Toen Stephenson te G., gelijk zijne standplaats heette, plaats nam in
den spoortrein, ontging het hem dat in het rijtuig der eerste klasse,
waaraan het zijne onmiddelijk voorafging, twee heeren gezeten waren,
waarvan de een André Kortenaer was en de ander voor de lezers van dit
verhaal nog een vreemdeling is. De schrijver zou het vleijend voor
zijne eigenliefde vinden, indien het hun eenig belang inboezemde te
vernemen, om welke reden André zich niet meer te A. bevond, waar hij
zaken had af te doen met zijnen oom, en wat hem naar M. voerde, waar
hij, voor zoo ver bekend was, niets te verrigten had. Doch het is hem
meer waard, de leemten hunner wetenschap aan te vullen dan aanstonds
hunne nieuwsgierigheid te bevredigen, en hij verstout zich te beweren
dat het voor hen van hooger belang is de kennismaking met dokter
Ruardi eerst nog eene poos voort te zetten, dan nu reeds te worden
ingewijd in geheimen die spoedig genoeg aan het licht zullen komen.
De huisknecht Jakob was te zeer opgevoed in het ontzag zijns heeren
dan dat hij voor luistervink zou hebben durven spelen, en met een
groot aantal zijner natuurgenooten had hij dit gemeen, dat de
gehechtheid aan zijne maatschappelijke positie, of indien men liever
wil, de vrees van daaruit verdreven te zullen worden, hem afhield van
sommige kwade praktijken waartoe het hem anders niet aan de vereischte
neiging zou ontbroken hebben. Hij hoorde niets; en evenmin als hij
iets hoorde, zag hij iets. De sleutelgaten van dokter Ruardi's
vertrekken waren niet derwijze ingerigt, dat men hetgeen daar binnen
voorviel steelsgewijs van buiten waarnemen kon. Al hetgeen Jakob dan
ook in den namiddag van dien dag aan zijn vrouw verhaalde omtrent het
ongewoon bezoek des ochtends aan den dokter gebragt,--Jakob was in
zoover gehuwd dat hij de zorg voor zijne zeven kinderen overliet aan
hunne moeder en zijn eigen haard enkel als een kosthuis
beschouwde,--was geheel en al eene vinding van zijn aangeboren
vernuft. Jakob had niets gezien en niets gehoord; had noch de
wederzijdsche verlegenheid kunnen opmerken, waardoor het gesprek zich
in den aanvang gekenmerkt had, noch aanteekening kunnen houden van den
koude- of warmtegraad, waartoe het beurtelings gedaald en gestegen
was. Dit alleen wist hij, dat, toen "mijnheer de pastoor" een uur
later den trap afging, zijn gelaat en zijn houding al de kenteekenen
vertoond hadden eener volkomen teleurstelling.
Ziehier in het kort hetgeen Eduard Stephenson, roomsch-katholiek
priester, na de belijdenis van zijn christelijk geloof en zijn verzoek
om onderstand te hebben voorgedragen, ten antwoord bekwam van Frederik
Ruardi, dokter in de genees-, heel- en verloskunde:
--"Indien ik Alexander niet was, lieve vriend, zou ik Diogenes
wenschen te zijn. Maak daaruit op, dat ik uwe gevoelens eerbiedig,
doch tevens, dat ik daarin onmogelijk deelen kan. De theologie is
nooit mijne specialiteit geweest, doch voor zoo ver ik over die zaken
oordeelen kan schijnt het mij toe, dat gij van uw standpunt wèl
gehandeld hebt met roomsch te worden. Ik ga verder en erken, dat zelfs
de meest orthodoxe protestant, om van de liberalere niet te spreken,
mij voorkomt eene anomalie te zijn. Toen de duivel vroom werd, zegt
het spreekwoord, was hij een oud man, en ik voor mij ben van zins het
volgen van dat voorbeeld uit te stellen tot den dag mijner begrafenis.
Mogt ik evenwel vroeg of laat mijne tegenwoordige zienswijze vaarwel
zeggen, dan geloof ik dat de keus tusschen Rome en Genève mij niet
moeijelijk vallen, en ik in de oudste brieven al spoedig het meeste
vertrouwen stellen zou.
--"Doch dit daargelaten. Uwe fout, in mijne oogen, is niet zoo zeer
dat gij roomsch of priester, maar dat gij met de predikanten en de
rabbi's de vertegenwoordiger zijt van eene opvatting der menschelijke
natuur die mij onmenschelijk voorkomt. Gijlieden van de godgeleerde
fakulteit zijt in onze zamenleving een element van gewigt, en mijn
stelsel brengt mede dat ik den hoed voor u afneem. Gij vormt met u
allen eene indrukwekkende politiemagt; en de juistheid dier
vergelijking is mij nooit zoo duidelijk geweest als sedert ik een jaar
of drie geleden eene reis gedaan heb door het vaderland van mijne
grootouders. De dienders in de Staten van koning Victor Emanuel gaan
namelijk in het zwart gekleed, en een Hollander zou een vergrootglas
moeten gebruiken om eenig wezenlijk onderscheid te ontdekken tusschen
het uitzigt dier onontbeerlijke agenten en dat van onze geestelijken
hier te lande. De vorsten en hunne regeringen hebben in zekeren zin
groot gelijk dat zij ulieden naar de oogen zien; want uwe hulp is even
onmisbaar voor hen als die van hunne legers, hunne dagbladen en hunne
spionnen. Desniettemin houd ik u en uwe leer voor den kanker der
zamenleving. Ontberen is van die leer de grondtoon; genieten de
grondtoon der mijne, die uit dien hoofde even gezond is als de uwe
ziekelijk. Laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij, is, met
uw verlof, een uitnemend beginsel; en voor zoo ver ik dat beginsel in
praktijk breng, ben ik uw vijand. Doch hierin ben ik het met ulieden
eens, dat een mensch niet leven kan alleen van brood. Ik voor mij, ten
minste, die een gastronoom ben, protesteer tegen dat régime.
Herinnert gij u Karel van Mansveld? Een goede jongen, doch dien het
niet medegeloopen is in de wereld. Hij werkt thans veertien uren daags
op een kassierskantoor hier in de stad; zijn patroons, eene firma van
drie of vier leden, behandelen hem als een kruijer; hij heet
sous-chef, doch is inderdaad niets meer dan een bediende. Waarom
verbreekt hij zijn juk niet? Waarom laat hij zijne superieuren
zoogenaamd, die met hun allen niet het tiende deel zijner bekwaamheden
bezitten, niet rondom loopen? Alleen omdat hij den moed niet heeft,
zich en zijne vrouw en zijne zes kinderen van kant te maken. Ofschoon
ik er de noodzakelijkheid niet van inzie, hij moet leven, zegt hij, en
om dat te kunnen doen onderwerpt hij zich aan den vernederendsten
arbeid. Zoo is de wereld. Gij theologen dicht aan het menschelijk
bestaan, ik laat in het midden met welke bijoogmerken, een doel toe
waar niemand naar streeft. In den grond der zaak toch bekommert geen
sterveling zich om iets anders als om spijs en drank; tenzij men,
gelijk het geval is met mijzelven, eene afleiding gevonden heeft in de
liefde. De liefde en de honger, heeft Schiller gezegd, zijn de twee
polen waartusschen het menschelijk leven zich beweegt; en nooit hebben
uwe apostelen of uwe profeten iets zoo afdoends gezegd. Gij vraagt mij
eene gift voor de jonge vrouw, die, naar gij zegt, door mijne schuld
ongelukkig geworden is. Die gift zal ik u doen toekomen, doch onder
protest. Ik heb dat meisje niet ongelukkig, maar betrekkelijk gelukkig
gemaakt; en het eenige wat ik u kan toegeven is, dat haar voorspoed
slechts kort geduurd heeft. Aan den omgang met mij is zij sommige van
de genoegelijkste oogenblikken haars levens verschuldigd geweest.
Ontbrak het haar hiertoe niet aan de noodige middelen, zij zou die
oogenblikken kunnen vermeerderen; doch dat zij die middelen niet
bezit, is mijn schuld niet. Hebt gij ooit eene fransche rozenkweekerij
gezien? In velden vol gemeene soorten ziet men hier en ginds, op
groote afstanden van elkander, eenige zeldzame nieuwe varieteiten zich
vormen. Die varieteiten hebben waarde; de massa der rozen niet. Met de
menschen is het niet anders. Het min of meer volkomen geluk van een
hunner heeft de slavernij of den tegenspoed van duizend, laat ons
zeggen van honderd anderen tot onvermijdelijke voorwaarde. In mijne
soort en op kleine schaal ben ik eene varieteit; een konkest zeggen de
bloemisten. Had het van mijnen wil afgehangen, ik zou bedongen hebben,
dat een kleiner aantal van hetgeen gij mijne slagtoffers noemt
volstaan moest om mij te doen beantwoorden aan mijne bestemming. Doch
ik heb daar niets aan kunnen veranderen. Ook was het voor mij, even
als voor alle menschen, u zelve niet uitgezonderd, er op of er onder.
De wet van het zelfbehoud is eene tirannieke meesteres, en wie niet
heerscht wordt gebruikt; daar is geen bidden voor. Ons leven bestaat
in een eindeloos streven naar herstel van evenwigt op allerlei gebied.
Gijlieden van de sombere fakulteit predikt aan de menschen dat zij
behagen moeten leeren vinden in het doen van hunnen pligt. Voor mij en
volgens mij is dat een omweg. Mijn lust is mijn leven, en eerst
wanneer ik dien geboet heb, vind ik rust. Er is een tijd geweest dat
ik wilde trouwen, en ik ben getrouwd. Doch hetgeen toen goed was,
omdat ik het wenschte, zou thans, indien de omstandigheden mij niet
van dat juk bevrijd hadden, mijn grootste kwelling zijn. Thans gevoel
ik, dat het celibaat mijne roeping is; eene instelling, welke zoo zeer
in de natuur der voortreffelijkste menschen ligt, dat men gehuwde
kunstenaars van uitnemenden aanleg, worstelend ondergegaan in de zorg
voor vrouw en kind, den dag heeft hooren verwenschen waarop zij
huisvaders geworden waren; eene instelling, mijnheer de kapelaan,
waarop uw eigen kerkgenootschap, en teregt, den hoogsten prijs stelt.
Het groot, maar dan ook eenig verschil tusschen uw celibaat en het
mijne is dat gij met den naam van heiligheid bestempelt hetgeen ik
ontaarding noem. Niet gij zijt de ware priester, maar ik; ik die de
menschelijkste aller aandoeningen tot wet van mijn leven verhef en mij
tot bedienaar zalf van een evangelie, dat ouder is en langer duren zal
dan het uwe."