De schoonheid van sommige vrouwen is als de zee aan onze
westerstranden. Op den middag spiegelt zich de zon in de golven; zij
breken, en het glanzig schuim spat vonkelend op. De watervlakte, het
blanke zand, de vastgewoelde pinken met haar tuig en bruine netten, de
witte huiven der badkoetsen, de bloote beenen en de roode broek van
den wadenden visscher met het anker op den schouder, de havelooze
kleedij der visscherskinderen, die met eene opgetuigde klomp
schuitjevaren spelen in de plas,--alles glinstert, alles baadt zich
dansend in het stroomend licht: de hemel schijnt geopend. Doch
gindsche reuzenwolk, die sedert lang gedreigd heeft de zonnestralen te
zullen onderscheppen, drijft allengs nader; in het eind volvoert zij
hare bedreiging, en voort zijn eensklaps de glans en de gloed. Grooter
en grooter wordt de schaduwvlek op den blinkenden spiegel; nog een
oogwenk, en de bruiloft van daareven is in eene begrafenis verkeerd.
Denk u het omgekeerde van dat tooneel, en gij zult u eene voorstelling
van André's verbazing kunnen vormen, toen hij de kleine eetzaal
binnentrad. Den vorigen avond had Lidewyde den indruk op hem gemaakt
eener half uitgebloeide schoonheid; eener vrouw, die, omdat zij zich
verveelde, op hare beurt vervelend was; voor wie beminnelijk te zijn
een lastpost scheen; wier kleeding-zelve geblaseerdheid teekende.
Thans daarentegen, thans zat bij het geopend venster, tusschen een
amfitheater van sierplanten, in de lichte schaduw van een in den tuin
vooruitspringend zonnescherm, als een madeliefje in het groen, een
aanvallig wezen. Ongekunstelde vriendelijkheid sprak uit hare donkere
oogen, een glimlach speelde om haar fraaijen gullen mond, een wit
neteldoeksch ochtendkleed met zacht gekleurde bouquetten van violet en
groen vormde de bevalligste harmonie met de breede afhangende linten,
groen en violet, die haar mutsje sierden. Het blanke voorhoofd kwam
schitterend uit tegen het ongebleekte kantwerk, en die gele tint
temperde wederkeerig den golvenden gloed der donkerzwarte
haarvlechten.
Ware zij, toen André binnentrad, opgerezen en hem te gemoet gegaan,
hare houding noch haar gang zouden de schoonheid van haar gelaat
gelogenstraft hebben. Had zij hem de hand gereikt en had hij die een
oogenblik in de zijne mogen houden, het zou hem getroffen hebben dat
zulke fijne vingertoppen de verlenging waren eener zoo poezele vuist.
Doch zij bleef zitten in haar leunstoel bij het venster, liet beide
handen eene wijl in de schoot rusten, wendde het hoofd naar de deur,
en nam met den vriendelijksten blik der wereld, het uitnoodigendst
welkom verkondigend, haren neef en logeergast op.
In de tegenwoordigheid eener zoo schoone vrouw, op wier gelaat
bovendien de blos eener volmaakte gezondheid zetelde, was het André
niet mogelijk, lang aan de medische fakulteit te denken. De
herinnering aan het dokterskoetsje was eensklaps als weggevaagd uit
zijnen geest; Lidewyde's liefelijke en tegelijk indrukwekkende
verschijning vervulde hem geheel, en indien iets hem op dit oogenblik
bekommerde, was het de vraag, op welken voet hij haar toespreken zou.
"Mevrouw" tot haar te zeggen, had hem den vorigen avond niet de
geringste inspanning gekost, nu daarentegen bestierf dat deftige woord
hem schier op de lippen. Doch ook dit bezwaar werd uit den weg
geruimd, en zijne eigenliefde had van zijne opkomende verlegenheid
niets te lijden.
--"Laat ons elkaar bij den voornaam noemen," zeide zij. "Neef en nicht
zijn gruwzame woorden, nog gruwzamer dan mijnheer en mevrouw. Hoe
minder ik ze hoor, hoe liever het mij is... Mijn man kan elk oogenblik
thuiskomen. Ga zitten, André, en vertel mij intusschen van uwe Emma."
Gewoon te spreken en te handelen zonder =arrière-pensée=,--althans dit
verbeeldde hij zich; en daarvoor ging hij door,--verkeerde André te
goeder trouw in den waan dat alle andere regtschapen lieden even zoo
deden. Bijoogmerken te hebben stond in zijne schatting gelijk met
huichelen, en hij kon zich niet voorstellen, plagt hij te zeggen, dat
iemand met een zuiver karakter omwegen gebruikte om tot zijn doel te
geraken. "Vertel mij van uwe Emma," was voor hem, uit Lidewyde's
mond,--en voorshands waren er dan ook inderdaad geene redenen om aan
die woorden eene andere beteekenis te hechten,--het verzoek van eene
lieve, goedhartige vrouw, die herstellen wilde hetgeen zij den vorigen
avond door hare koelheid bedorven had.
--"Het doet mij regt veel genoegen," vervolgde zij, "dat het toeval
mij met u in kennis brengt. Verleden week waren de couranten vol van
uwen lof. Doch een neef te bezitten die spoorwegbruggen bouwt, is niet
genoeg. Men is begeerig, zulk een neef te aanschouwen. Gij zijt het
eerste lid van uwe familie waarmede ik tot hiertoe in aanraking kom.
Met uw oom is mijn man enkele malen in gezelschap geweest, doch ik
zelf heb hem nooit ontmoet. Is hij een aangenaam mensch? Houdt gij van
hem?"
--"Indien gij den brief gelezen hadt, dien ik daareven aan mijn meisje
heb zitten schrijven, zoudt gij naar mijn antwoord op de laatste dier
twee vragen niet lang behoeven te raden," zeide André met een
glimlach. "Neen, ik houd niet bijzonder veel van mijn oom, maar hij
kan daarom wel een aangenaam mensch zijn."
--"Is hij tegen uw huwelijk?" vroeg zij, hem aanziende en insgelijks
glimlagchend.
--"Hij is er ten minste tegen geweest. Hoe hij op dit oogenblik
daarover denkt, weet ik niet. Doch waarom vraagt gij dat?"
--"Waarom? Omdat het mij van u spijten zou, indien men tegelijk een
aangenaam mensch en uwe antipathie zijn kon. Maar alles verandert,
zoodra uw oom ongaarne uw huwelijk ziet. Bruidegoms hebben het regt
ieder te haten die niet doodelijk is van hunne bruid. Doch uw oom is
een oud jong heer, aan wiens meening gij u niet te storen hebt. Erger
zou het zijn, indien uwe ouders niet ingenomen waren met uw meisje. Of
anders uwe zusters. Gij hebt immers zusters?"
--"O, van dien kant is alles in orde. Emma heeft bij mijne ouders
herhaaldelijk gelogeerd, en de geheele wereld bij ons aan huis draagt
haar op de handen."
--"Zij is eene jufvrouw Visscher niet waar, en gij hebt haar te
Duinendaal leeren kennen? Dat was een romaneske geschiedenis, die val
van u. Er zijn weinig jonge heeren die niet gaarne tot dien prijs in
kennis zouden komen met een aardig meisje."
--"Die val van mij?" vroeg André, voor de eerste reis blozend om een
accident, dat een huisgenoot op Belvedere van hem gemaakt had. "Hoe is
het mogelijk dat gij daar kennis van draagt?"
--"Ja wel, ja wel," schertste zij, "men heeft te M. bloedverwanten
wonen waar men niet naar omziet; men laat Adriaan Dijk en zijne vrouw
aan hun lot over; men wacht met mededeelzaam te zijn totdat het toeval
neef André en nicht Lidewyde met elkander in kennis brengt. Doch nicht
Lidewyde wordt goed geïnformeerd, reken daarop; en bovendien is
Duinendaal zulk een uithoek niet, dat men, met een weinig
belangstelling, geene gelegenheid zou kunnen vinden om sommige
informatien op de plaats zelve te gaan kontroleren."
--"Inderdaad, Lidewyde, ik ben verbaasd..."
--"Dat is braaf van u, mij Lidewyde te noemen. Ik begon al te vreezen
dat mijn naam u tegenstond. Emma klinkt veel liefelijker, dat erken
ik. Weet gij hoe ik aan dien naam van Lidewyde kom? Ik heet naar de
zalige Lidewyde van Schiedam, waar mijn vader geboren is. Misschien
doet die oude dame nog eenmaal een goed woord voor mij, en verzoent
zij mij daardoor met de gedachte, half en half eene Schiedamsche te
zijn; wat ik geen voorregt vind. Ik benijd u den naam van Kortenaer;
en, had het in mijne keus gestaan, ik zou, even als gij, hebben willen
afstammen van iemand die in de Groote Kerk te Rotterdam in een
praalgraf rust. Mijne petemoei, indien ik haar zoo noemen mag, heeft
zich moeten vergenoegen met een opschrift boven een klein-steedsch
hofje. Maar waarom verbaast het u, dat ik op de hoogte ben van uw
roman? Of zijt gij zoo nederig, dat gij den roep van uwe ridderlijke
daden beperkt zoudt willen weten tot de echo's der Duinendaalsche
boschjes? Dat kan ik niet gelooven. In mijn tijd althans waren de
jonge lieden zoo bescheiden niet."
--"In uw tijd, Lidewyde? Moest ik u een kompliment maken, ik zou
zeggen dat uw tijd nog komen moet. Maar in vollen ernst, wie heeft u
verteld onder welke omstandigheden ik het hof aan Emma gemaakt heb?"
--"Niemand heeft mij dat verteld. En dat was ook niet noodig. Zoo lang
de boschaadjes de kunst van klappen niet zullen verleerd hebben,
behoeft niemand veel moeite te doen om achter het geheim van sommige
vrijaadjes te komen."
--"Foei, Lidewyde, nu doet gij even als mijn aanstaande schoonvader,
die langzamerhand de taal der oude hollandsche dichters begint te
spreken. Ik voor mij houd niet..."
--"Wat hoor ik? Dat is een slecht begin, André! Gij houdt niet van uw
oom, niet van uwen aanstaanden schoonvader, misschien ook niet van uw
aanstaande schoonmoeder,--waar moet dat heen? Gij houdt van uw meisje,
zult gij zeggen, en ik geef u toe dat die vlag de lading dekt. Hoe
ziet uw meisje er uit? Allerliefst, natuurlijk; doch erken dat dit
tevens te veel en te weinig zegt. Is zij blond, is zij bruin, is zij
groot, is zij klein? Biecht op, mijnheer André, en stel mij in de
gelegenheid uw goeden smaak te bewonderen!"
--"Wilt gij haar portret zien?" vroeg hij, naar zijne portefeuille
tastend. "Hier is het."
Hij rees op, reikte haar het albumblad over, en ging toen weder
zitten. Zij liet zich achterover zinken in haren stoel, hield de
kleine beeldtenis met de eene hand een weinig voor zich uit, ten einde
haar niet onder een valsch licht te zien, en bragt de andere hand aan
hare wang.
--"Welk een lief onschuldig gezigtje!" zeide zij, terwijl een
glimlach, gelijk alleen welgevallen en bewondering tooveren konden,
haar gelaat verlichtte. "En welk bevallig figuurtje! Mijnheer André,
ik maak u mijn kompliment. Meestal doet de fotografie blondines
onregt; doch Emma heeft geen reden van klagen. Is zij altijd zoo
gekapt, met die lange krullen van voren? En is het waar, dat men haar
en hare moeder voor zusters zou aanzien? Het is een keurig portretje.
Alleen zou ik gewild hebben, dat de fotograaf haar een weinig minder
=en face= genomen had; doch dat zijn van die details waar de fotografen
gemeenlijk geen oog voor hebben."
--"Ja maar," begon André.
Doch om Lidewyde duidelijk te maken dat hare aanmerking hem niet
geheel en al gegrond voorkwam, moest hij opstaan; en wilde hij het
licht niet roekeloos onderscheppen, dan was het onvermijdelijk dat
hij zich achter haar fauteuil plaatste en haar met den vinger aanwees,
dat het door den fotograaf gebragte offer goedgemaakt werd door
sommige schoonheden in Emma's houding, die anders verloren zouden zijn
gegaan. Hij ondernam het, zich van dat pleidooi te kwijten, doch niet
zonder zekere ontroering. De fijne geur van bloemen en kruiden die uit
Lidewyde's kapsel naar hem opsteeg, bedwelmde hem niet zoo zeer; maar
gedurende zijn onderhoud met haar had hij de oogen schier niet kunnen
afwenden van hare schouders, die, zonder breed te zijn, toch eene
ronding en volheid vertoonden, waarbij Emma's buste onvorstelijk
afstak. Nu hij zich in de onmiddelijke nabijheid van Lidewyde bevond,
troffen die schouders hem op nieuw en nog sterker dan te voren. Emma
zou hij steeds ontraden hebben, zich bij bals of andere feestelijke
gelegenheden te zeer den hals te ontblooten, Lidewyde niet. Hij stelde
zich integendeel voor, dat het een verrukkelijk schouwspel moest
opleveren, Lidewyde gedekolleteerd te zien.
--"Ja maar," hervatte hij, zich voorover buigend, zoodat hij den adem
moest inhouden om haar kanten mutsje te ontzien, "ik geloof niet dat
de fotograaf er veel bij zou gewonnen hebben..."
--"En waarom zou hij niet?"
--"Wel, omdat anders..."
--"Neen, dat ben ik niet met u eens."
--"Ik druk mij verkeerd uit, geloof ik."
--"Toch niet, ik begrijp uwe bedoeling volkomen. Tenzij..."
--"Nu juist, dat is het."
Het pleidooi zou misschien gaandeweg zijn gaan vlotten, en ook al ware
het nu en dan een weinig blijven steken, welligt zou André het niet
onaangenaam hebben gevonden, zich nog digter over de leuning van
Lidewyde's stoel heen te buigen en haar in vertrouwen te betoogen dat
Emma's houding weinig of niets te wenschen overliet. Doch hun
onderhoud werd gestoord door de komst van den heer des huizes, en het
duurde geen vijf minuten, of het manipuleren van messen en vorken had
aan alle debatten voorshands een einde gemaakt.