ACHTSTE HOOFDSTUK.

--"Luister eens, Kortenaer," zeide Dijk, toen de maaltijd afgeloopen

was en Lidewyde zich was gaan kleeden, "uw oom heeft onwillekeurig

eene dwaasheid gedaan door u dezer dagen aan mij te adresseren. Mijne

gewone bezigheden zijn in den regel zoo menigvuldig niet, dat ik u

niet behoorlijk te woord zou kunnen staan; en indien gij zes weken

vroeger of zes weken later hier gekomen waart, zou ik onmiddelijk tot

uwe dienst geweest zijn. Wat wordt vereischt om onze zaak in orde te

brengen? Een paar bezoeken bij den kantonregter, eene konferentie of

wat met mijn notaris, meer niet. Doch op dit oogenblik heb ik zelfs

voor dat weinige geen tijd. Een ander en gewigtiger belang neemt in

den loop dezer maand en tot in het begin der volgende al mijne vrije

uren in beslag."

--"Gij zijt kandidaat voor de Tweede Kamer."

--"Hoe weet gij dat? Heeft mijne vrouw het u verteld? Die interesseert

zich anders niet sterk voor zulke zaken."

--"Neen, maar toen ik gisteren-ochtend hierheen reisde, is te T. een

heer bij mij komen zitten, die u persoonlijk kende, en die mij zeide,

dat hij naar M. moest om met u te spreken over uwe kandidatuur. Ik had

hem nooit ontmoet, maar de geheele wereld kent den naam van Lefebvre,

en toen ik hem verteld had dat ik insgelijks naar M. moest en eene

zaak met u te vereffenen had, waren wij aanstonds goede vrienden."

--"Een vreemd uiterlijk, niet waar? Men zou het hem niet aanzeggen dat

hij zoo knap is. Hebt gij hem zien snuiven?"

--"Niet-alleen heb ik dat gezien, maar ik durf beweren dat hij van T.

naar M. niets anders gedaan heeft als snuiven en praten. Om u de

waarheid te zeggen, vond ik hem nog al vies. Met een grooten witten

zakdoek vol ongeregtigheden veegde hij na iedere anekdote zich het

voorhoofd af, en het beetje rappé dat niet aan zijne wangen bleef

kleven vond logies tusschen de plooijen van zijn overhemd."

--"Maar hij zegt voortreffelijke dingen, vindt gij niet?"

--"Zoo voortreffelijk, dat ik somtijds moeite had hem te volgen. Hij

schijnt verwonderlijk goed te huis te zijn in onze politiek."

--"Dat is hij, en ofschoon hij zelden of nooit iets schrijft, oefent

hij een grooten invloed uit. Maar om terug te komen op hetgeen ik u

zeggen wilde, gij zult, naar ik voorzie, niet veel lust hebben, hier

te blijven totdat de verkiezing achter den rug is; en ik, ik kan, op

mijn woord van eer, mij vóór dien tijd niet met u occuperen. Doch ik

meen er iets op gevonden te hebben."

--"En dat is?" vroeg André.

--"Mijne moeder bevindt zich op dit oogenblik met mijne beide zusters

in Engeland; haar huis, hier in de stad, is gesloten, en van dien kant

heb ik u dus niets aan te bieden. Dit is evenwel geen onoverkomelijk

beletsel. Mijn moeders beste vriendin, tegelijk eene zeer goede kennis

van mijne vrouw, is eene oude ongetrouwde dame Steinmetz, die wij

gewoon zijn freule Bertha te noemen. Wat dunkt u, indien freule

Bertha, die niets omhanden en bij zich aan huis ruimte in overvloed

heeft, uw meisje voor eene poos te logeren vroeg? Onze eigen woning,

naar gij bemerkt, is tot uwe dispositie; gij zult jufvrouw Visscher

ten huize van onze vriendin, die eene algemeen geachte en inderdaad

hoogst achtenswaardige dame is, zoo dikwijls kunnen bezoeken als gij

verkiest, en wat ons zelven betreft, het zal ons natuurlijk uitermate

aangenaam zijn, kennis te maken met uwe aanstaande. Het overige kunt

gij met Lidewyde bespreken."

--"Indien Emma's ouders vrede hebben met dat plan, ik voor mij," riep

André uit, "vind het alleraardigst. Gij zijt volkomen opregt, niet

waar, wanneer gij mij verzekert dat ik u geen overlast doe, en niet

minder wanneer gij mij waarborgt dat Emma door de vriendin uwer moeder

goed ontvangen zal worden?"

--"Beste vriend, daarvan kan geen kwestie zijn. Freule Steinmetz is

eene allerbeminnelijkste oude vrouw, die jonge meisjes niet-alleen

niet haat, maar een bepaald zwak voor haar heeft. Zij zal het als een

voorregt beschouwen, jufvrouw Visscher te kunnen herbergen. Belooft

gij mij, de zaak bij uzelven rijpelijk te zullen overleggen? Ik

verzeker u, dat het mij een pak van het hart zal zijn."

--"Al hetgeen ik beloven kan, beloof ik. Waarlijk, het is mij eene

alleraangenaamste verrassing, zoo vriendschappelijk door u bejegend te

worden."

--"Goed, dat eene is dus afgesproken. Gij zult met Lidewyde en

Lidewyde zal met hare vriendin bepraten wat er gedaan moet worden om

uw meisje te overreden. Verlangt gij, vooraf uwe opwachting te gaan

maken bij freule Steinmetz, mijne vrouw zal u gaarne bij haar

introduceren. Nu nog iets anders. De medicus van mijne vrouw, dokter

Ruardi, is mijn intime vriend. Ware ik vrij, ik zou geen afstand doen

van het genoegen, de honneurs der stad bij u waar te nemen. Doch nu

dit niet gaat, is er niemand aan wien ik u met zulk een goed geweten

overleveren kan als aan hem. Staat gij toe dat ik hem over u spreek en

hem uw geval vertel? Hij is een uitmuntend mensch, en zijne

konversatie zal u vast niet minder belang inboezemen dan die van uw

reisgenoot Lefebvre."

--"Kan ik dien heer een uur of anderhalf geleden hier in den tuin

hebben zien wandelen?"

--"Meent gij Lefebvre?"

--"Neen, dokter Ruardi bedoel ik. Zoo noemt gij hem immers? Een

welgemaakt jong man, donker van uitzigt, en geheel in het zwart

gekleed."

--"Juist. Ruardi komt dagelijks en op ieder uur van den dag bij ons

aan huis. Zoo als ik zeide, hij is tevens mijn boezemvriend en de

medicus van Lidewyde. Dus hebt gij hem reeds gesproken?"

--"Niet gesproken, maar gezien. Toen ik daareven op mijne kamer voor

het venster stond, zag ik een dokterskoetsje heen en weder stappen op

den straatweg, en toen op hetzelfde oogenblik een vreemd heer den tuin

doorging, begreep ik half en half dat die vreemdeling Lidewyde's

dokter zijn zou. Gaat het mijnheer Ruardi zoo voor den wind, dat hij

zulk keurig equipage houden kan?"

--"O, Ruardi verdient met zijne praktijk geld als water en heeft

bovendien fortuin van zich zelven en van zijne vrouw."

--"Met wie is hij getrouwd?"

--"Op dit oogenblik is hij weduwnaar, maar eenige jaren geleden is hij

korten tijd getrouwd geweest met een meisje uit onze patricische

societeit. Hij had aan dat juffertje een uitmuntend huwelijk gedaan,

en haar verlies is eene zware slag voor hem geweest."

--"Bedoelt gij daarmede dat hij zelf geen patricier is?"

--"Lieve vriend, wat zal ik op die vraag antwoorden? Mijn eigen vader

was evenmin patricier als Ruardi het is, en alleen om zijn huwelijk is

hij in dien kring toegelaten geworden. Toen ter tijd werd de

fatsoenlijke wereld te M. nog als van ouds in twee helften verdeeld,

de patriciers en de burgers, hoogmoed tegen hoogmoed. Doch sedert is,

gelijk in vele andere dingen, ook daarin groote verandering gekomen.

Tegenwoordig domineren hier handel en industrie, en de geboorte is op

den achtergrond getreden. Evenwel is het daarom nog niet

onverschillig voor een medicus, aan welke familien hij geparenteerd

is. Vergenoeg u dus met de wetenschap dat gij aan de zijde van Ruardi

overal welkom zult zijn... Hoe laat is het? Te drommel, ik moet naar

de stad... Nu, tot van middag aan tafel. Morgen-ochtend hoop ik in de

gelegenheid te zijn, Ruardi voor te bereiden op de kennismaking met u.

Vergeet intusschen onze afspraak omtrent jufvrouw Visscher niet.

Adieu."

Ook zonder die aanbeveling zou André aan de gemaakte afspraak gedacht

hebben. Het liep hem mede, vond hij, en de voorspoed heeft een goed

geheugen. De kennismaking met Lidewyde te kunnen voortzetten en tevens

met Emma vereenigd te zijn, dit was een kolfje naar zijne hand. Zoodra

Lidewyde beneden kwam zou hij met haar over de zaak spreken. Dit was

het voorname pund. Naar den dokter zou hij haar voorloopig niet

vragen. Diens geheimen, zoo hij ze had, gingen hem niet aan; of indien

later blijken mogt van wèl, zou het nog vroeg genoeg zijn.

Lidewyde · 第 30 / 60 题