"Lieve Emma,
"Ik wenschte niet dat gij raden kondt waar ik mij op dit oogenblik
bevind of hoe ik hier gekomen ben. Het zou veel, maar te veel voor
uwe schranderheid bewijzen. De dames hebben het regt,
ondoorgrondelijk te zijn; doch bezaten zij bovendien de gaaf van
alles te doorgronden,... dan zou voor de heeren (hoor ik u zeggen)
in het geheel geen kans meer overschieten om haar te bedriegen.
Hoe komt gij toch aan die ongunstige meening omtrent ons, en
waaraan heb ik het te danken dat gij om mijnentwil eene
uitzondering op den regel toelaat? Geloof mij, ik ben geene
uitzondering, en aan de meesten onzer is een weinig blind
vertrouwen zeer wel besteed.
"Dit herinnert mij aan ons laatste gesprek in het Duinendaalsche
bosch, en ik kan mij bijna niet voorstellen, dat het nog slechts
drie dagen geleden is dat wij afscheid genomen hebben van
elkander. Hoe snel ging de tijd voorbij toen wij bijeen waren, en
hoe traag kruipen thans de uren om! Waarom glimlagchen de menschen
en noemen zij het kinderachtig, wanneer twee aanstaande
echtgenooten niet buiten elkander kunnen? Voor mij is niets zoo
belangrijk in dit leven als uwe liefde, en ik heb oneindig meer op
met u dan met alle spoorwegbruggen en alle volkspaleizen die ik
misschien nog bouwen zal. In vergelijking van ons huwelijk vind ik
zelfs de vereenigde doorgraving der landengten van Suez en van
Panama eene zaak van niet meer dan betrekkelijk gewigt.
"Doch luister nu eens, mejufvrouw, naar hetgeen ik u te vertellen
heb. Het is elf ure in den ochtend, en ik zit u dezen brief te
schrijven in een koketten stoel, aan een elegant bureau, in de
weelderigste van alle logeerkamers. Wanneer ik het hoofd omwend,
heb ik aan mijne linkerzijde twee opengeslagen vensterdeuren, en
zie ik neder op een groot grasperk, in het midden waarvan een
zware bruine beuk prijkt. Zaagt gij de zon door de takken en
bladeren van dien boom hare vonken schieten op het gras, gij zoudt
er stil van worden. Het park, dat mij omringt, is geene eigenlijk
gezegde buitenplaats, maar de breed aangelegde tuin van eene
villa, geen twintig minuten gaans van de stad verwijderd. Den
vreemden naam van =Soekabrenti= dankt die villa aan een oost-indisch
millionair, die haar eenige jaren geleden hier heeft doen bouwen
en van wiens chineesche vrouw even als van hem zelven ik u bij
gelegenheid kurieuze anekdoten vertellen zal. Thans is zij het
eigendom van--dat zal ik u zeggen. Gij zult dan meteen weten wie
mijn gastheer is, hoe mijne gastvrouw heet, waarom ik niet bij
mijn oom gebleven ben, te A., en welke zaken ik te M. te
verhandelen heb.
"Toen ik eergisteren-ochtend op het bepaalde uur bij mijn oom
verscheen... Maar neen, op die wijze zou aan mijn verhaal geen
einde komen, en het is niet belangwekkend genoeg om lang te mogen
zijn. "Vertel mij eens, vriendje," vroeg mijn oom, op den hem
eigen vernederenden en brusken toon, waarachter hij volgens
sommige zijne warmste genegenheden verbergt, doch dien ik voor mij
altijd onaangenaam gevonden heb, "weet gij wel dat uwe moeder en
ik eene erfenis deelen moeten met een verren neef van ons, Adriaan
Dijk geheeten? Ter wille van uwe zusters wenschte ik dat de
nalatenschap vorstelijker ware, doch daaraan is nu eenmaal niets
te veranderen. Ik ben verhinderd, in persoon naar M. te gaan en
met Dijk, die buitendien mijn boezemvriend niet is, de noodige
schikkingen te maken. De zaak moet evenwel geregeld worden, en dat
is de reden dat ik u ontboden heb. Deze prokuratie is, geloof ik,
zoo algemeen mogelijk, en met dat ding in den zak zult gij uit
mijnen naam alles kunnen verrigten wat de wet voorschrijft." Mijn
vader had mij van die erfenis het een en ander verteld, zoodat
mijn oom de moeite had kunnen sparen mij in te lichten en te
bejegenen als een knaap. Doch zoo is hij. Ik had in de mij
toegedachte kommissie weinig lust, en liet niet onduidelijk
doorschemeren, dat ik het in elk geval ruim zoo eenvoudig zou
gevonden hebben, mij die prokuratie toe te zenden over de post,
desnoods in een aangeteekenden brief. Niet waar? Ik zou dan
regtstreeks naar M. hebben kunnen reizen, en had niet noodig gehad
den omweg te maken, die thans, door eerst naar A. te trekken,
onvermijdelijk geworden was. Voor die opmerking werd ik evenwel
aanstonds gestraft door de vraag, of ik zoo weinig prijs stelde op
een persoonlijk onderhoud met mijnen oom, dat het genot van dat
voorregt mij zelfs geen halve dag reizens waard was? "Bovendien,"
vervolgde mijn oom, "wenschte ik u omtrent, de personen met wie
gij te M. in aanraking komen zult,--Adriaan Dijk en zijne vrouw,
bedoel ik,--eenige dier inlichtingen te verschaffen, welke ik niet
gewoon ben toe te vertrouwen aan het papier. Wees openhartig en
zeg mij, kent gij mevrouw Dijk?" Bij het doen dier vraag zag mijn
oom mij doordringend aan; veel ernstiger en veel doordringender
dan noodig was, want van mevrouw Dijks bestaan was mij toen nog
alleen dit bekend dat zij de vrouw was van onzen neef Adriaan, met
wien ik de zaak der erfenis regelen zou. Wel herinnerde ik mij,
haar somtijds te hebben hooren roemen als eene schoonheid, te
schoon en te geestig voor een man als den haren, van wien men
beweerde dat hij het kruid niet uitgevonden had; doch daar ik òf
hem òf haar zelfs niet van aangezigt kende, vond ik het niet
noodig gewag te maken, van die bijzonderheid. Mijn antwoord was,
en zoo sprekend zeide ik de gulle waarheid: "Ik weet te
naauwernood dat er eene mevrouw Dijk in de wereld is." Wat mijn
oom mij toen uitlegde, en het vele wonderlijke dat hij mij
vertelde van den heer en de dame aan wie hij bezig was mij te
endosseren, kan ik u niet alles woordelijk overbrengen. Ook zou
het u vermoedelijk voor een groot gedeelte even weinig belang
inboezemen als mij. "Dijk," zeide hij onder anderen, als ten
vervolge op zijne mededeeling dat neef Adriaan zijn boezemvriend
niet was, "Dijk is een ingebeelde zot. Of hij verstand van tabak
heeft, weet ik niet, maar dat hij op nieuw intrigeert om lid van
de Tweede Kamer te worden, is onvergefelijk. Eenige jaren geleden
ben ik toevallig veroordeeld geweest hem herhaaldelijk te
ontmoeten in gezelschap van derden, en bij die gelegenheden heb ik
hem hooren doorslaan over politiek. Het was erbarmelijk. Omdat hij
fortuin en een grooten mond heeft, verbeeldt hij zich te kunnen
medepraten over belastingwetten, over diplomatieke nota's, over
koloniale onderwerpen, en wat niet al; doch van mijn leven heb ik
door een volwassen mensch zooveel onzin niet hooren uitkramen.
Gelijk de meesten zijner stadgenooten, zeilt hij onder liberale
vlag; doch had ik vóór '48 geweten, dat onze nieuwe Grondwet voor
zulke werveldraaijers het hek ontsluiten zou, ik zou mijne
onafhankelijke positie nooit prijs gegeven hebben." Meer zal u
interesseren hetgeen mijn oom van mevrouw Dijk vertelde. "Mevrouw
Dijk," zeide hij, "is de natuurlijke dochter van een mijner
voormalige schoolkameraden. Haar voornaam is Lidewyde, doch zij is
geene hollandsche van geboorte. Haar vader is jaren geleden
nederlandsch consul geweest te Alexandrie, en heeft daar een
tijdlang geleefd met eene soort van grieksche slavin. Of hij nog
bestaat weet ik niet, maar ik twijfel er aan. Hij is indertijd met
mevrouw Dijk, die toen een kind was, uit Egypte naar Holland
gekomen en heeft haar ergens besteed op eene kostschool, waar zij
de vriendin geworden is van Dijks zusters. Vervolgens is hij naar
de Oost vertrokken, en schijnt voor de opvoeding van dat kind, wat
het geldelijke betreft, behoorlijk zorg gedragen te hebben. In de
eene of andere groote vakantie is het meisje door de oude mevrouw
Dijk te logeeren gevraagd, en zoo is Adriaan aan haar gekomen.
Indien zij ooit van hem gecharmeerd geweest is, is zij eene even
groote zottin als hij; maar ik gis dat zij hem alleen genomen
heeft om eene toonbare positie te hebben."
"Gij weet ongeveer, lieve Emma, hoe ik over mijn oom denk. Hij
is mijn weldoener geweest en zonder hem zou ik geen ingenieur
geworden zijn; reden genoeg voor mij om hem te achten en te
ontzien. Doch liefhebben kan ik hem niet; en dat hij in weerwil
van zijne ondervinding en van zijn oud-ministerstitel een man vol
vooroordeelen is, daarvan heb ik sedert gisteren op nieuw de
ervaring opgedaan. Hij heeft zijnen tijd gehad en kent de kaart
van het land niet meer. Heb ik het hem niet als eene uitgemaakte
zaak hooren voorstellen dat Adriaan Dijk liberaal was en als lid
van de liberale partij lid van de Tweede Kamer wilde worden?
Welnu, op mijne reis van A. naar M. heb ik kennis gemaakt met een
welingelicht persoon, die mij verzekerd heeft dat mijn oom den bal
volkomen missloeg. Van dien heer, die er onoogelijk uitzag, maar
zeer onderhoudend praatte (hij heet Lefebvre, en moet een voornaam
advokaat zijn), heb ik vernomen dat Adriaan Dijk niet-alleen bij
de aanstaande verkiezing van een lid der Tweede Kamer te M.
optreden zal als de kandidaat der konservativen, maar dat hijzelf
(den heer Lefebvre meen ik), die insgelijk de konservative rigting
toegedaan is, zich met geen ander doel naar M. begaf als om met
Adriaan over diens kandidatuur te gaan spreken en bezoeken met hem
te gaan afleggen bij eenige vrienden. Mij is het volmaakt
onverschillig, dat begrijpt gij, of mijn neef Dijk konservatief of
liberaal is; maar uit hetgeen ik u daar vertel blijkt genoeg, dat
op het oordeel van mijn oom Timmermans weinig staat valt te maken.
"Wilt gij een ander staaltje van zijne kortzigtigheid? Toen ik
gisteren-avond bij Dijk mijne opwachting ging maken (want hij
ontvangt alleen 's avonds, en indien ik dat van te voren geweten
had, zou ik minder vroeg uit A. vertrokken zijn), verbeeldde ik
mij, afgaande op de beschrijving van mijn oom, een winderig
persoon te zullen aanschouwen, die mij half en half brutaliseren
of althans overbluffen zou, en tegen wien ik op mijne hoede zou
moeten zijn. Doch toen de vigelante, waarmede ik mij naar
Soekabrenti had laten brengen, stilhield voor dat paleis (Dijks
woning is inderdaad een vorstelijk gebouw), werd ik ontvangen door
een gul en wellevend man, de voorkomendheid in persoon, die
naauwelijks mijn naam en het doel van mijne komst vernomen had, of
hij gaf mij de hand en bood mij zijn huis aan. Dijk is iemand van
vijfenveertig jaren, naar ik gis. Hij heeft een hoog voorhoofd en
is bijna kaal; maar ofschoon zijn digte blonde baard hier en daar
grijze plekken begint te vertoonen, ziet hij er volstrekt niet
uit als een versleten man. Hij is klein van gestalte, heeft kleine
handen en kleine voeten en is naar den laatsten smaak gekleed. Het
eenige wat ik op hem zou weten aan te merken, is dat hij iets
deftigs over zich heeft, dat niet geheel en al natuurlijk is; maar
dat misstaat hem niet, omdat men gevoelt dat hij anders misschien
te levendig en te toeschietend zou zijn.
"Wat mijne nicht Lidewyde betreft, deze heeft, naar ik u verklaren
kan, niet den minsten indruk op mij gemaakt, en ik begrijp ter
wereld niet hoe mijn oom (of had ik u dat nog niet verteld?) mij
haar heeft kunnen afschilderen als eene kokette vrouw. Misschien,
ja, indien zij wilde, zou zij er interessant kunnen uitzien; doch
gelijk ik haar gisteren-avond aangetroffen heb, thee schenkend
onder de verandah aan de achterzijde van het huis en zich te
mijner eer te naauwernood opheffend uit haar gemakkelijken stoel,
vond ik haar niet-alleen niet mooi, maar bijna onbevallig. Haar
oog zegt niets; haar mond (in afgemeten en karige woorden heette
zij mij welkom) weinig meer, en op haar voorhoofd troont eene
wolk, die aan wrevel en meer nog aan onverschilligheid denken
doet. Men kon het haar aanzien, dat zij afkomstig is uit het
Oosten, of althans uit het Zuiden, en die indruk is zelfs zoo
sterk, dat men verwonderd is, haar Hollandsch te hooren spreken
zonder accent. Doch dat vreemde uitzigt is dan ook het eenige in
haar wat frappeert. Zij is jonger dan haar man, en zal ongeveer
van mijn eigen leeftijd zijn.
"En ziedaar, lieve Emma, hoe ik beland ben op Soekabrenti en
waarom ik aldaar mijn anker heb laten vallen. Naar de berekening
van mijn oom, zullen met het opmaken der noodige akten, en zoo
voorts, hoogstens acht dagen gemoeid zijn. Dijk heeft dat niet
tegengesproken, en daarom heb ik dan ook van zijn aanbod, om bij
hem mijnen intrek te nemen, zonder schroom gebruikt gemaakt. Hij
wilde volstrekt niet hebben, dat ik meer dan één nacht in een
logement slapen zou, en om u de waarheid te zeggen was zijne
propositie mij zeer naar den smaak. Te Duinendaal heb ik zoovele
maanden achtereen als een zwaluw onder de dakgoot gewoond, dat die
levenswijze voor mij al hare bekoorlijkheid verloren heeft.
Daarbij komt dat het weelderigst hôtel niet confortabler ingerigt
kan zijn dan Soekabrenti. Voor menschen zonder kinderen is het
huis eigenlijk veel te groot; men verdwaalt er in, en indien ik u
den weg naar mijne kamer moest wijzen, zou ik misschien verlegen
staan. De persoon die het heeft laten bouwen, maar er spoedig
genoeg van had en nu de hemel weet waar op een landgoed woont,--in
Boheme, hoor ik,--had een talrijk gezin, en zijne jongelui, met
inbegrip van goeverneurs en goevernantes, moesten elk eene
afzonderlijke kamer kunnen hebben. Doch met uitzondering van dit
doolhofachtige is het de fraaiste villa die men zich denken kan,
en ik weet wel wie er schik in hebben zou, het eenmaal in de
wereld zoo ver te brengen, dat hij zulk een huis bewonen kon.
Meermalen had ik hooren vertellen, dat Dijk fortuin had; doch om
zoo te kunnen leven als hij doet, met een kantoor in de stad,
eigen rijtuig, eigen paarden, een eigen tuinman en een huis vol
bedienden, moet hij schatrijk zijn.
"Gisteren-ochtend met mijn ledigen tijd geen raad wetend, heb ik
eene ontdekkingsreis door de straten van M. gedaan en ben ik een
kijkje gaan nemen van het Park. Alles heeft hier in de laatste
jaren een veel levendiger aanzien bekomen dan te voren; er
heerscht eene ongeloofelijke drukte, en even als men van de meeste
kerkorgels in ons land verhaalt dat zij na het Haarlemsche de
grootste zijn, zal men over niet langen tijd, doch met meer grond,
van M. kunnen zeggen, dat het na Amsterdam of Rotterdam onze
voornaamste koopstad is. Behalve naar het Park, waar tweemalen in
de week muziek gemaakt wordt, gaan de menschen hier veel naar
Zeeburg, waar verleden jaar een badhuis geopend is. Wel tienmalen
daags is er gelegenheid om met omnibussen of diligences daarheen
te rijden, en wie niet rijden wil kan desnoods wandelen, want van
hier naar genoemd dorp is weinig meer dan een uur gaans.
"Gij bemerkt, melieve, dat het oord mijner ballingschap in het
geheel geene woestijn is. Ook zou ik het er wel kunnen uithouden,
indien gij slechts bij mij waart. Doch uwe afwezigheid vervolgt
mij overal; en pas sedert ik u ben gaan schrijven, heb ik mij
weder minder verlaten gevoeld. Met evenveel droefheid als
zelfvoldoening zie ik de volgekrabde blaadjes nevens mij nog
aangroeijen; want hoewel de gedachte mij goeddoet, eerlijk
gebiecht en u haarklein al mijne wederwaardigheden verteld te
hebben, besef ik met smart dat ook aan de genoegelijkste dingen
een einde moet komen, en het niet aangaan zou, een nog langeren
brief naar Duinendaal te zenden dan deze onwillekeurig reeds
geworden is. Groet uwe ouders van mij, en al degenen die naar mij
vragen zullen. Gedenk mijne eenzaamheid en troost mij spoedig, bid
ik u, met een lettertje van uwe hand. Het zal de eerste brief
zijn, dien ik van u ontvang; maar indien van u gescheiden te zijn
de prijs is waarvoor ik het genot moet koopen de teekenen van uwe
lieve hand te aanschouwen, zou ik bijna wenschen dat het tevens de
laatste was. Ik kan niet buiten u, Emma, en hij zal een toovernaar
zijn die mij hier langer aan de praat houdt dan volstrekt
noodzakelijk is. Mijn hart is op Belvedere. Bij u behoor ik, voor
u leef ik, u omhels ik."