--"Luister eens, Kortenaer," zeide Dijk, toen de maaltijd afgeloopen
was en Lidewyde zich was gaan kleeden, "uw oom heeft onwillekeurig
eene dwaasheid gedaan door u dezer dagen aan mij te adresseren. Mijne
gewone bezigheden zijn in den regel zoo menigvuldig niet, dat ik u
niet behoorlijk te woord zou kunnen staan; en indien gij zes weken
vroeger of zes weken later hier gekomen waart, zou ik onmiddelijk tot
uwe dienst geweest zijn. Wat wordt vereischt om onze zaak in orde te
brengen? Een paar bezoeken bij den kantonregter, eene konferentie of
wat met mijn notaris, meer niet. Doch op dit oogenblik heb ik zelfs
voor dat weinige geen tijd. Een ander en gewigtiger belang neemt in
den loop dezer maand en tot in het begin der volgende al mijne vrije
uren in beslag."
--"Gij zijt kandidaat voor de Tweede Kamer."
--"Hoe weet gij dat? Heeft mijne vrouw het u verteld? Die interesseert
zich anders niet sterk voor zulke zaken."
--"Neen, maar toen ik gisteren-ochtend hierheen reisde, is te T. een
heer bij mij komen zitten, die u persoonlijk kende, en die mij zeide,
dat hij naar M. moest om met u te spreken over uwe kandidatuur. Ik had
hem nooit ontmoet, maar de geheele wereld kent den naam van Lefebvre,
en toen ik hem verteld had dat ik insgelijks naar M. moest en eene
zaak met u te vereffenen had, waren wij aanstonds goede vrienden."
--"Een vreemd uiterlijk, niet waar? Men zou het hem niet aanzeggen dat
hij zoo knap is. Hebt gij hem zien snuiven?"
--"Niet-alleen heb ik dat gezien, maar ik durf beweren dat hij van T.
naar M. niets anders gedaan heeft als snuiven en praten. Om u de
waarheid te zeggen, vond ik hem nog al vies. Met een grooten witten
zakdoek vol ongeregtigheden veegde hij na iedere anekdote zich het
voorhoofd af, en het beetje rappé dat niet aan zijne wangen bleef
kleven vond logies tusschen de plooijen van zijn overhemd."
--"Maar hij zegt voortreffelijke dingen, vindt gij niet?"
--"Zoo voortreffelijk, dat ik somtijds moeite had hem te volgen. Hij
schijnt verwonderlijk goed te huis te zijn in onze politiek."
--"Dat is hij, en ofschoon hij zelden of nooit iets schrijft, oefent
hij een grooten invloed uit. Maar om terug te komen op hetgeen ik u
zeggen wilde, gij zult, naar ik voorzie, niet veel lust hebben, hier
te blijven totdat de verkiezing achter den rug is; en ik, ik kan, op
mijn woord van eer, mij vóór dien tijd niet met u occuperen. Doch ik
meen er iets op gevonden te hebben."
--"En dat is?" vroeg André.
--"Mijne moeder bevindt zich op dit oogenblik met mijne beide zusters
in Engeland; haar huis, hier in de stad, is gesloten, en van dien kant
heb ik u dus niets aan te bieden. Dit is evenwel geen onoverkomelijk
beletsel. Mijn moeders beste vriendin, tegelijk eene zeer goede kennis
van mijne vrouw, is eene oude ongetrouwde dame Steinmetz, die wij
gewoon zijn freule Bertha te noemen. Wat dunkt u, indien freule
Bertha, die niets omhanden en bij zich aan huis ruimte in overvloed
heeft, uw meisje voor eene poos te logeren vroeg? Onze eigen woning,
naar gij bemerkt, is tot uwe dispositie; gij zult jufvrouw Visscher
ten huize van onze vriendin, die eene algemeen geachte en inderdaad
hoogst achtenswaardige dame is, zoo dikwijls kunnen bezoeken als gij
verkiest, en wat ons zelven betreft, het zal ons natuurlijk uitermate
aangenaam zijn, kennis te maken met uwe aanstaande. Het overige kunt
gij met Lidewyde bespreken."
--"Indien Emma's ouders vrede hebben met dat plan, ik voor mij," riep
André uit, "vind het alleraardigst. Gij zijt volkomen opregt, niet
waar, wanneer gij mij verzekert dat ik u geen overlast doe, en niet
minder wanneer gij mij waarborgt dat Emma door de vriendin uwer moeder
goed ontvangen zal worden?"
--"Beste vriend, daarvan kan geen kwestie zijn. Freule Steinmetz is
eene allerbeminnelijkste oude vrouw, die jonge meisjes niet-alleen
niet haat, maar een bepaald zwak voor haar heeft. Zij zal het als een
voorregt beschouwen, jufvrouw Visscher te kunnen herbergen. Belooft
gij mij, de zaak bij uzelven rijpelijk te zullen overleggen? Ik
verzeker u, dat het mij een pak van het hart zal zijn."
--"Al hetgeen ik beloven kan, beloof ik. Waarlijk, het is mij eene
alleraangenaamste verrassing, zoo vriendschappelijk door u bejegend te
worden."
--"Goed, dat eene is dus afgesproken. Gij zult met Lidewyde en
Lidewyde zal met hare vriendin bepraten wat er gedaan moet worden om
uw meisje te overreden. Verlangt gij, vooraf uwe opwachting te gaan
maken bij freule Steinmetz, mijne vrouw zal u gaarne bij haar
introduceren. Nu nog iets anders. De medicus van mijne vrouw, dokter
Ruardi, is mijn intime vriend. Ware ik vrij, ik zou geen afstand doen
van het genoegen, de honneurs der stad bij u waar te nemen. Doch nu
dit niet gaat, is er niemand aan wien ik u met zulk een goed geweten
overleveren kan als aan hem. Staat gij toe dat ik hem over u spreek en
hem uw geval vertel? Hij is een uitmuntend mensch, en zijne
konversatie zal u vast niet minder belang inboezemen dan die van uw
reisgenoot Lefebvre."
--"Kan ik dien heer een uur of anderhalf geleden hier in den tuin
hebben zien wandelen?"
--"Meent gij Lefebvre?"
--"Neen, dokter Ruardi bedoel ik. Zoo noemt gij hem immers? Een
welgemaakt jong man, donker van uitzigt, en geheel in het zwart
gekleed."
--"Juist. Ruardi komt dagelijks en op ieder uur van den dag bij ons
aan huis. Zoo als ik zeide, hij is tevens mijn boezemvriend en de
medicus van Lidewyde. Dus hebt gij hem reeds gesproken?"
--"Niet gesproken, maar gezien. Toen ik daareven op mijne kamer voor
het venster stond, zag ik een dokterskoetsje heen en weder stappen op
den straatweg, en toen op hetzelfde oogenblik een vreemd heer den tuin
doorging, begreep ik half en half dat die vreemdeling Lidewyde's
dokter zijn zou. Gaat het mijnheer Ruardi zoo voor den wind, dat hij
zulk keurig equipage houden kan?"
--"O, Ruardi verdient met zijne praktijk geld als water en heeft
bovendien fortuin van zich zelven en van zijne vrouw."
--"Met wie is hij getrouwd?"
--"Op dit oogenblik is hij weduwnaar, maar eenige jaren geleden is hij
korten tijd getrouwd geweest met een meisje uit onze patricische
societeit. Hij had aan dat juffertje een uitmuntend huwelijk gedaan,
en haar verlies is eene zware slag voor hem geweest."
--"Bedoelt gij daarmede dat hij zelf geen patricier is?"
--"Lieve vriend, wat zal ik op die vraag antwoorden? Mijn eigen vader
was evenmin patricier als Ruardi het is, en alleen om zijn huwelijk is
hij in dien kring toegelaten geworden. Toen ter tijd werd de
fatsoenlijke wereld te M. nog als van ouds in twee helften verdeeld,
de patriciers en de burgers, hoogmoed tegen hoogmoed. Doch sedert is,
gelijk in vele andere dingen, ook daarin groote verandering gekomen.
Tegenwoordig domineren hier handel en industrie, en de geboorte is op
den achtergrond getreden. Evenwel is het daarom nog niet
onverschillig voor een medicus, aan welke familien hij geparenteerd
is. Vergenoeg u dus met de wetenschap dat gij aan de zijde van Ruardi
overal welkom zult zijn... Hoe laat is het? Te drommel, ik moet naar
de stad... Nu, tot van middag aan tafel. Morgen-ochtend hoop ik in de
gelegenheid te zijn, Ruardi voor te bereiden op de kennismaking met u.
Vergeet intusschen onze afspraak omtrent jufvrouw Visscher niet.
Adieu."
Ook zonder die aanbeveling zou André aan de gemaakte afspraak gedacht
hebben. Het liep hem mede, vond hij, en de voorspoed heeft een goed
geheugen. De kennismaking met Lidewyde te kunnen voortzetten en tevens
met Emma vereenigd te zijn, dit was een kolfje naar zijne hand. Zoodra
Lidewyde beneden kwam zou hij met haar over de zaak spreken. Dit was
het voorname pund. Naar den dokter zou hij haar voorloopig niet
vragen. Diens geheimen, zoo hij ze had, gingen hem niet aan; of indien
later blijken mogt van wèl, zou het nog vroeg genoeg zijn.