gemaakt heeft. De bloem is prachtig en herinnert aan de
warme kleuren van Titiaans portret, op het Trippenhuis te
Amsterdam. Maar voor eene nieuwe roos vind ik den naam ongelukkig
gekozen. Waarom niet =Romeo=? Waarom niet =Abélard=? Bijna schreef
ik,--doch ik heb mij nu eenmaal voorgenomen geene dwaasheden te
zeggen,--waarom niet =André=?
"Omtrent de ontvangst bij uw oom zult gij mij wel het noodige
schrijven, ook al vraag ik daar niet naar. Droom ik voor een keer
dat gij mij niet liefhebt, of dat men mij van u scheiden wil (doch
gelukkig gebeurt dat bijna nooit), dan is altijd uw oom de
persoon, die zich tusschen u en mij komt plaatsen. Ik heb hem maar
eenmaal in mijn leven gezien en zou geene dragelijke reden kunnen
aanvoeren voor de vrees die hij mij inboezemt. Doch ik ben bang
voor hem; en (ach, wanneer zult ook gij aan voorgevoelens
gelooven!) eene geheime stem zegt mij dat ik hem geen onregt doe.
"Een nieuwtje. Van avond komt Miss Sampson, de vrouwelijke Numa
Pompilius van mijne jeugd, thee bij ons drinken. Tot mijne spijt
wil moeder haar voor eene week te logeren vragen, wanneer de
familie op Jagtlust, waar zij op dit oogenblik geherbergd is,
genoeg van haar hebben zal. Ook met haar ben ik maar half op mijn
gemak. Zij is met den tijd geheel en al eene schooljufvrouw
geworden en behandelt alle menschen als kostmeisjes. Toen zij nog
maar de secondante was, vond ik haar veel liever. Vrees niet,
wanneer wij getrouwd zullen zijn, dat =ik= haar te logeren vragen
zal. Oude vrijsters voegen niet in jonge huishoudens, en wanneer
ik kiezen moet, zie ik liever tien van uwe vrienden komen dan één
Miss.
"Van die vrienden van u hoop ik nog eenmaal partij te trekken, dat
weet gij. Het minst dat gij koel tegen mij zijt, word ik koket en
maak ik u jaloersch. Dat zal eene voortreffelijke uitwerking doen.
Of kunt gij niet jaloersch worden? In antwoord op die vraag zie ik
u fijntjes glimlagchen; doch ik stoor mij niet aan dien spot, en
zal mij te mijner tijd weten te wreken. Dit voorspel ik u, dat
indien gij immer ophoudt mij het hof te maken, en gij een dier
akelige getrouwde mannen wordt gelijk ik er sommige ken, gij
weinig genoegen aan mij beleven zult.
"Waarom heb ik u lief? Waarom heb ik mijn hart geschonken aan een
man die mij uitlacht, mij drilt, mij tiranniseert, mij op alle
mogelijke wijzen doet gevoelen dat de vrouwen zwijgen moeten in de
vergadering? Helaas, al werd ik honderd jaren oud, dat raadsel,
vrees ik, zou onopgelost blijven. En toch zeggen de wijze menschen
dat alles eene reden heeft! Lieve hemel, heeft dit geschrijf dan
eene reden? Ik vrees integendeel dat het de zinneloosheid-zelve
is."
"Dinsdag-ochtend.
"Nadat ik u geschreven had, is de tijd gisteren mij minder lang
gevallen dan ik had durven hopen... Ondankbare die ik ben! Men
zou de liefde gaan haten, wanneer men bemerkt hoe zelfzuchtig zij
maakt. De twee wezens, van wie ik na u op deze wereld het meest
houd, hebben mij den genoegelijksten dag bezorgd dien men bedenken
kan; en ik spreek alsof de trage uren langzaam omgekropen waren en
ik de minuten had zitten tellen in eene gevangenis, even als
weleer op de hangklok in de schoolkamer van Miss Sampson!
"Of er dan zooveel bijzonders gebeurd is? O neen, maar alles hangt
af van de wijze waarop en de stemming waarin. Wanneer ik u zeg dat
vader gisteren-avond een uur lang kollege heeft staan geven over
het dames-toilet van den tegenwoordigen tijd, zult gij mij
begrijpen. Gij glimlacht, niet om vader, maar om mij? Nu ja dan,
gisteren-middag vóór het eten ben ik met moeder naar de stad
gereden en hebben wij ons hart opgehaald aan de heerlijkheden van
de Wed. Muller en Cie. Ik plaagde moeder, en beweerde dat zij
mij behoefte aan eene afleiding toedichtte, ten einde voor zich
zelve een nieuwen hoed te kunnen koopen; en zij plaagde mij weerom
met te zeggen, dat ik sedert mijne kennismaking met u al mijn
zelfvertrouwen in het kiezen van parasols en handschoenen verloren
had. Doch de vrolijkheid begon eerst regt, toen na het eten de
Wed. Muller in persoon, gevolgd door een knecht met eene groote
doos aan den arm, bij ons kwam aanzetten. Wij hadden er op
gerekend, moeder en ik, dat vader ons met de noodige sermoenen
bestormen zou; zoodat onze voorzorgen genomen waren. Er was geen
enkele schotel op tafel verschenen, waar niet iets extra's aan
was; en aan het dessert had hij bij zijne koffij zijn
geparfumeerdst likeurtje en zijn geurigste sigaar gehad. In het
gevoel dier goede werken en van hun apaiserend vermogen, wachtten
wij dan ook de komst der modiste onverschrokken af en gaven bij
haar binnentreden geen enkel blijk van ontsteltenis of
verlegenheid. Doch het was vreeselijk, kan ik u zeggen. Er werd
betoogd dat elke vrouw gekleed behoorde te gaan overeenkomstig
hare eigen taille en haar eigen teint; dat de mode niets anders
was als iets dat goed stond aan de eene of andere aanzienlijke
dame buitenslands; dat andere vrouwen, die ook hare
bekoorlijkheden hadden, maar toevallig niet op die dame geleken,
uitzinnig handelden met juist zoo gekleed te willen gaan als zij;
dat moeders nieuwe hoed geen hoed, maar voor het overige
onberispelijk was; dat van de kleedjes, waaruit wij eene keus
wenschten te doen, of het dessin misteekend was, of de kleuren
schreeuwden, of het weefsel te wenschen overliet; in één woord,
dat wij ons geld in het water wierpen, of zouden werpen, of reeds
geworpen hadden. De modiste zette bij dit alles een onnavolgbaar
gezigt. Een menschenkenner zou er uit gelezen hebben, dat zij haar
dierbaar vak met de grootste gelatenheid nog tien maal smadelijker
zou hebben laten verguizen, indien slechts alle hoofden van
huisgezinnen, even als mijn engel van een vader, met een geopend
oog voor de zwakke zijden van hare industrie, blindelings hare
nota's voldeden.
"Woensdag-ochtend.
"Vader heeft zich opgesloten in zijn atelier. Hij verkeert in den
waan, dat wij niet weten waarom; doch onze liefde voor hem heeft
ons sedert lang zijn geheim op het spoor doen komen. Ik hoop,
André, neen ik weet zeker, dat gij hoe langer hoe meer van vader
zult gaan houden. Hij is de beste vader en de liefste man, die
ooit geleefd heeft. Onze modemaaksters vervelen hem, en hij heeft
alle moeite om niet korzelig te worden, wanneer zij hare wijsheid
en hare doozen komen ontpakken. Doch ofschoon God weet, dat hij
sedert den dood van Reinier reden heeft om somtijds mistroostig te
zijn, denkt gij dat hij moeder of mij op eenigerlei wijze zal
laten blijken, hoe hij te worstelen heeft met zijn humeur? Nooit
bemerken wij iets daarvan. Zijn stelregel is, dat een man behoort
te waken over zijne luimen en middelen moet verzinnen om, indien
het noodig is, zichzelven onschadelijk te maken. En dat doet hij
met voorbeeldige trouwhartigheid. De ijver waarmede hij op dit
oogenblik zit te schilderen is niets anders, wil ik wedden, als
een voorwendsel; en wanneer hij van middag aan tafel verschijnt,
zal niemand het hem kunnen aanzien, hoe hij geleden en gestreden
heeft. Zoo is hij. Het leven is eene zaak die de krachten der
meeste menschen te boven gaat, beweert hij, en volgens hem zou de
geheele wereld van adel moeten zijn, indien men wilde dat nooit
ergens de plaats der liefde werd ingenomen door stuurschheid of
onverschilligheid. Nu, hij is van adel; en indien ik zijn bloed
niet onwaardig ben, zult gij u mijne afkomst tegenover niemand
behoeven te schamen.
"Donderdag-avond.
"Dezen ochtend eerst heb ik uw brief ontvangen. In 's hemelsnaam!
Men kan van den Duinendaalschen bode de volmaaktheid niet vergen;
en is hij langzaam, hij is ten minste getrouw. Zeer getrouw zelfs,
want van uwe twaalf blaadjes is onderweg geen enkel zoek geraakt.
Doch stil, het schreijen staat mij nader dan het lagchen, en zoo
ik scherts, is het om mijn verdriet te verzetten. Wat? heeft uw
oom u van mij weggetroond? Heeft hij een middel bedacht om u
voor eene poos van Duinendaal te verwijderen? Welnu, hij doe wat
hij niet laten kan. Speel vrij den boozen geest, oom Bertram, gij
zult Robert niet van Alice, Alice van haren Robert niet scheiden!
Foei, ik wilde dat die man geen familie van u was. Zijn toeleg is
inderdaad al te doorzigtig, en ik zou u onregt doen, indien ik u
ried op uwe hoede te zijn. Geloof mij, André: uw oom heeft plannen
met die mevrouw Dijk. Gij schrijft dat zij niet jong, niet mooi,
niet vriendelijk is: ik wil het wel gelooven, maar een
onbedriegelijk voorgevoel zegt mij, dat gij met geen ander doel
naar M. gezonden zijt als om u van mij te vervreemden.
"Mag ik volkomen opregt zijn? Uw brief maakt mij ongerust.
Kinderachtig, niet waar? Doch het is zoo. Wat ik op het hart heb,
deel ik u thans nog niet mede. Den geheelen dag ben ik er mede
bezig geweest, doch ik moet de regte woorden nog vinden. Misschien
vind ik ze morgen, misschien eerst over een paar dagen; doch zoo
lang mag ik u niet zonder antwoord laten. Daarom zal ik dezen nu
sluiten en hem voor het venster zetten; dan neemt de postbode hem
morgen-ochtend tijdig mede naar de stad.
"Doch laat ik mijzelve, eer ik naar bed ga, nog even uitlagchen.
Uw oom, met zijne ruwe manieren, is inderdaad een potsierlijke
Mefistofeles, en ik ben wel goed, mij om zijnentwil het hoofd te
breken. Hoe grappig zou het zijn, indien wij hem vangen konden in
zijne eigen netten! Verbeeld u dat gij den schijn aannaamt, alsof
die mevrouw Dijk u plotseling betooverd had, en mijnheer de
ex-minister zich daardoor ontheven waande van de zorg, mij eenmaal
als zijn nichtje te moeten erkennen? O, wat al middelen zou ik u
aan de hand doen om hem in het ootje te nemen! Hoe zou ik mij
uitputten in kunstgrepen om het hoofd dier kokette dame door u op
hol te doen brengen! En wanneer uw lieve oom zich dan deugdelijk
verbeeldde het spel zoo goed als gewonnen te hebben; wanneer hij
nog slechts op een briefje van u wachtte, met berigt dat ons
engagement verbroken was,--hoe onbeschrijfelijk aardig zou ik het
dan vinden, met u eene deftige visite bij hem te gaan maken en hem
te vragen tegenwoordig te willen zijn bij onze bruiloft!... Maar
neen, neen, neen, weg met die valsche vrolijkheid! Onze liefde,
verstaat gij André? is te heilig om door zulke vertooningen
bezoedeld te worden. Ik =ben= niet bang voor u of voor mij; ik maak
mij =niet= ongerust over uwe afwezigheid. Eenmaal heb ik gezworen,
u levenslang te zullen liefhebben; en de overtuiging dat gij mij
toebehoort, even als ik u, is zoo diep in mijne ziel geworteld,
dat men mij om het leven zou moeten brengen om mij haar te
ontnemen. Fladder dus vrij, lieve man! Ik weet wel waar het
bloempje bloeit, waarop mijn vlinder te allen tijde weder zal
komen nederstrijken. =Gij zijt van mij=, bedenk dat wel, en beproef
maar niet (het zou u toch niet baten) daar iets aan te veranderen.
In gedachten neem ik uw blond hoofd tusschen mijne beide handen en
kus u zachtjes op de oogen. Zoo is het goed. En wil ik nu de kroon
zetten op mijne barmhartigheden? Nu dan, ik belast u met mijne
vriendelijke groeten voor mijnheer Adriaan en mevrouw Lidewyde!"
Arme Emma! Even trotsch als zij op haren bruidegom geweest zou zijn,
toen hij haar brief nog lezen moest, even vreemd zou zij hebben
opgezien,--neen, even snel zou op haar lieve wangen het blosje der
vreugde verschoten zijn, even popelend zou haar hartje geklopt hebben,
even onheilspellend zou zij haren moed en hare grootmoedigheid in hare
nette schoentjes hebben voelen zinken, indien zij getuige had kunnen
zijn van den ernst en de deftigheid, waarmede André, aan het einde van
haren epistel genaderd, dien weder opvouwde, hem wegschoof in den half
gescheurden enveloppe, zijne zakportefeuille voor den dag haalde en
met een nadenkend gelaat de kamer verliet. Doch dit goede heeft de
onwetendheid, dat sommige verwonderingen door haar toedoen ons voor
een tijd bespaard blijven. Bovendien zou het onbillijk geweest zijn,
omdat André het voorhoofd fronste en een peinzende trek zich om zijnen
mond plooide, daaruit af te leiden dat hij voor het innemende in
Emma's brief ongevoelig was. Indien een jager geen wreedaard is,
alleen omdat hij er behagen in schept het wild op de daad te
betrappen, hoe zou een jonge man, gelijk André, tenzij hij een monster
ware, en dat was André in geenen deele,--koel kunnen blijven bij het
besef, dat onder het zijden lint van zijn zakboekje, en derhalve in de
onmiddelijke nabijheid van zijne borst, een hart vol liefde klopte?
Dat zulke harten niet dagelijks voorkomen, is op zichzelf reeds genoeg
om aan hun bestaan zekere waarde te doen hechten; en André was in de
laatste maanden te wijs geworden om niet te gevoelen, dat Emma
vergelijkenderwijs eene uitzondering verdiende te heeten. Doch hoe
bereid men hem ook vinden mogt toe te geven, dat de minste vrouwen
een vrouwenhart bezitten en de prijs van Emma's liefde daardoor niet
weinig verhoogd werd, hij was op dit oogenblik te zeer met eene
bepaalde gedachte vervuld om aan de teederheid van haar schrijven
volkomen regt te laten wedervaren. Een eerst door haar opgenomen en
toen door haar verworpen denkbeeld, waarvan hij moeijelijk scheiden
kon, speelde hem door het brein; en zoo geschiedde het dat de
opwelling van genegenheid, waarmede hij haren brief ter hand had
genomen, gesmoord werd in eene kombinatie, die het hart koeler liet,
naarmate zij meer inspanning vorderde van het verstand.