Sedert vierentwintig uren van zijnen zendelingstocht naar M.
teruggekomen, zat Eduard Stephenson in de boven-achterkamer, die hem
tegelijk tot studeer- en tot slaapvertrek diende en uitzag in den tuin
achter de niet verwaarloosde, maar nogtans uitermate burgerlijke
woning van zijn pastoor, in de =Bekentenissen= van Augustinus te lezen.
G. is geene groote plaats, gelijk men weet, maar eene dier
provinciesteden van den tweeden rang, welke nog slechts met sommige
van hare buitenwijken naar den spoorweg beginnen te kruipen en de hand
naar een aandeel in de voorregten der algemeene beschaving
uitstrekken. De huizen met trapgevels zijn er menigvuldiger dan
elders, en het ontbreekt er niet aan bovenverdiepingen waar de muren
der vertrekken nog met voorvaderlijke kalk bestreken zijn, het
onverholen getimmerte der zolderingen nog in de donkergroene grondverf
staat, en de vloeren iets ruws en onbehagelijks over zich hebben, dat
onvereenigbaar is met het comfort van een tapijt.
Zulk een ouderwetsch huis was het huis van den pastoor, en zulk eene
onherbergzame kamer die van Stephenson. Voor eene boekenkast van
gladgeschaafde planken hing een dundoek van geruit katoen, wit en
blaauw; om het eikenhouten ledikant, bruin van ouderdom, was een
behang geslagen van eeuwenheugend en verkleurd damast, dezelfde vale
en sombere tint vertoonend als de gordijnen dier bedsteden in het
klooster van den Grooten Saint-Bernard, welke er zoo spelonkachtig
uitzien wanneer de kloosterbroeder, met de kaars in de hand, ze u voor
uw nachtverblijf aanwijst, en waarin men nogtans, na een vermoeijenden
rid te paard of eene wandeling van veertien uren, overheerlijk slapen
kan. Stephenson had =niet= overheerlijk geslapen, en dezelfde reden
waarom hij in den afgeloopen nacht naauwlijks de oogen had kunnen
luiken,--nabetrachtingen over zijn gesprek met Ruardi en onafzienbare
bespiegelingen over het waarom der menschelijke verdorvenheid,--was
ook oorzaak dat hij dezen ochtend minder aandacht schonk dan ooit aan
het kloosterachtige zijner omgeving. Hij was niet in eene stemming om
op te merken hoe hard de zitting was van zijn matten stoel, of hoe
spoedig zijne voeten een gat geboord zouden hebben in het
halfversleten karpet onder zijne tafel. Hij zag op uit zijn boek en
staarde in den tuin. Daar drentelde de pastoor op en neder, met eene
lange goudsche pijp in den mond en een zwartfluweelen kalot op het
hoofd. In den aanblik van dien man was niets verheffends of
bemoedigends. Hij droeg in huis eene soutane af, door langdurig
gebruik geheel glimmend geworden, en wanneer hij 's morgens in den
tuin wandelde, plagt hij tegen het opslaan van den vochtigen grond,
over zijne muilen heen, een paar klompen aan te schieten. Niet het
minst wanneer hij zijne pijp dwars tusschen de tanden nam en zich
voorover bukte over zijne hortikultuur, in het voorjaar rupsen
zoekend tusschen de knoppen zijner rozenstruiken, in den nazomer de
gele bladeren uit zijne geraniums verwijderend, zou in het oog van een
denker de oude pastoor op holsblokken een belangwekkend beeld geweest
zijn van het proza des christendoms. Een schilder zou partij hebben
weten te trekken van dit eenvoudig, maar zuiver menschelijk tooneel;
zou hier met een toets en ginds met eene lijn het alledaagsche daarin
ongemeen gemaakt of aan het platte relief gegeven hebben. Doch
Stephenson, die geen schilder was, was ook geen denker. Hem troostte,
wanneer hij verdriet had, noch de kunst, noch de wijsbegeerte, en
alleen de mystiek was in staat hem te verzoenen met eene wereld, van
welke hij zoo diep als iemand gevoelde dat zij in den Booze lag. Hij
ergerde zich niet aan zijn pastoor; nog veel minder verachtte hij hem;
de grijsaard was in zijne oogen een Israëliet zonder bedrog. Doch er
zijn zielen die ook in de trivialiteit van Nathanaël, hoe onschadelijk
zij overigens wezen moge, eene openbaring zien van de magt der zonde.
In vergelijking van Ruardi was de pastoor een engel, ongetwijfeld;
doch Ruardi's bestaan, meende Stephenson, werd door het bestaan van
zulke kortgewiekte goede geniussen niet opgewogen of geneutraliseerd.
--"=O felix culpa!=" prevelde hij voor niemand weet de hoeveelste maal
in zijn priesterlijk leven. Want dit moet van hem gezegd worden, dat
hoewel het gevoel der menschelijke schuld hem diep ter neder drukte,
hij die schuld-zelve niet uitgewischt zou hebben willen zien, indien
hij voor zoo hoog een prijs zijnen Verlosser had moeten missen.
Op hetzelfde oogenblik dat Stephenson zich aldus in de verborgenheden
der christelijke geloofsleer verdiepte, zat André Kortenaer,
insgelijks op eene boven-achterkamer met het uitzigt op den tuin, den
volgenden brief aan zijn meisje te schrijven: