Lezers die bij zichzelven zekere aanvechting mochten gevoelen om op
dit pas met dokter Ruardi een loopje en dien priester van Aesculapius
niet =au sérieux= te nemen, worden verzocht geen al te groot vertrouwen
te stellen in dien eersten indruk. Dokter Ruardi was namelijk in het
minst geen belagchelijk persoon, en om het regt te hebben
halfschertsend en met getemperde hoogachting over hem te spreken,
zooals daareven herhaaldelijk gedaan is, moest men hem kennen gelijk
de gelegenheid daartoe allen aangeboden wordt door een boek. In de
schatting zijner medemenschen,--waarmede zij bedoeld worden met wie
hij voor het oog der wereld dagelijks verkeerde,--gold hij naar hart
en verstand voor hetgeen zijn voorkomen teekende; en dat voorkomen was
gunstig. Zelfs kon het schijnen dat de natuur, toen zij hem in het
aanzijn riep, het er op toegelegd had, in alles de gulden middelmaat
in acht te nemen en in geen enkel opzigt de eischen der evenredigheid
te schenden. Hij was niet lang van gestalte, niet mager of schraal,
niet barsch van uitzigt; nogtans zou niemand op den inval gekomen
zijn, hem kort of gezet te noemen, of te beweren dat in zijn
ligchaamsbouw of zijne gelaatstrekken iets lag dat naar verwijfdheid
zweemde. Even zoo ging hij, hoewel steeds onberispelijk gekleed, bij
niemand door voor een modeplaatje; en al droeg hij in het knoopsgat
het lint eener buitenlandsche orde (hij was lid geweest van een
internationaal gezondheids-kongres en had te Konstantinopel, of
elders, met kracht van redenen betoogd dat buikloop niet met zich
spotten laat), geen sterveling hield hem voor ijdel. Zijne
appartementen en zijn tweespan, zijn knecht en zijn koetsier, alles
was voor het uitwendige in overeenstemming met zijne onmiskenbare
wellevendheid en schranderheid. En schrander was hij in hooge mate.
Misschien deugde hij niet voor de studeerkamer of voor het
hooger-onderwijs; doch des te beter was hij op zijne plaats in den
ruimen en populair-wetenschappelijken kring die zich in groote steden
voor de werkzaamheid van den praktischen geneesheer opent. Daarbij
bezat hij die zekere vaardigheid in het antwoorden, waardoor lachlust
en onbescheidenheid op een eerbiedigen afstand plegen gehouden te
worden, en ofschoon hij in den regel de goedhartigheid-zelve bleek,
was meer dan één voorbeeld bekend van lieden die beproefd hadden hem
in het ootje te nemen en er kwalijk afgekomen waren.
Inderdaad, door ligtvaardig te denken of te spreken over iemand met
zulke gelukkige gaven en in de schatting der wereld zoo eervol
aangeschreven, zou men zichzelven potsierlijk maken in plaats van hem,
ware het niet... dat diezelfde wereld, indien zij tijd en gelegenheid
had gehad om hem te doorgronden, hem uitgemaakt zou hebben voor een
toonbeeld van immoraliteit.
Een man toch die aan de vrouwen verslaafd is; die een boekdeel zou
kunnen vullen met de geschiedenis van zijne minnarijen; een
Nederlander met de hebbelijkheden van een Sultan,--zulk een man noemt
de wereld onzedelijk. En dokter Ruardi was zulk een man. 's Lands wijs
gedoogde niet dat hij een harem nahield, doch het surrogaat daarvan
was in zijne woning te vinden. Zijne stemmige voorkamers, waar elk
meubelstuk en elk sieraad uitsluitend aan de behoeften en gewoonten
van mannelijk comfort herinnerden, waren, met uitzondering welligt van
een kabinet, slechts de voorhof van een allerheilige, welks bestaan,
buiten hem, alleen aan zijnen adjudant Jacob en aan de dubbelzinnige
vivandière bekend was. Door een breeden gang van die kamers
gescheiden, bevond zich een drietal ineenloopende vertrekken, die
geene westersche Odaliske, tenzij zij buitensporig vele noten op haren
zang had, zich geschaamd zou hebben te bewonen. Aan het eene uiteinde
van den gang, links, eene met kunstig =stuc= bekleede badkamer, waarin
een wit marmeren kuip met zinnebeeldige bas-reliefs; aan het andere
uiteinde een boudoir en alkoof, zoo frisch als had de lente het
getooid met hare seringen en jasmijnen; in het midden een groot
vertrek, tevens eetkamer en salon, waar ebbenhouten meubelen
voordeelig uitkwamen bij den gloed van amarantroode overgordijnen, en
de vergulde lijsten van spiegels en schilderijen leven schonken aan
een behangsel van gebruineerd trijpt. Drie hooge ramen tot aan den
grond vormden een middel van gemeenschap tusschen dit vertrek en eene
tamelijk uitgestrekte esplanade, met glas overdekt en ingerigt als
wintertuin.
De schare van haar die honderd redenen voor ééne hadden om het bestaan
van dit palladium aan niemand te verklappen, was zamengesteld uit
(laat ons zeggen) drie verschillende elementen. Voor een gedeelte,
doch slechts een gering, waren het jonge vrouwen uit den hoogeren en
den hoogsten stand; mishuwden, die hier eene schadeloosstelling of een
vergeetboek zochten, en waanden te vinden, voor de geheime ellende van
hare eigen binnenkamers. Talrijker, opgeruimder in den aanvang, meer
geneigd tot blijven, waren zij die hier somwijlen in alle stilte als
vrouwen van den huize fungeerden: binnen- en buitenlandsche
schoonheden, wier klimopleven bestond in van den eenen op den anderen
Bassa te teren; trekvogels, die niets liever zouden gezien hebben dan
dat de dokter om harentwil zijne reputatie er aan gegeven had;
internationale Aspasia's, wie het kluizenaarsleven, hoe weelderig ook,
toch in den regel hier ten laatste te bang werd. Talrijkst van al
waren de min of meer ouderlooze burgermeisjes vertegenwoordigd;
zusters van schreeuwende broertjes, wier kielen versteld of wier
kousen gestopt moesten worden; jonge deernen, die pas het diakoniehuis
verlaten of pas hare belijdenis gedaan hadden, en nieuwsgierig waren
te weten hoe het er uitzag in de wereld; winkeldochters inzonderheid,
moede van het uitmeten van zijden kleedjes voor anderen en meer
bevoorregten, en wie het niet onverschillig kon zijn ook zelven voor
een keer zulk een kleedje te dragen, of een horloge te bezitten, of
bij hare vriendinnen te kunnen verschijnen met eene echte marabout op
een hoedje van italiaansch stroo.
Deernis met eene twintigjarige van de laatste kategorie, die in eene
naburige stad, dezelfde waar Stephenson thans werkzaam was, hare
schande was gaan verbergen en daar in de bitterste armoede naar
voedsel hunkerde voor haarzelve en voor een pasgeboren kind, had den
kapelaan,--hij was inderdaad slechts kapelaan,--zich naar M. doen
begeven en hem zich doen aanmelden bij Ruardi. In de schamelste woning
eener achterbuurt had hij, bij het verrigten van pastorale bezoeken,
de boeteling harer ijdelheid aangetroffen en uit haren mond eene oude,
steeds onbehagelijke geschiedenis vernomen. Op staalgravures zien
dergelijke zondaressen, vooral indien zij tevens een kindermoord op
het geweten hebben en dien ten gevolge van staatswege in verzekerde
bewaring genomen zijn, er somtijds aantrekkelijk genoeg uit. Zij
liggen dan, met het aangezigt naar den toeschouwer gekeerd en met de
zaamgevouwen handen onder het hoofd, uitgestrekt op eene met
teekenachtig stroo gevulde krib: uit haar halfgeopende mond en hare
starende oogen spreekt poëtische wanhoop, en de breede lichtstraal,
die door het getralied venster der sombere gevangeniscel naar binnen
dringt, is eene aanleiding tot rembrandtieke effekten geworden.
Stephensons kennismaking met het verdoolde schaap zijner kudde was zoo
romanesk niet geweest. Het levendigst was hem van zijn eerste bezoek
de herinnering bijgebleven aan eene bedorven atmosfeer en een ruwen
aarden schotel, waarin zich de overblijfselen van een maaltijd
bevonden, dien de hond van een scharenslijper versmaad zou hebben. In
een morsigen japon, haveloos overblijfsel van een voormalig
half-weelderig, half-burgerlijk toilet, had hij in den hoek van een
zoldervertrek, waar een behangselpapier van de gemeenste soort aan
flarden langs de vochtige muren hing, eene jonge maar in het geheel
niet schoone vrouw aangetroffen, die, ten einde hem te woord te kunnen
staan, begonnen was met haar schreeuwend kind in eene met vodden
gevulde bedstede neder te leggen. Het was eene vrouw zonder adel van
gemoed, en die in hare amourette met Ruardi het zeer onaanzienlijk
kapitaal van aandoenlijkheid, hetwelk haar door de natuur ten
bruidschat was medegegeven, tot op den laatsten penning verteerd had.
Dat zij gebrek leed aan het noodigste, was hare eenige aanbeveling.
Ware de kapelaan een andere Stephenson geweest als de uit het oog
verloren akademievriend van Ruardi, de zaak zou den eenvoudigsten loop
der wereld genomen hebben. "Mijnheer! In mijne gemeente houdt zich
eene jonge dochter, eene jonge moeder op, moest ik zeggen, die in de
kommervolste omstandigheden verkeert en regten meent te kunnen doen
gelden op uwe ondersteuning, enz.",--dit of een dergelijk briefje zou
aan alles een einde hebben gemaakt; en de priester zou er geen
oogenblik aan hebben behoeven te twijfelen, dat zijn beroep op de
mildheid van den medepligtige, die voor een vermogend man bekend
stond, de gewenschte vruchten zou gedragen hebben.
Doch, hoe veranderd ook naar den inwendigen mensch, hij was dezelfde
Stephenson; dezelfde, die na gedurende een viertal jaren den teugel te
hebben gevierd aan al de driften der jeugd, plotseling aangegrepen was
geworden door eene hartstogtelijke zucht naar algeheele verandering
van levenswandel; dezelfde, die, een magteloos bolwerk ziende in het
kerkgeloof zijner opleiding, hetwelk hem voor geene enkele zonde
behoed had, van het eene uiterste in het andere overslaand, als een
nieuwe Augustinus vrede gezocht en gevonden had in het roomsche dogme;
die, steeds onbekwaam om iets ten halve te doen en leek te blijven,
priester had willen worden en geworden was, en in de gelofte, door hem
in die hoedanigheid afgelegd, het aangewezen middel had ontdekt en
gezegend om tot heiligheid te geraken. Hij was evenwel geen
alledaagsch egoïst geworden. Zijn gevoelig hart en zijne levendige
verbeelding vervolgden hem voortdurend met de herinnering aan het
verledene. Schier dagelijks stond de beeldtenis zijner makkers van
weleer, met Ruardi aan de spits, hem voor den geest. Hij kende de
geschiedenis van hun wedervaren, den naam van elke plaats waar zij
zich hadden nedergezet, al de voornaamste bijzonderheden van hunnen
levensloop. Ware zijne studie van het menschelijk hart oppervlakkiger
geweest, of had hij de onmisbaarheid eener goddelijke genade, aan wier
tusschenkomst hij voor zichzelven alles te danken had, minder diep
beseft,--hij zou pogingen aangewend hebben om hen tot boete en
bekeering te brengen. Thans gedacht hij hen alleen in zijne gebeden.
Een hunner was op dertigjarigen leeftijd (nog telkens joeg die
voorstelling hem eene huivering aan) bezweken aan de gevolgen zijner
voortgezette uitspattingen. Van de anderen, hier en ginds in het land
verspreid, waren sommigen ingetogen personen geworden, allerlei
openbare of bijzondere betrekkingen bekleedend; doch hunne beterschap,
meende hij, stond gelijk met eene verdorpering van het hooger-ik, en
met hunne losbandigheid hadden die voortaan gezeten burgers, die
vaders van opkomende huisgezinnen, tevens het natuurlijk goede
afgelegd, waardoor zij zich vroeger onderscheiden en hem aangetrokken
hadden. Van de anderen waren twee of drie er in geslaagd zich voor
eene poos een naam te maken in de letteren of in de staatkunde, doch
zonder iets voort te brengen of uit te werken dat den toets des tijds
zou kunnen doorstaan, en in elk geval zonder te ontwaken tot dat beter
leven, waaraan hij, Stephenson, sedert hij met hen gebroken had, zijne
zaligste oogenblikken dankte. Van al die vrienden was alleen Ruardi
een man van aanzien geworden. In alle opzigten was het hem
medegeloopen, doch op eene wijze die bedroevender scheen dan de felste
tegenspoed gedaan zou hebben. Ruardi, die in den kring van zijne
kameraden steeds gegolden had voor het sterkste hoofd van allen, had
zich in de armen eener wijsbegeerte geworpen, die in den grond der
zaak niets anders was als eene regtvaardigende theorie van zijne
eigen ondeugden. Zijn geheele leven was van lieverlede in eene leugen
verkeerd. Voor het uitwendige ontzag hij de gevestigde orde der
maatschappij en overtrad hij niet eene van hare wetten; doch in stilte
misbruikte hij zijne talenten en ontheiligde hij zijn beroep om aan
één boozen hartstogt te voldoen. De wereld groette hem voor een
weldoener der lijdende menschheid, terwijl voor honderde van zijne
medeschepselen (de bekeerling en de priester gruwden om het zeerst van
dit raffinement van verdorvenheid) zijne aanraking noodlottiger
geweest was dan eene epidemie.
Stephenson's kerkelijke begrippen speelden in dit oordeel over het
karakter van Ruardi een veel voornamer rol dan hij zich zelven
bekennen wilde, en misschien zou het hem moeite gekost hebben, betere
gronden aan te voeren voor zijne vroomheid dan de ander tot
bevrediging van zijne sensualiteit plagt bij te brengen. Doch
Stephenson was een dier menschen, die, wanneer uitspraak gedaan moet
worden over hetgeen betaamt of niet betaamt, niet in de eerste plaats
naar bewijzen vragen, maar met indrukken te rade gaan. De
overgeleverde en algemeen aangenomen zedewet bezat voor hem het
karakter der evidentie, en zijn eerbied voor het katholicisme wortelde
vooral hierin, dat het roomsch geloof hem toescheen, aan die wet de
hoogste wijding te geven. Hij vroeg niet naar het waarom van hetgeen
hij deugd en heiligheid noemde; de in de zamenleving geldende
begrippen van goed en kwaad waren in zijn oog niet de uitdrukking van
iets betrekkelijks, zooals koud en warm, ver en nabij, maar droegen
een goddelijk karakter; al hetgeen daarmede streed, was uit den Booze.
Doch hoe vaster het bij hem stond dat Ruardi, van wien hij meer wist
en dien hij beter doorgrondde dan den ander welgevallig kon zijn, tot
de orde der zedelijke monsters behoorde, des te meer had hij het van
zijnen pligt gerekend hem althans eenmaal in zijn leven onder de oogen
te gaan zien; terwijl aan den anderen kant, naarmate het voornemen
daartoe bij hem gerijpt was, zijn zelfstrijd in hevigheid was
toegenomen. Den man in wiens schuldige vermaken hij indertijd zelf
gedeeld had, kon hij, dit sprak, niet bejegenen als een vreemde;
bovenal, hij kon tegenover hem geen beroep op zijn priesterlijk
karakter doen. Elke poging van dien aard zou hem buiten eenigen
twijfel aangerekend worden als eene daad van geestelijken hoogmoed,
van huichelarij misschien. Voorts zeide hem zijn instinkt, dat om hem
te begrijpen en te waarderen, juist die zekere zin voor het reine en
heilige gevorderd werd, waaraan het Ruardi in de eerste en voornaamste
plaats ontbrak. En toch, hij moest nu gaan. Te schrijven zou eene
laagheid geweest zijn; het zou een gebrek aan zedelijken moed verraden
hebben, dat hem nimmer voor de voeten moest kunnen geworpen worden.
Voor het eerst in al de twintig jaren, die sedert zijne bekeering
verloopen waren, bood zich eene gelegenheid aan om onder vier oogen te
zeggen en te toonen wie hij was. Wat baatte het, dat eene
kerkgemeente, die zijne geschiedenis niet kende, hem eerbiedigde als
een godsgezant? Dat de bejaarde en niet buitengewoon schrandere
priester, als een van wiens onderhoorigen hij werkzaam was, hem prees
om zijnen ijver? Dat lieden van allerlei stand in de plaats zijner
inwoning, deftigen en schamelen, hem groetten op de straat en hem met
onderscheiding toegang verleenden tot hunne woning? Die hulde, hij was
er van doordrongen, werd niet aan zijn persoon, maar aan zijn ambt
gebragt, en menigmaal had hij zich haar verweten als de nootlottige
vrucht van een zijnerzijds volgehouden stelsel van misleiding. In
Ruardi's oogen, daarentegen, zou hij zijn die hij was; niets minder,
maar ook en vooral niets meer. De vernedering, dit is zoo, zou ook
hierom te dieper door hem gevoeld worden, omdat, naarmate hij een
ander mensch geworden was, zich uit zijne vorige driestheid eene
bedeesdheid en schroomvalligheid ontwikkeld hadden, die ligt voor
valsche schaamte konden aangezien worden. Doch ook dien teug uit den
bitteren beker wilde hij drinken. En wat alles afdeed, hij zou niet
gaan om zichzelven, of uit gemaakte belangstelling, of in de hoop op
eene martelaarskroon, maar omdat hij eene zending te vervullen had. Er
moest voorzien worden in de behoeften eener verlorene, de zorg
daarvoor was hem opgelegd, en hij ging.