Het was, gelijk André aan Emma schreef, tusschen elven en twaalven in
den ochtend; het uur waarop zelfs in het heetst van den zomer de
warmte nog niet onverdragelijk pleegt te zijn, de bloemen nog iets
overgehouden hebben van de frischheid van den morgenstond, en de
wandelpaden in de tuinen nog min of meer den indruk der voetstappen
bewaren.
Ontegenzeggelijk is in Mei en in het begin van Junij het blad hier te
lande fraaijer dan in Augustus. Het heeft dan die eenvormige donkere
tint nog niet aangenomen, die naderhand de meeste boomen en de meeste
heesters leden van dezelfde familie doet schijnen. Doch al mist de
volle zomer dat afsteken van het lichtere tegen het donkerder loof;
die fijne schakeringen van linden- en van eikengroen; dat bloeijen der
madelieven aan den voet der kastanjes in de grasperken,--hij wordt, of
mag men aan boomen zulke menschelijke gevoelens niet toeschrijven?
door de bruine beuken in eere gehouden. De zware boom tegenover
André's venster althans, dezelfde waarvan hij melding had gemaakt in
zijnen brief aan Emma, had reden om in de heerlijkheden van den
nazomer te roemen. Vol majesteit strekte hij naar alle zijden zijne
takken uit, en geen alleenheerscher onder de menschen kan fierder op
zijn eenzamen zetel troonen, dan hij in zijn grasperk deed. Elke
poging om in den omtrek van dien zwaren stam eene bloem te kweeken,
zou vruchteloos gebleven zijn. Alleen mosplanten wilden tieren in de
schaduw van dat ondoordringbaar bladerendak. In laag op laag stapelde
zich het donkerkleurig loof opwaarts; en zoo fijnbewerkt, zoo
bewegelijk, zoo doorzigtig was nogtans dat massief gebladerte, dat
hier en ginds, door alles heen, gouden vonken nederschoten op het
heldergroene mos om den stam; dat vogeltjes, niet grooter dan eene
kinderhand, eene zachte schommeling mededeelden aan de uiteinden van
het gevaarte; dat oost noch west een zucht kon slaken zonder al de
zenuwen van den boom te doen trillen. De lente is schoon en magtig;
doch de koningen van het woud met heerlijkheid te kroonen,--dat vermag
de volle zomer alleen.
De brief aan Emma was gereed, de enveloppe digtgelijmd, het adres
geschreven, het postzegel bevestigd; en met het gevoel van iemand die
zich in allen deele gekweten heeft van zijnen pligt, ging André voor
het venster staan en liet het oog weiden over het beperkt, maar
innemend landschap aan zijnen voet en om hem henen. Hij dacht aan
Emma, aan hare liefde voor hem, aan hare uitmuntende hoedanigheden,
aan hetgeen zij reeds was en nog zou kunnen worden. Doch tevens dacht
hij aan zichzelven en aan zijn gesternte, dat hem naar Soekabrenti
gevoerd had, en misschien zou hij nog geruimen tijd zich hebben staan
verdiepen in allerlei voorstellingen, indien zijne aandacht niet
afgeleid ware geworden door een geluid van naderende voetstappen en
van twee fluisterende stemmen, tot hem opstijgend van het pad dat
onder zijn venster kronkelde. Het ruischen van een vrouwenkleed deed
hem vermoeden dat een der twee sprekende personen Lidewyde was,
terwijl de andere, te oordeelen naar stem en gang, een man scheen te
zijn. Werkelijk zag hij eenige oogenblikken later een heer en eene
dame het voetpad volgen, dat langs den beuk naar de tegenovergestelde
zijde van den tuin voerde en uitkwam aan een boschje tusschen den tuin
en den rijweg.
Soekabrenti had twee toegangen: een van arduin en ijzer voor
rijtuigen aan het eene, en een kleiner hek van hout voor voetgangers
aan de andere zijde van het park. Doch André was met die bijzonderheid
nog onbekend, en eerst nu merkte hij op, dat bij dat kleinere hek, aan
gene zijde van het boschje, een elegante, met twee paarden bespannen
tom-pouce stapvoets heen en weder gereden werd. Had hij de aangezigten
van het wandelend paar kunnen onderscheiden, misschien zou het
verschil in beider uitdrukking hem getroffen hebben: de bloeijende
mannelijke schoonheid van het eene, en de onmiskenbare sporen van
vrouwelijk lijden op het andere. In elk geval zou hij aanstonds gewaar
geworden zijn dat de onbekende dame misschien Lidewyde's jufvrouw van
gezelschap, doch zeker niet Lidewyde-zelve was. Doch de slankheid van
haar figuur en het bedriegelijk-jeugdige van een lagen tuinhoed met
breeden rand misleidden hem omtrent haren leeftijd, en eerst toen zij
onverzeld uit het boschje terugkeerde en hij haar in het gelaat kon
zien, bemerkte hij zijne vergissing.
Zij was eene vrouw van vijftig jaren, fatsoenlijk, doch zoo eenvoudig
gekleed, dat men twijfelen mogt of zij in allen deele als de gelijke
van de vrouw des huizes aangemerkt kon worden. Aan eene dienstbare
deed zij niet denken, doch evenmin aan eene meesteres; althans niet op
dit gebied en in deze omgeving. De tuinmansjongen, bezig met het
opbinden der bloemen en het reinigen der bedden, groette haar toen zij
hem voorbijging, doch niet met dat ontzag waarop het gedistingeerde in
haar voorkomen haar aanspraak scheen te geven. Was zij welligt
Lidewyde's moeder? Indachtig aan de verhalen van zijnen oom omtrent
Lidewyde's afkomst, kon André dit bezwaarlijk aannemen. Tusschen hare
gelaatstrekken en die van Lidewyde was geen zweem van gelijkenis te
bespeuren. Ook zou de tuinmansjongen, indien zij in eene zoo naauwe
betrekking tot zijne mevrouw gestaan had, haar ongetwijfeld met meer
onderscheiding bejegend hebben. "Het zal Lidewyde's kamenier zijn,"
zeide André; en hij zou met die onderstelling vollen vrede hebben
gehad, indien de jonge man aan hare zijde, dien zij uitgeleide scheen
gedaan te hebben, in zijne manier van nevens haar te gaan en met haar
te spreken meer gemeenzaamheid aan den dag gelegd had.
Dat hij dat niet had gedaan, maar zich onwillekeurig onderworpen
scheen te hebben aan den toon van gezag, waarop zij tot hem sprak, was
iets dat André intrigeerde. Voor het overige vond hij de zaak in het
minst niet geheimzinnig. Lidewyde, redeneerde hij, was juist eene
vrouw om gestadig hare toevlugt te nemen tot de medische fakulteit;
die vreemde heer met zijn brieschend tweespan en zijn nuffig rijtuig
was de M'sche mode-dokter; niets natuurlijker dan dat de
gezelschapsjufvrouw, of welke andere naam haar dan ook voegde, last
bekomen had om den volgeling van Hippokrates, die hier welligt iederen
dag een morgenbezoek kwam afleggen, als naar gewoonte uit te laten.
Veel tijd evenwel om dit gewone en natuurlijke in overeenstemming te
brengen met de verrassende deferentie, welke uit de houding van den
gevierden medicus gesproken en waarmede hij naar de vertoogen der
ondergeschikte vijftigjarige geluisterd had, schoot thans voor André
niet over. Een bediende kwam hem waarschuwen dat het ontbijt gereed
was en de vrouw des huizes hem wachtte.
--"Heeft mijnheer soms boodschappen te verrigten?" vroeg de knecht.
--"Boodschappen?" herhaalde André, "dat niet zoo zeer. Maar indien gij
naar de stad gaat, wees dan zoo goed en bezorg meteen dezen brief op
de post."
--"Met genoegen, mijnheer."