Soekabrenti, bij M,... Augustus 186--

"Lieve Emma,

"Ik wenschte niet dat gij raden kondt waar ik mij op dit oogenblik

bevind of hoe ik hier gekomen ben. Het zou veel, maar te veel voor

uwe schranderheid bewijzen. De dames hebben het regt,

ondoorgrondelijk te zijn; doch bezaten zij bovendien de gaaf van

alles te doorgronden,... dan zou voor de heeren (hoor ik u zeggen)

in het geheel geen kans meer overschieten om haar te bedriegen.

Hoe komt gij toch aan die ongunstige meening omtrent ons, en

waaraan heb ik het te danken dat gij om mijnentwil eene

uitzondering op den regel toelaat? Geloof mij, ik ben geene

uitzondering, en aan de meesten onzer is een weinig blind

vertrouwen zeer wel besteed.

"Dit herinnert mij aan ons laatste gesprek in het Duinendaalsche

bosch, en ik kan mij bijna niet voorstellen, dat het nog slechts

drie dagen geleden is dat wij afscheid genomen hebben van

elkander. Hoe snel ging de tijd voorbij toen wij bijeen waren, en

hoe traag kruipen thans de uren om! Waarom glimlagchen de menschen

en noemen zij het kinderachtig, wanneer twee aanstaande

echtgenooten niet buiten elkander kunnen? Voor mij is niets zoo

belangrijk in dit leven als uwe liefde, en ik heb oneindig meer op

met u dan met alle spoorwegbruggen en alle volkspaleizen die ik

misschien nog bouwen zal. In vergelijking van ons huwelijk vind ik

zelfs de vereenigde doorgraving der landengten van Suez en van

Panama eene zaak van niet meer dan betrekkelijk gewigt.

"Doch luister nu eens, mejufvrouw, naar hetgeen ik u te vertellen

heb. Het is elf ure in den ochtend, en ik zit u dezen brief te

schrijven in een koketten stoel, aan een elegant bureau, in de

weelderigste van alle logeerkamers. Wanneer ik het hoofd omwend,

heb ik aan mijne linkerzijde twee opengeslagen vensterdeuren, en

zie ik neder op een groot grasperk, in het midden waarvan een

zware bruine beuk prijkt. Zaagt gij de zon door de takken en

bladeren van dien boom hare vonken schieten op het gras, gij zoudt

er stil van worden. Het park, dat mij omringt, is geene eigenlijk

gezegde buitenplaats, maar de breed aangelegde tuin van eene

villa, geen twintig minuten gaans van de stad verwijderd. Den

vreemden naam van =Soekabrenti= dankt die villa aan een oost-indisch

millionair, die haar eenige jaren geleden hier heeft doen bouwen

en van wiens chineesche vrouw even als van hem zelven ik u bij

gelegenheid kurieuze anekdoten vertellen zal. Thans is zij het

eigendom van--dat zal ik u zeggen. Gij zult dan meteen weten wie

mijn gastheer is, hoe mijne gastvrouw heet, waarom ik niet bij

mijn oom gebleven ben, te A., en welke zaken ik te M. te

verhandelen heb.

"Toen ik eergisteren-ochtend op het bepaalde uur bij mijn oom

verscheen... Maar neen, op die wijze zou aan mijn verhaal geen

einde komen, en het is niet belangwekkend genoeg om lang te mogen

zijn. "Vertel mij eens, vriendje," vroeg mijn oom, op den hem

eigen vernederenden en brusken toon, waarachter hij volgens

sommige zijne warmste genegenheden verbergt, doch dien ik voor mij

altijd onaangenaam gevonden heb, "weet gij wel dat uwe moeder en

ik eene erfenis deelen moeten met een verren neef van ons, Adriaan

Dijk geheeten? Ter wille van uwe zusters wenschte ik dat de

nalatenschap vorstelijker ware, doch daaraan is nu eenmaal niets

te veranderen. Ik ben verhinderd, in persoon naar M. te gaan en

met Dijk, die buitendien mijn boezemvriend niet is, de noodige

schikkingen te maken. De zaak moet evenwel geregeld worden, en dat

is de reden dat ik u ontboden heb. Deze prokuratie is, geloof ik,

zoo algemeen mogelijk, en met dat ding in den zak zult gij uit

mijnen naam alles kunnen verrigten wat de wet voorschrijft." Mijn

vader had mij van die erfenis het een en ander verteld, zoodat

mijn oom de moeite had kunnen sparen mij in te lichten en te

bejegenen als een knaap. Doch zoo is hij. Ik had in de mij

toegedachte kommissie weinig lust, en liet niet onduidelijk

doorschemeren, dat ik het in elk geval ruim zoo eenvoudig zou

gevonden hebben, mij die prokuratie toe te zenden over de post,

desnoods in een aangeteekenden brief. Niet waar? Ik zou dan

regtstreeks naar M. hebben kunnen reizen, en had niet noodig gehad

den omweg te maken, die thans, door eerst naar A. te trekken,

onvermijdelijk geworden was. Voor die opmerking werd ik evenwel

aanstonds gestraft door de vraag, of ik zoo weinig prijs stelde op

een persoonlijk onderhoud met mijnen oom, dat het genot van dat

voorregt mij zelfs geen halve dag reizens waard was? "Bovendien,"

vervolgde mijn oom, "wenschte ik u omtrent, de personen met wie

gij te M. in aanraking komen zult,--Adriaan Dijk en zijne vrouw,

bedoel ik,--eenige dier inlichtingen te verschaffen, welke ik niet

gewoon ben toe te vertrouwen aan het papier. Wees openhartig en

zeg mij, kent gij mevrouw Dijk?" Bij het doen dier vraag zag mijn

oom mij doordringend aan; veel ernstiger en veel doordringender

dan noodig was, want van mevrouw Dijks bestaan was mij toen nog

alleen dit bekend dat zij de vrouw was van onzen neef Adriaan, met

wien ik de zaak der erfenis regelen zou. Wel herinnerde ik mij,

haar somtijds te hebben hooren roemen als eene schoonheid, te

schoon en te geestig voor een man als den haren, van wien men

beweerde dat hij het kruid niet uitgevonden had; doch daar ik òf

hem òf haar zelfs niet van aangezigt kende, vond ik het niet

noodig gewag te maken, van die bijzonderheid. Mijn antwoord was,

en zoo sprekend zeide ik de gulle waarheid: "Ik weet te

naauwernood dat er eene mevrouw Dijk in de wereld is." Wat mijn

oom mij toen uitlegde, en het vele wonderlijke dat hij mij

vertelde van den heer en de dame aan wie hij bezig was mij te

endosseren, kan ik u niet alles woordelijk overbrengen. Ook zou

het u vermoedelijk voor een groot gedeelte even weinig belang

inboezemen als mij. "Dijk," zeide hij onder anderen, als ten

vervolge op zijne mededeeling dat neef Adriaan zijn boezemvriend

niet was, "Dijk is een ingebeelde zot. Of hij verstand van tabak

heeft, weet ik niet, maar dat hij op nieuw intrigeert om lid van

de Tweede Kamer te worden, is onvergefelijk. Eenige jaren geleden

ben ik toevallig veroordeeld geweest hem herhaaldelijk te

ontmoeten in gezelschap van derden, en bij die gelegenheden heb ik

hem hooren doorslaan over politiek. Het was erbarmelijk. Omdat hij

fortuin en een grooten mond heeft, verbeeldt hij zich te kunnen

medepraten over belastingwetten, over diplomatieke nota's, over

koloniale onderwerpen, en wat niet al; doch van mijn leven heb ik

door een volwassen mensch zooveel onzin niet hooren uitkramen.

Gelijk de meesten zijner stadgenooten, zeilt hij onder liberale

vlag; doch had ik vóór '48 geweten, dat onze nieuwe Grondwet voor

zulke werveldraaijers het hek ontsluiten zou, ik zou mijne

onafhankelijke positie nooit prijs gegeven hebben." Meer zal u

interesseren hetgeen mijn oom van mevrouw Dijk vertelde. "Mevrouw

Dijk," zeide hij, "is de natuurlijke dochter van een mijner

voormalige schoolkameraden. Haar voornaam is Lidewyde, doch zij is

geene hollandsche van geboorte. Haar vader is jaren geleden

nederlandsch consul geweest te Alexandrie, en heeft daar een

tijdlang geleefd met eene soort van grieksche slavin. Of hij nog

bestaat weet ik niet, maar ik twijfel er aan. Hij is indertijd met

mevrouw Dijk, die toen een kind was, uit Egypte naar Holland

gekomen en heeft haar ergens besteed op eene kostschool, waar zij

de vriendin geworden is van Dijks zusters. Vervolgens is hij naar

de Oost vertrokken, en schijnt voor de opvoeding van dat kind, wat

het geldelijke betreft, behoorlijk zorg gedragen te hebben. In de

eene of andere groote vakantie is het meisje door de oude mevrouw

Dijk te logeeren gevraagd, en zoo is Adriaan aan haar gekomen.

Indien zij ooit van hem gecharmeerd geweest is, is zij eene even

groote zottin als hij; maar ik gis dat zij hem alleen genomen

heeft om eene toonbare positie te hebben."

"Gij weet ongeveer, lieve Emma, hoe ik over mijn oom denk. Hij

is mijn weldoener geweest en zonder hem zou ik geen ingenieur

geworden zijn; reden genoeg voor mij om hem te achten en te

ontzien. Doch liefhebben kan ik hem niet; en dat hij in weerwil

van zijne ondervinding en van zijn oud-ministerstitel een man vol

vooroordeelen is, daarvan heb ik sedert gisteren op nieuw de

ervaring opgedaan. Hij heeft zijnen tijd gehad en kent de kaart

van het land niet meer. Heb ik het hem niet als eene uitgemaakte

zaak hooren voorstellen dat Adriaan Dijk liberaal was en als lid

van de liberale partij lid van de Tweede Kamer wilde worden?

Welnu, op mijne reis van A. naar M. heb ik kennis gemaakt met een

welingelicht persoon, die mij verzekerd heeft dat mijn oom den bal

volkomen missloeg. Van dien heer, die er onoogelijk uitzag, maar

zeer onderhoudend praatte (hij heet Lefebvre, en moet een voornaam

advokaat zijn), heb ik vernomen dat Adriaan Dijk niet-alleen bij

de aanstaande verkiezing van een lid der Tweede Kamer te M.

optreden zal als de kandidaat der konservativen, maar dat hijzelf

(den heer Lefebvre meen ik), die insgelijk de konservative rigting

toegedaan is, zich met geen ander doel naar M. begaf als om met

Adriaan over diens kandidatuur te gaan spreken en bezoeken met hem

te gaan afleggen bij eenige vrienden. Mij is het volmaakt

onverschillig, dat begrijpt gij, of mijn neef Dijk konservatief of

liberaal is; maar uit hetgeen ik u daar vertel blijkt genoeg, dat

op het oordeel van mijn oom Timmermans weinig staat valt te maken.

"Wilt gij een ander staaltje van zijne kortzigtigheid? Toen ik

gisteren-avond bij Dijk mijne opwachting ging maken (want hij

ontvangt alleen 's avonds, en indien ik dat van te voren geweten

had, zou ik minder vroeg uit A. vertrokken zijn), verbeeldde ik

mij, afgaande op de beschrijving van mijn oom, een winderig

persoon te zullen aanschouwen, die mij half en half brutaliseren

of althans overbluffen zou, en tegen wien ik op mijne hoede zou

moeten zijn. Doch toen de vigelante, waarmede ik mij naar

Soekabrenti had laten brengen, stilhield voor dat paleis (Dijks

woning is inderdaad een vorstelijk gebouw), werd ik ontvangen door

een gul en wellevend man, de voorkomendheid in persoon, die

naauwelijks mijn naam en het doel van mijne komst vernomen had, of

hij gaf mij de hand en bood mij zijn huis aan. Dijk is iemand van

vijfenveertig jaren, naar ik gis. Hij heeft een hoog voorhoofd en

is bijna kaal; maar ofschoon zijn digte blonde baard hier en daar

grijze plekken begint te vertoonen, ziet hij er volstrekt niet

uit als een versleten man. Hij is klein van gestalte, heeft kleine

handen en kleine voeten en is naar den laatsten smaak gekleed. Het

eenige wat ik op hem zou weten aan te merken, is dat hij iets

deftigs over zich heeft, dat niet geheel en al natuurlijk is; maar

dat misstaat hem niet, omdat men gevoelt dat hij anders misschien

te levendig en te toeschietend zou zijn.

"Wat mijne nicht Lidewyde betreft, deze heeft, naar ik u verklaren

kan, niet den minsten indruk op mij gemaakt, en ik begrijp ter

wereld niet hoe mijn oom (of had ik u dat nog niet verteld?) mij

haar heeft kunnen afschilderen als eene kokette vrouw. Misschien,

ja, indien zij wilde, zou zij er interessant kunnen uitzien; doch

gelijk ik haar gisteren-avond aangetroffen heb, thee schenkend

onder de verandah aan de achterzijde van het huis en zich te

mijner eer te naauwernood opheffend uit haar gemakkelijken stoel,

vond ik haar niet-alleen niet mooi, maar bijna onbevallig. Haar

oog zegt niets; haar mond (in afgemeten en karige woorden heette

zij mij welkom) weinig meer, en op haar voorhoofd troont eene

wolk, die aan wrevel en meer nog aan onverschilligheid denken

doet. Men kon het haar aanzien, dat zij afkomstig is uit het

Oosten, of althans uit het Zuiden, en die indruk is zelfs zoo

sterk, dat men verwonderd is, haar Hollandsch te hooren spreken

zonder accent. Doch dat vreemde uitzigt is dan ook het eenige in

haar wat frappeert. Zij is jonger dan haar man, en zal ongeveer

van mijn eigen leeftijd zijn.

"En ziedaar, lieve Emma, hoe ik beland ben op Soekabrenti en

waarom ik aldaar mijn anker heb laten vallen. Naar de berekening

van mijn oom, zullen met het opmaken der noodige akten, en zoo

voorts, hoogstens acht dagen gemoeid zijn. Dijk heeft dat niet

tegengesproken, en daarom heb ik dan ook van zijn aanbod, om bij

hem mijnen intrek te nemen, zonder schroom gebruikt gemaakt. Hij

wilde volstrekt niet hebben, dat ik meer dan één nacht in een

logement slapen zou, en om u de waarheid te zeggen was zijne

propositie mij zeer naar den smaak. Te Duinendaal heb ik zoovele

maanden achtereen als een zwaluw onder de dakgoot gewoond, dat die

levenswijze voor mij al hare bekoorlijkheid verloren heeft.

Daarbij komt dat het weelderigst hôtel niet confortabler ingerigt

kan zijn dan Soekabrenti. Voor menschen zonder kinderen is het

huis eigenlijk veel te groot; men verdwaalt er in, en indien ik u

den weg naar mijne kamer moest wijzen, zou ik misschien verlegen

staan. De persoon die het heeft laten bouwen, maar er spoedig

genoeg van had en nu de hemel weet waar op een landgoed woont,--in

Boheme, hoor ik,--had een talrijk gezin, en zijne jongelui, met

inbegrip van goeverneurs en goevernantes, moesten elk eene

afzonderlijke kamer kunnen hebben. Doch met uitzondering van dit

doolhofachtige is het de fraaiste villa die men zich denken kan,

en ik weet wel wie er schik in hebben zou, het eenmaal in de

wereld zoo ver te brengen, dat hij zulk een huis bewonen kon.

Meermalen had ik hooren vertellen, dat Dijk fortuin had; doch om

zoo te kunnen leven als hij doet, met een kantoor in de stad,

eigen rijtuig, eigen paarden, een eigen tuinman en een huis vol

bedienden, moet hij schatrijk zijn.

"Gisteren-ochtend met mijn ledigen tijd geen raad wetend, heb ik

eene ontdekkingsreis door de straten van M. gedaan en ben ik een

kijkje gaan nemen van het Park. Alles heeft hier in de laatste

jaren een veel levendiger aanzien bekomen dan te voren; er

heerscht eene ongeloofelijke drukte, en even als men van de meeste

kerkorgels in ons land verhaalt dat zij na het Haarlemsche de

grootste zijn, zal men over niet langen tijd, doch met meer grond,

van M. kunnen zeggen, dat het na Amsterdam of Rotterdam onze

voornaamste koopstad is. Behalve naar het Park, waar tweemalen in

de week muziek gemaakt wordt, gaan de menschen hier veel naar

Zeeburg, waar verleden jaar een badhuis geopend is. Wel tienmalen

daags is er gelegenheid om met omnibussen of diligences daarheen

te rijden, en wie niet rijden wil kan desnoods wandelen, want van

hier naar genoemd dorp is weinig meer dan een uur gaans.

"Gij bemerkt, melieve, dat het oord mijner ballingschap in het

geheel geene woestijn is. Ook zou ik het er wel kunnen uithouden,

indien gij slechts bij mij waart. Doch uwe afwezigheid vervolgt

mij overal; en pas sedert ik u ben gaan schrijven, heb ik mij

weder minder verlaten gevoeld. Met evenveel droefheid als

zelfvoldoening zie ik de volgekrabde blaadjes nevens mij nog

aangroeijen; want hoewel de gedachte mij goeddoet, eerlijk

gebiecht en u haarklein al mijne wederwaardigheden verteld te

hebben, besef ik met smart dat ook aan de genoegelijkste dingen

een einde moet komen, en het niet aangaan zou, een nog langeren

brief naar Duinendaal te zenden dan deze onwillekeurig reeds

geworden is. Groet uwe ouders van mij, en al degenen die naar mij

vragen zullen. Gedenk mijne eenzaamheid en troost mij spoedig, bid

ik u, met een lettertje van uwe hand. Het zal de eerste brief

zijn, dien ik van u ontvang; maar indien van u gescheiden te zijn

de prijs is waarvoor ik het genot moet koopen de teekenen van uwe

lieve hand te aanschouwen, zou ik bijna wenschen dat het tevens de

laatste was. Ik kan niet buiten u, Emma, en hij zal een toovernaar

zijn die mij hier langer aan de praat houdt dan volstrekt

noodzakelijk is. Mijn hart is op Belvedere. Bij u behoor ik, voor

u leef ik, u omhels ik."

Lidewyde · 第 26 / 60 题