--"Te veel en te weinig;" zeide André bij zelven, toen hij den
volgenden ochtend onder het kleeden zijne kamer op en neder stapte.
"Dijk is een zot, beweerde mijn oom, en ik zal niet ontkennen dat
daarvan iets aan kan zijn; doch mijn oom had zelf een slag van den
molen weg, toen hij met minachting over Lidewyde sprak. Lidewyde is
eene vrouw, gelijk er niet vele gevonden worden. Zij toont veel minder
humeur dan ik gedacht zou hebben. Dijk schijnt mij toe, geen man voor
haar te zijn. Het zal mij benieuwen, welken indruk die dokter op mij
maken zal. Wie weet of mijnheer Ruardi niet nog iets anders is als
Adriaans boezemvriend? Dat zou komiek zijn, maar verwonderen zou het
mij niet. Lidewyde is juist eene vrouw om een minnaar te hebben. Het
eene oogenblik is zij buitengewoon vrij in haar spreken, het andere
oogenblik weet zij zich op zulk eene natuurlijke wijze in te houden,
dat men er dupe van is. Wie zou gedacht hebben, toen zij
gisteren-avond met freule Steinmetz zat te praten, dat zij geene vijf
minuten daarna over diezelfde dame zulk een vrijmoedig en, naar mij
voorkomt, zulk een juist oordeel vellen zou? Doch met hare schoonheid
en haar smaak maakt zij alles goed. Het kleedje, dat zij voor Emma
gekocht heeft, is inderdaad een model van bevalligheid, en het was een
lieve inval van haar, mij met zich mede te nemen in dat magazijn en
mij voor de leus te raadplegen over hetgeen zij kiezen zou. Zij heeft
blijkbaar verstand van toilet maken, en alles staat haar goed. Zonder
mooijer te zijn dan Emma, is zij toch ook in hare soort eene
schoonheid. Zij heeft iets vorstelijks over zich. Emma doet mij denken
aan een vergeet-mijnietje, Lidewyde aan eene tulp. Het zou inderdaad
grappig zijn, indien tusschen haar en dien dokter de eene of andere
relatie bestond. Hij schijnt een jong weduwnaar te zijn met een
interessant voorkomen. Bovendien beweert Adriaan dat hij een aardige
prater is. Noch het een, noch het ander maakt het minder
waarschijnlijk dat Lidewyde iets met hem heeft. Wij zullen zien.
Misschien vind ik dat geheim nog wel uit, en wie drommel weet of
Lidewyde's gedienstige geest Sarah..."
Er werd aan de deur getikt.
--"Binnen!" riep André, die niet zoo verdiept geweest was in zijne
meditatien, of hij had onder de hand zijn toilet voltooid, zoodat hij
zonder schroom voor den bediende kon verschijnen, dien hij meende voor
zich te zullen zien.
De deur werd behoedzaam geopend. Het was--de gedienstige geest Sarah
met een brief in de hand.
--"Mijnheer Dijk heeft mij gelast u dezen brief ter hand te stellen",
zeide zij, "en u tevens te verzoeken, indien het u schikt, van middag
tusschen tweeën en drieën even bij hem aan het kantoor te komen."
--"Is mijnheer Dijk al naar de stad?" vroeg André, den brief aannemend
en onderwijl een blik op het adres werpend, waarin hij aanstonds de
hand van Emma herkende.
--"Mijnheer scheen het van ochtend buitengewoon druk te hebben",
antwoordde Sarah. "De besteller heeft daareven meer dan een dozijn
brieven gebragt, waaronder ook deze was, dien mijnheer in vergissing
bijna opengebroken had."
--"Dat bemerk ik," zeide André lagchend, terwijl hij den aan de
achterzijde half gescheurden enveloppe bezag. "Nu, de fondsen zouden
er niet door gerezen of gedaald zijn, al had mijnheer Dijk bij ongeluk
kennis genomen van den inhoud."
--"Mijnheer Dijk heeft mij ook nog opgedragen u te zeggen," vervolgde
Sarah, zonder André's opmerking te beantwoorden, dat hij tusschen
tweeën en drieën in de stad een bezoek van dokter Ruardi verwacht, en
hij van die gelegenheid gebruik wenscht te maken om u aan den dokter
voor te stellen."
--"Zeg mij eens, Sarah," zeide André, eensklaps van toon veranderend,
"dokter Ruardi is immers dezelfde persoon, met wien ik u een dezer
dagen in den tuin heb zien wandelen?"
Sarah, die tot hiertoe zonder gemaaktheid onafgebroken naar den grond
gestaard had, sloeg thans de oogen langzaam op en vestigde op André
een blik, dien hij wel belangwekkend vond, maar die hem nogtans niet
zeer aangenaam aandeed. Evenwel verdween die ongunstige indruk, toen
zich over Sarah's gelaat een glimlach verspreidde; de statige,
wellevende glimlach der matrone van goeden huize, zou men gezegd
hebben, die zich in stilte vermaakt met een onschuldigen inval.
--"Ik wenschte wel, mijnheer," zeide zij, "dat gij die vraag niet
enkel uit nieuwsgierigheid gedaan hadt."
--"Waarom, Sarah? Mag ik niet nieuwsgierig zijn te weten, of dokter
Ruardi en zeker iemand elkander van nabij bestaan?"
--"Van mogen of niet mogen is geene spraak, mijnheer; maar indien ik
aan uw verlangen voldeed, zou het u aanstonds spijten, door mij
ingelicht te zijn. Het is immers waar, dat uwe aanstaande hier zal
komen logeren?"
--"Mij dunkt, Sarah," zeide André, eenigszins geraakt over die
vrijpostige wedervraag, "dat gij en ik, waar het op nieuwsgierigheid
aankomt, elkander niets te verwijten hebben. Nu ja, er is spraak van,
dat jufvrouw Visscher eenige dagen ten huize van freule Steinmetz zal
komen doorbrengen; maar wat zou dat?"
--"Vergeef mij, mijnheer, ik wilde zeggen, dat uw engagement met
jufvrouw Visscher het voor u eene onverschillige zaak doet zijn, te
weten of niet te weten, wie dokter Ruardi is."
--"Ik bid u, Sarah, laat ons over iets anders spreken. Dokter Ruardi
heeft met mijn engagement niets te maken."
Sarah deed alsof zij wilde vertrekken; André alsof hij gaarne alleen
wilde zijn. Doch de een wist nog niet hetgeen hij verlangde te weten,
en de ander moest nog zeggen hetgeen zij op het hart had.
--"Ik erken, mijnheer," zeide zij, "dat mijn toon u ongepast moet
voorkomen; doch indien gij wist hoe hartelijk ik aan mevrouw Dijk
gehecht ben, zoudt gij mij ongetwijfeld mijne onbescheidenheid ten
goede houden."
--"Is mevrouw Dijk dan ook al in de zaak betrokken? Gij wordt hoe
langer hoe duisterder, Sarah."
--"Mevrouw Dijk is de hoofdpersoon, mijnheer; doch indien zij kennis
droeg van hetgeen ik u thans mededeel, zou ik voor altijd hare
genegenheid verbeuren. En hare genegenheid is voor mij alles waard.".
--"Hetgeen gij mij thans mededeelt? Gij deelt mij integendeel niets
ter wereld mede, en ik vraag mij nog altijd af wat gij eigenlijk
zeggen wilt."
--"Belooft gij mij op uw woord van eer, mijnheer Kortenaer, dat
hetgeen ik u zeggen zal een diep geheim zal blijven? Dat mevrouw Dijk
daarvan nimmer iets bemerken zal?"
--"Dat spreekt, Sarah. Maar indien hetgeen ik van u vernemen zal niet
duidelijker is dan hetgeen ik tot hiertoe te weten kwam, zal ik voor
mevrouw Dijk niet veel te verbergen hebben."
--"Nu dan, dokter Ruardi,... doch ik kan er staat op maken, niet
waar, dat gij mij niet verklappen zult?" fluisterde Sarah.
--"Wilt gij zeggen dat dokter Ruardi mevrouw Dijk het hof maakt?"
--"Wat erger is, mijnheer, hij vervolgt haar met zijne beleefdheden
tot in haar eigen huis."
--"Mij dunkt, tegen dat ongerief is kruid gewassen. Aan lastige
minnaars wijst men de deur."
--"Doch indien die minnaar de vriend des huizes is? Indien de heer des
huizes geen kwaad van hem kan hooren spreken? Indien men geen afkeer,
zelfs geene onverschilligheid kan laten blijken, zonder vijandschap te
stichten en opspraak te verwekken? Neen, mijnheer Kortenaer, er is
maar één middel om mevrouw Dijk van de vervolgingen van dokter Ruardi
te verlossen, zonder in de plaats van het eene kwaad een ander en
grooter te brouwen."
--"En waarin zou dat middel bestaan?"
--"Dat weet ik niet, mijnheer. Of liever, het zou niet baten het u te
noemen; en daarom spijt het mij dat gij naar dokter Ruardi gevraagd
hebt. Dingen, die niet gebeuren kunnen, al zou men het nog zoo gaarne
willen, moet men zich uit het hoofd zetten."
--"Hoor eens, Sarah, mijn eerbied voor mevrouw Dijk is zoo groot, dat
ik er mij in verheugen zal, haar op de eene of andere wijze van dienst
te kunnen zijn. Zeg mij uw plan, en ik zal zien."
--"Mijn denkbeeld is onuitvoerbaar, mijnheer, en dat grieft mij het
meest. Ik zou willen, dat iemand zich ongemerkt tusschen mevrouw Dijk
en dokter Ruardi plaatste; dat mevrouw Dijk in de gelegenheid werd
gesteld, hare genegenheid in schijn op iemand anders te vestigen, en
zoo te vestigen, dat dokter Ruardi van alle verdere pogingen om haar
te behagen voor goed afzag. Doch ik vraag u, wat baat het, u met deze
wenschen bekend te maken? Binnen weinige dagen zal jufvrouw Visscher
uwe geheele aandacht in beslag nemen; ieder weet hier daarenboven, of
zal weldra weten, dat gij geëngageerd zijt; dokter Ruardi zal geen
oogenblik dupe zijn van de beleefdheden die mevrouw Dijk voor u zou
kunnen hebben, en zoodra gij ons zult hebben verlaten, zal die goede
mevrouw haar kruis weder moeten opnemen."
--"Gij hebt gelijk, Sarah: ik kan de dienst, waarvan gij spreekt,
onmogelijk bewijzen."
--"Niet waar, mijnheer? Mijn plan is eene hersenschim. Hoe zoudt gij
onder de oogen van jufvrouw Visscher, van wie gij doodelijk zijt, den
schijn kunnen aannemen alsof tusschen mevrouw Dijk en u iets bestond?
Niemand kan zulk eene rol spelen. Het zou eene onnatuurlijke, eene
scheve, eene in alle opzigten valsche verhouding zijn."
--"Dat zou het, Sarah. Eene in alle opzigten valsche verhouding."
--"En waartoe zou het dienen? Al de belanghebbenden zouden u
onmiddelijk in de kaart zien."
--"Onmiddelijk."
--"Het zou een komedie zijn zonder knoop, een vervelende roman zonder
intrige."
--"Een vervelende roman."
--"Tenzij misschien jufvrouw Visscher er in toestemde, mede te spelen?
In dat geval zou de knoop niet onaardig kunnen worden."
--"Jufvrouw Visscher zal zich daartoe nimmer leenen. Zij is een veel
te gevoelig en veel te ernstig meisje voor zulk soort van
aardigheden."
--"Dat dacht ik wel, mijnheer; en zonder u een kompliment te willen
maken, voeg ik er bij: indien zij anders was, zoudt gij haar niet voor
uwe aanstaande vrouw gekozen hebben."
--"Zoodat Sarah?"
--"Zoodat ik u verschooning vraag voor mijne dwaze praatjes, mijnheer.
Hoe gaarne ik mevrouw Dijk ook van haren vervolger zou willen
bevrijden, ik kan het denkbeeld niet verdragen, dat, buiten dokter
Ruardi, iemand daardoor eenig leed ondervinden zou."
--"Dat is braaf van u. En mag ik nu eens even zien wat deze brief
inhoudt?"
Sarah liet zich gedwee de konversatie opzeggen. Haar doel was bereikt.
Met de enquête, die zij zich had voorgenomen in te stellen, behoefde
zij niet op eenmaal gereed te komen. Zij wist nu voorshands genoeg van
André.