Lidewyde kleedde zich; en had André tegenwoordig mogen zijn bij dat
toilet, zijn goede dunk omtrent de bekoorlijkheden van mevrouw Dijk
zou er niet onder geleden, zijne menschenkennis er bij gewonnen
hebben. Hetgeen hij gegist had, was waar. De bejaarde vrouw, door hem
opgemerkt in den tuin, vervulde werkelijk bij Lidewyde de taak van
kamenier, en de onbekende, wien zij uitgeleide had gedaan, was
inderdaad dokter Ruardi geweest. Het onderhoud tusschen meesteres en
dienstbode liet daaromtrent geen twijfel over. Slechts in één opzigt
zou André, indien hij dat gesprek had aangehoord, vermoedelijk
teleurgesteld geweest zijn: een zoo volstrekt verzwijgen van zijnen
naam, een zoo onbepaald wegdenken van zijn persoon, zou hem in zijne
eigenliefde deerlijk gekwetst hebben.
Lidewyde zat op hare gewone plaats, voor haren kapspiegel, en wanneer
zij de oogen opsloeg, kon zij Sarah, die achter haar stond en bezig
was iets aan haar kapsel te veranderen, in het aangezigt zien.
Verwonderlijk aangezigt! Of liever, verwonderlijk dat eene vrouw van
leeftijd, met zoo iets =lady-like's= in haar voorkomen, het werk eener
kamenier verrigtte. Verwonderlijk ook, dat zij dit deed zonder
merkbaren tegenzin zoowel, als zonder ostentatie, met de
gemakkelijkheid van iemand die zich in hare nederige rol volkomen op
hare plaats gevoelde en tegelijk eene honderd malen betere plaats met
eer vervuld zou hebben. Zij geleek de tegenstrijdigheid in persoon.
Haar zwart zijden kleed teekende geene armoede, en toch ontving men
den indruk, dat zij bij meer dan eene gelegenheid het gebrek onder de
holle oogen had gezien. De scherpe trekken van haar gelaat drukten
meer zelfbeheersching dan aandoenlijkheid uit, hetgeen niet
verhinderde dat men in haar iemand waande te zien, over wier hoofd
schier al het lijden heengegaan--en niets slechts heengegaan--moest
zijn, waardoor eene vrouw getroffen kan worden. Haar zwakke stem, hare
lichte oogen, schenen van zachtzinnigheid te getuigen; en toch zou men
niet verbaasd geweest zijn, haar op gestrengen toon een wreed bevel te
hooren geven. Hare grijsblonde lokken, onder een mutsje van zwarte
tulle, opgemaakt met pensé lint, spraken van een stemmig gemoed, van
uitgedoofde hartstogten, van eene boven iederen strijd verheven deugd,
terwijl niettemin met volle regt van haar beweerd kon worden, dat hare
zestig jaren aan niets verhevens of edels deden denken. Somtijds drong
zich van den twijfelachtigen indruk, dien haar persoon te weeg bragt,
het innemend element op den voorgrond, en vroeg men zich naderhand af,
of deze vrouw wel inderdaad zoo koud, zoo hardvochtig, zoo slecht was,
als zij scheen. Andere keeren had het tegenovergestelde plaats, en
kwam de ongunstige impressie, als korrektief eener voorbarige
sympathie, hinkend en terugstootend achteraan. Boosaardigheid,
evenwel, was aan de uitdrukking van haar gelaat, ook onder de minst
voordeelige omstandigheden, te eenemaal vreemd. Was zij werkelijk,
gelijk men somwijlen in verzoeking kwam te denken, in staat en bereid
tot het plegen van iedere misdaad, dan sproot dit blijkbaar bij haar
niet voort uit lust in het kwade, maar uit zeker niet-inzien of
niet-erkennen van eenig wezenlijk onderscheid tusschen kwaad en goed.
Zelfs was de diabolische trek bij haar zoo volstrekt afwezig, dat de
dienstboden van minderen rang, op Soekabrenti, in plaats van haar te
benijden of te belasteren, haar gaarne lijden mogten en haar roemden
om hare goedheid. In de tuinmanswoning was zij eene welkome
bezoekster, en de kinderen van den koetsier liefkoosden haar in de
tegenwoordigheid hunner moeder. In de keuken was zij vooral hierom
populair, omdat men meende te weten dat zij zelve, in vroeger jaren,
eene "mevrouw" geweest was, en er niettemin nooit een woord over hare
lippen kwam, dat ontevredenheid met haar tegenwoordigen staat van
ondergeschiktheid verried.
--"En wat," vroeg Lidewyde, de wenkbraauwen fronsend en op
ongeduldigen toon het gesprek voortzettend, "wat is zijn antwoord
geweest?"
--"Eerst verbleekte hij, tegen zijne gewoonte, en beet zich op de
lippen. Toen ik aanhield en zeide dat gij den sleutel en de brieven
tot iederen prijs terug verlangdet, wilde hij de reden kennen. Hij
vroeg--ja wat al niet."
--"Wat vroeg hij dan?"
--"Hij vroeg, waarom gij in plaats van mij die boodschap voor hem op
te dragen, haar niet zelf gedaan hadt, en wat het beteekende dat ik
hem achterna gezonden werd, daar het toch een oogenblik te voren in
uwe magt had gestaan, hem uwen wensch mede te deelen."
--"Dat kon, dat wilde ik niet. Indien ik hem alleen haatte, zou ik wel
woorden vinden; harde of zachte om het even. Maar bij de gedachte dat
hij mij in zijne magt heeft,--hij mij,--gevoel ik mij zelve in zulk
eene woede ontsteken, dat de spraak mij begeeft. Wat vroeg hij nog
meer?"
--"Iets dat hij niet gevraagd zou hebben, indien hij u had hooren
spreken gelijk gij nu doet. Hij vroeg, of gij hem niet meer lief
hadt?"
--"Dat kan hij niet gemeend hebben. Hij weet dat ik hem haat. Hij moet
het weten!"
--"Met uw verlof, mevrouw, zoo lang onverschilligheid de eenige vorm
is waaronder gij hem uwen afkeer laat blijken, kan hij te goeder trouw
meenen dat uwe koelheid slechts voorbijgaande is."
--"Noem Ruardi en de goede trouw niet in één adem, wat ik u verzoeken
mag. Hij is de valschheid in persoon. Hebt gij hem dan niet gezegd dat
ik hem met mijn geheele hart verfoei? Waar waren uwe zinnen, Sarah?"
--"Ik had geene vrijheid om hem dat te zeggen, mevrouw. Mijn antwoord
is dan ook geweest, dat hij alsnog, voor zoo ver ik wist, niet aan uwe
liefde behoefde te twijfelen, en ik uw wensch meer als eene gril dan
als een bevel of een eisch beschouwde."
--"Gij hebt gelijk, Sarah. Vergeef het mij, dat ik daareven iets
onvriendelijks tot u zeide. Het zou lafhartig van mij zijn, u een last
op te dragen waarvoor ik zelf tot hiertoe teruggedeinsd ben. En wat
antwoordde hij, toen gij hem om bestwil met die halve waarheid
tevreden hadt zoeken te stellen?"
--"Dat dezelfde redenen, die u den sleutel en de brieven deden
afvragen, hem bewegen moesten om ze te houden."
--"Juist een antwoord voor hem. Zoo iets puntigs en snijdends, dat een
schijn van diepzinnigheid heeft, maar in den grond der zaak niets
beteekent. O Sarah, Sarah," zuchtte Lidewyde, terwijl zij als in
vertwijfeling de handen aan het voorhoofd bragt, "waarom heb ik dien
man ooit mijn vertrouwen geschonken!"
Had Sarah de booze wereld vertegenwoordigd, zij zou geantwoord hebben
dat Lidewyde ongetwijfeld minder wanhopig en bekommerd zou zijn
geweest, indien zij dokter Ruardi nooit iets anders geschonken had als
haar vertrouwen. Doch stekelige gezegden van dien aard vielen evenmin
in Sarah's smaak of karakter, als het openbaren eener in dit geval
anders niet onnatuurlijke deernis. Eene gewone vrouw van Sarah's
leeftijd en positie zou Lidewyde, hoe schuldig deze dan ook wezen
mogt, niet zonder mededoogen hebben kunnen zien lijden. Want dat zij
leed was duidelijk. Daarvan getuigde de ongelijkheid van haar humeur;
hare onnatuurlijke neerslagtigheid in het eene, hare even
onnatuurlijke opgewondenheid in het andere oogenblik; de sombere
stemming, waarin gisteren avond André haar aangetroffen had; de
gemaakte opgeruimdheid, waarmede zij dien ochtend met hem had
geschertst en gekeuveld; de hartstogtelijke toon, waarop zij daareven
was uitgevaren tegen Ruardi. Doch voor Sarah was het eene uitgemaakte
zaak dat Lidewyde ophouden zou zich ongelukkig te gevoelen, van het
oogenblik af dat zij haren minnaar zou kunnen trotseren, en de reden
van Lidewyde's verdriet alleen hierin bestond, dat zij voorshands niet
in de gelegenheid was, haar overwigt te doen gevoelen. Dat onvermogen,
meende Sarah, noopte tot nadenken, niet tot medelijden. Het kwam er
slechts op aan, een middel te ontdekken en aan te wenden, waardoor
Lidewyde, die zich thans in de magt van den dokter bevond, hem op hare
beurt tot onderwerping zou kunnen brengen, of althans hem op eene
kwetsbare plaats zou kunnen grieven.
--"En toch," vervolgde Lidewyde, "er moet een einde komen aan onze
valsche verhouding. Zoo kan het niet langer. Zijne gemeenzaamheid is
mij ondragelijk geworden. Liever openlijke vijandschap dan zulk een
omgang."
--"Mevrouw weet even goed als ik," antwoordde Sarah, "dat al het
ongerief eener vriendschapsbreuk met den dokter nederkomen zou op haar
eigen hoofd. De blindheid van mijnheer Dijk heeft grenzen."
--"Mijn man is een ellendeling," viel Lidewyde haar in de rede.
"Nimmer zal ik hem de helft van het leed kunnen berokkenen dat hij
gebragt heeft over mij. Wat raakt het mij, of hij verdriet heeft?
Wanneer heeft hij zich over het mijne bekommerd?"
--"Niet dikwijls, dat erken ik; maar," ging Sarah voort, "daar staat
tegenover dat mijnheer Dijk, toen gij gelukkig waart met dokter
Ruardi, geen hinderpaal voor u geweest is. Die verdienste behoort
erkend te worden."
--"Eene fraaije verdienste!" riep Lidewyde op minachtenden toon.
--"Thans, nu ieder weet dat dokter Ruardi de beste vriend is van uw
man,"--de kamenier vond het niet noodig het "mijnheer Dijk" tot in het
oneindige te vermenigvuldigen en verhielp onder de hand nog eene
kleinigheid aan Lidewyde's kapsel,--"thans bestaat er voor zijne
veelvuldige bezoeken hier aan huis eene natuurlijke reden. Doch zoodra
gij zelve dat voorwendsel vernietigt, zullen uwe vriendinnen van de
gelegenheid gebruik maken om zich van u af te zonderen. En zij, die
het meest op haar geweten hebben, zullen uw gezelschap het ijverigst
mijden. Op die wijze zult gij u dubbel eenzaam gaan gevoelen."
--"Maar moet ik dan," vroeg Lidewyde, met ongeduld oprijzend, ten
einde Sarah in staat te stellen de knoopjes aan de achterzijde van
haar kleed te bevestigen, "moet ik ten eeuwige dage vastgeketend
blijven aan een schepsel, dat ik niet liefheb, dat ik haat, dat ik
veracht? Is het niet genoeg, dat iemand die zich mijn man noemt, dag
aan dag mijn leven verbittert? Ben ik gedoemd, hetzelfde ten tweede
male te lijden door toedoen van een ander, die er zich op verheft mijn
minnaar te zijn? Dat is duldeloos, zeg ik u."
Het leven was voor Sarah-zelve zoo onvriendelijk geweest; wettige
instellingen en deugdzame menschen hadden haar zoo ongelukkig gemaakt;
zij had zooveel en zoo lang geleden door op de werkelijkheid te
willen toepassen hetgeen zij van kindsbeen af onder braaf-zijn had
leeren verstaan,--dat het haar niet tegen de borst stuitte, maar
veeleer eene verademing voor haar was, te doen te hebben met eene
vrouw als Lidewyde. Misschien was Lidewyde haar mindere in geboorte,
en stellig was er in haar eigen leven een tijd geweest, dat zij het
regt zou gehad hebben, haar ook als hare mindere in maatschappelijken
rang te beschouwen. Doch wat zou dit? Zij was oud; zij was nooit eene
schoonheid geweest; zij had met het verledene onherroepelijk
afgerekend. Lidewyde daarentegen telde nog slechts vijfentwintig jaren
(geheel ten onregte had André haar voor ouder aangezien); elke trek
van haar gelaat, indien zij wilde, ademde levenslust; elke lijn van
haar fraaigebouwd ligchaam was rond en zacht. Om tot model eener Venus
te kunnen dienen, was zij misschien een weinig te breed en te gevuld;
doch de andere Pradier, die haar had mogen voorstellen als eene
rustende Bacchante, met wingertranken en druiventrossen gekroond, zou
door zijne romantische kameraden begroet geworden zijn als een wreker
der antieken. Onder de weinige dingen die Sarah nog aan het leven
hechtten, behoorde het dagelijksch verkeer met dit van onder een
anderen hemel herwaarts overgeplant natuurkind, dat in ons noordelijk
klimaat, in onze germaansche maatschappij, niet aarden wilde. Wanneer
Sarah aan den eindeloozen winter dacht, dien hare meesteres aan de
zijde van een man als den haren sleet; aan de nieuwe teleurstelling,
die Lidewyde's deel was geworden sedert zij voor den vriend van dien
man vrijwillig had opgeofferd hetgeen duizend andere vrouwen onder
tranen en gebeden zouden verdedigd hebben als haar hoogste goed,
betrapte zij zichzelve op eene belangstelling, waarvan zij moeijelijk
rekenschap zou hebben kunnen geven en misschien ook liever geen
rekenschap gegeven had. Tot geenen prijs zou zij aan Lidewyde iets
hebben willen veranderen, en elke poging van deze om hare inborst
geweld aan te doen, zou in hare oogen eene dwaasheid geweest zijn.
Doch Sarah kende de wereld, meende zij, beter dan hare meesteres die
kende. Met bezorgdheid zag zij Lidewyde als voortspelen aan den rand
van een afgrond; zich geene rekenschap geven van de meedogenlooze
dommekracht van zeden en gewoonten; zich inbeelden dat men haar zou
blijven dulden, ook indien zij openlijk als eene echtbreekster en
overspeelster bekend stond. Banaliteiten, dit gevoelde Sarah, waren de
gronden, door haar tegen Lidewyde's voornemen om met den dokter te
breken aangevoerd; doch de slotsom van hare levenservaring was, dat
eene maatschappij, welke leeft van gemeenplaatsen en daarin ademhaalt,
in de eerste plaats voor banaliteiten eerbied eischt. Dat zij Lidewyde
idealiseerde; dat alleen hare eigen verbeelding van Lidewyde eene
martelares en van eene courtisane een natuurkind maakte, daarvan was
Sarah zich niet bewust, en zij zou zeer verwonderd zijn geweest,
indien men hare opvatting van Lidewyde's karakter sentimenteel genoemd
had.
Zou zij nogmaals beproeven, Lidewyde af te brengen van haar plan? Het
oogenblik scheen daartoe weinig geschikt. De huisknecht kwam
aankondigen dat het rijtuig wachtte; aan het te naauwernood voltooid
toilet werd de laatste hand gelegd, en Sarah begeleidde hare meesteres
tot aan het portaal, waar de trap, die naar beneden voerde, zich in
tweeën scheidde.