Aan den avond van den volgenden dag, tusschen licht en donker, zat de
oude dame, die uitgekozen was om voor eene poos Emma's gastvrouw te
zijn, te lezen en thee te schenken in haar eenzaam salon. Op grond van
een briefje, dien ochtend van Lidewyde ontvangen en aanstonds
toestemmend beantwoord, wachtte zij op dit uur haar en André's bezoek.
Het was intusschen reeds laat geworden. De ondergaande zon kleurde met
hare laatste stralen de toppen der boomen aan de overzijde der gracht,
en de schemering had in het groote vertrek met zijne hooge verdieping
reeds zulke vorderingen gemaakt, dat het vlammetje onder den trekpot
diensten begon te bewijzen. Bij de flikkering van dat kleine licht
onderscheidde men op het groote wortelhouten theeblad met ebbenhouten
rand een overvloed van zilver en porcelein, en daarachter, in een
ruimen leunstoel, het beeld van freule Bertha, die door de invallende
duisternis genoodzaakt was geworden, hare lektuur te staken.
Het geduld der bejaarde dame was onuitputtelijk; niet uit gebrek aan
karakter, maar door overvloed van blijmoedigheid. Zij was nooit
gemelijk, omdat zij altijd rustig en altijd vrolijk was. Toen dan ook
Lidewyde's rijtuig ten laatste stilhield voor de deur, en een
oogenblik daarna Lidewyde-zelve, door André gevolgd, werd aangediend,
ging zij hen even vriendelijk te gemoet als zij gedaan zou hebben,
indien de bezoekers met onberispelijke naauwkeurigheid op hunnen tijd
gepast hadden.
--"Het was zulk eene stille, zoele avond," voerde Lidewyde tot hare
verontschuldiging aan, "en de muziek in het Park klonk zoo lief, dat
wij onwillekeurig langer zijn blijven rondstappen dan ons plan was
geweest. Ik had met mijn neef eene weddenschap aangegaan, dat hij geen
weerstand zou kunnen bieden aan de verleidingen van ons Bois de
Boulogne."
--"Voor de eer van ons Bois de Boulogne doet het mij genoegen dat gij
de weddenschap verloren hebt, mijnheer Kortenaer," zeide freule
Bertha, "en ik heb een veel te goeden dunk van u om het niet in u te
prijzen dat gij in het gezelschap van mevrouw Dijk juist niet
gehunkerd hebt naar het mijne. Gij doet mij de eer," ging zij voort,
"in mijn huis een plaatsje te vragen voor eene jonge dame van uwe
kennis? Dat is braaf van u. Veel genoegens kan ik jufvrouw Visscher
niet beloven; doch aan hare vrijheid om u te ontvangen zal niets
ontbreken; en misschien," voegde zij er met een gullen glimlach bij,
"misschien zal jufvrouw Emma niet weigeren, het met die eene
uitspanning voor lief te nemen."
--"Uwe vriendelijkheid is inderdaad beschamend, freule," zeide André.
"Toen mijn neef Adriaan mij te verstaan gaf dat ik eene vergeefsche
reis gemaakt had, was ik onbeleefd genoeg, den lip te laten hangen en
nu wordt, dank zij uwe bereidvaardigheid, die teleurstelling voor mij
eene bron van aangename surprises."
--"Zoo ziet gij, mijnheer Kortenaer," antwoordde freule Bertha,
eensklaps in een min of meer sententieusen toon vervallend, "dat men
verkeerd doet, te spoedig het ergste te vreezen." En toen, zich weder
met haar gewone opgeruimdheid tot Lidewyde keerend: "Zeg mij nu,
melieve, hoe zullen wij doen? Verlangt gij, dat ik jufvrouw Visscher
schrijven zal, of schrijft gij liever zelve?"
--"Mij dunkt," zeide Lidewyde, "dat wij van uwe goedheid reeds te veel
gevergd hebben. Morgen-ochtend schrijf ik aan Emma, en André zal mijn
briefje insluiten. Hij vraagt dan meteen verlof aan Emma's ouders om
zijn meisje te mogen gaan afhalen. Niet waar, André?"
--"O, wat mij betreft," riep hij met geestdrift uit, "ik dweep met
die schikking. Indien ik morgen schrijf, kan ik zaturdag antwoord
hebben. Zondag maak ik dan een vliegreisje naar Duinendaal en kom
maandag of dinsdag met Emma hier."
--"En indien men te Duinendaal onze invitatie versmaadt?" vroeg
Lidewyde, om hem te plagen. "Verlaat gij ons dan, en zullen wij in dat
geval tevens uw gezelschap moeten missen en uw meisje niet te zien
krijgen?"
--"Mijnheer Kortenaer is te bescheiden," zeide freule Bertha, "om
overluid te beweren dat jufvrouw Visscher hem niets weigeren kan."
--"Het is zeer edelmoedig van u, freule," antwoordde hij, "mij aldus
uit de strikken mijner ondeugende nicht te redden. Doch ik geloof
inderdaad niet, dat er reden bestaat om voor het mislukken van ons
plan beducht te zijn. Mijne eenige vrees is, dat Emma u door mijne
schuld overlast zal aandoen."
--"Geen woord meer daarover, waarde heer," zeide de vriendelijke oude
dame. "Ik herhaal wat ik dezen ochtend aan Lidewyde schreef, dat het
mij bijzonder aangenaam is, haar en u een klein genoegen te kunnen
doen. Word ik daarvoor beloond door de kennismaking met een lief
meisje, dan zal de verpligting aan mij zijn. Mag ik van uwe goedheid
iets zeer huiselijks vergen, mijnheer Kortenaer?"
--"Gaarne, freule."
--"Trek dan even voor mij aan de schel. Gij vindt het immers goed,
Lidewyde, dat ik Floris licht laat brengen? Mijne oogen weigeren mij
de dienst. Of hebt gij haast, en mag uw rijtuig niet langer wachten?"
--"Neen," zeide Lidewyde, "ik ben volstrekt niet gepresseerd, en
indien wij u geen belet doen, blijf ik gaarne nog een kwartiertje."
Een oude in het zwart gekleede knecht, even oud en even zilverharig
als freule Bertha zelve, bragt achtereenvolgens drie of vier lampen
binnen. Hij plaatste ze zoo,--op de tafel, op een buffet, op eene
étagère, op eene console,--dat het groote vertrek eensklaps ophield
somber te schijnen. Ten overvloede stak hij, na de luiken aangezet en
de overgordijnen over elkander geslagen te hebben, aan weerszijden van
den hoogen spiegel boven den schoorsteen, een bouquet waskaarsen aan.
Het salon van freule Bertha had bij avond dergelijke illuminatie zeer
noodig. Het was eene voorvaderlijke, ietwat reusachtige zijkamer,
opgemaakt en gemeubeld in den smaak der vorige eeuw: een geschilderd
behangsel, in vakken; eene lambrizering, grijs met vergulde randen,
die het geheele vertrek omsloot; deuren, kozijnen en vensterbanken,
een geheel uitmakend met de boiserie beneden en de zoldering boven;
een gebogen marmeren schoorsteenmantel met smallen rand; een
smirnaasch tapijt, blijkbaar voor deze kamer besteld en geweven. Het
grijs met goud was in zich zelf niet genoeg tot neutralisering dier
zekere zwaarmoedigheid, waarmede groote landschappen met zware boomen
en breede watervallen, hoe fraai ook geschilderd, een zitvertrek
plegen te vervullen; doch freule Bertha kende de zwakke zijde van haar
salon, en sedert jaar en dag was Floris gewoon, wanneer zijne
meesteres avondbezoeken ontving, met kracht van zwavelstokken de
duisternis te bestrijden. Die moeite werd beloond, en het was voor den
binnentredende een aardig schouwspel, freule Bertha te zien troonen in
het midden dezer ouderwetsche, maar uitnemend gekonserveerde en van
piëteit getuigende heerlijkheden. Zij droeg nooit anders als zwarte of
donkerbruine kleederen, eer sluik dan ruim, en wanneer zij oprees uit
haren stoel, zag men eene lange gestalte zich verheffen, die behoefte
scheen te gevoelen aan een steun. Meestal legde zij dan hare eene hand
op den rand der tafel, en maakte met de andere eene wuivende beweging
om hare bezoekers te verwelkomen. De gladde mouwen van haar kleed
waren zoo lang, dat zij de vingers halverwege bedekten, en ruime
manchetten van geplooid batist deden hare handen nog smaller en
kleiner schijnen dan de natuur ze gemaakt had. Van geplooid batist was
ook de kraag vervaardigd, die haren hals omsloot en een gedeelte van
hare schouders bedekte, en evenzoo de breede half nederhangende strook
om hare met geen enkel lint versierde muts. Een korte, bijna
sneeuwwitte lok, die aan weerszijde op hare slapen rustte, verhoogde
nog het eerwaardige in de uitdrukking van haar gelaat. Zij was eene
oude vrouw, dat teekenden niet slechts die grijzen lokken, maar ook de
scherpe trekken om neus en mond, de zaamgetrokken plooijen der
oogleden, de horizontale groeven in het voorhoofd; doch eene
afgeleefde vrouw was zij niet. Er brandde in hare verduisterde oogen
een dier stille vuren, welke aan inwendig verlichte wit porseleinen
vazen doen denken: een gesluijerde gloed, maar die het langer uithoudt
dan sommige kunstige lampen.
--"Is freule Steinmetz familie van u?" vroeg André aan Lidewyde, toen
hij weder nevens haar in het open rijtuig zat en zij door de woelige
straten, waar in winkel aan winkel het vrijpostig gaslicht schitterde,
naar Soekabrenti terugkeerden.
--"Van mij? In het minst niet. Ik heb geene familie in dit land. Zij
is eene vriendin van mijne schoonmoeder, meer niet. Doch wij verkeeren
met haar alsof zij eene nabestaande van ons was. Denkt gij dat Emma
het met haar zal kunnen vinden?"
--"Ongetwijfeld zal zij dat. Dacht gij van neen?"
--"Dat is de vraag. Ik laat aan freule Bertha's goede kwaliteiten
volkomen regt wedervaren, en naar hetgeen gij mij van Emma verteld
hebt, houd ik het er voor, dat zij elkander uitmuntend verstaan
zullen. Doch zult gij boos worden, indien ik zeg, dat Emma's smaak en
de mijne vermoedelijk in één opzigt verschillen? Om u de waarheid te
zeggen, mij is freule Bertha te stemmig. Ik erken dat zij van alle
vrome dames in de stad de eenige is, die ik waarlijk liefheb; de
eenige, bij wie ik het kan uithouden. Niettemin maakt zij mij met hare
bidstonden en hare bijbeloefeningen somtijds zenuwachtig."
--"Is freule Steinmetz iemand van die kleur? Dat verwondert mij. Ik
zou haar voor eene vrouw van de wereld gehouden hebben."
--"In vele opzigten is zij dat ook; maar hebt gij niet opgemerkt dat
zij somtijds geheel en al in den preektoon vervalt? Mij frappeerde het
ten minste, dat zij op ik weet niet welk gezegde van u aanstonds eene
zedeles liet volgen."
--"Ik zou het mij ontgeven hebben; doch ja, nu gij er mij aan
herinnert, er was iets preekerigs in de manier waarop zij zeide dat ik
niet moest toegeven aan het gevoel van teleurgestelde verwachtingen.
Houdt zij dikwijls van die kleine sermoenen? Denkt gij dat zij Emma
zal willen bekeeren?"
--"Heb daar geene vrees voor. Gij hebt zelf kunnen bemerken dat de
natuur bij haar boven de leer gaat. Ook moet gij aan mijn oordeel over
haar niet te veel waarde hechten. Freule Bertha gaat door voor de
goede genius van mijn mans familie, en het zou mij leed doen, indien
gij anders over haar dacht. De schuld ligt aan mij. Ik houd niet van
vrome menschen."
--"Er is vroom en vroom."
--"Jawel, gelijk er blond en blond of bruin en bruin is. Maar zoo
bedoel ik het niet. Met vroom meen ik bekrompen. Freule Steinmetz is
eene ongewone, eene voortreffelijke, eene allerliefste oude vrouw;
maar denkt gij, indien gij of ik iets deden waarover de domme wereld
het hoofd schudde, dat zij het ons vergeven of zich met onze
verdediging belasten zou? Maak u daaromtrent geene hersenschimmen.
Zelden heb ik eene vrouw ontmoet die zoo =à cheval= is op hetgeen zij
hare eeuwige waarheden noemt. En ik bid u, wat zijn eeuwige waarheden?
Laat een vooroordeel honderd jaren geduurd hebben, en gij zult
menschen vinden, bereid om voor dien waan den marteldood te sterven."
--"Met uw verlof, Lidewyde..."
--"Ik weet wat gij zeggen wilt; maar ga met mij mede, en ik zal u
bewijzen dat vergankelijk barège somtijds evenveel waarde heeft als de
bovennatuurkunde van freule Bertha. Marcelis, stilhouden bij Madame
Philidor!"
--"Om u te dienen, mevrouw," antwoordde Marcelis van den bok, even het
hoofd omwendend; en met een sierlijken zwaai reed hij tot vlak voor de
stoep van het hem welbekende mode-magazijn.
Zulke dames behoeven zulke koetsiers.