EERSTE HOOFDSTUK.

Aan het station G., het laatste van een der nieuwe vaderlandsche

spoorwegen, was in den naar M. bestemden ochtendtrein een reiziger

gestapt, wiens gewaad geen twijfel overliet omtrent zijne

maatschappelijke betrekking. Zelfs verried het die zoo duidelijk, dat

twee niet-katholieke burgerjufvrouwen van gevorderden leeftijd,

gezeten in hetzelfde rijtuig der tweede klasse waarin hij plaats

genomen had en waarin niet gerookt werd, de moeite hadden kunnen

sparen elkander aan te stooten, als wilden zij zeggen: "Daar is er

weêr een." Echter diene tot hare verontschuldiging dat de

binnengetredene welligt de twintigste pastoor was, dien zij in het

morgenuur op hare reis van A. naar M. aan verschillende

tusschenstations hadden zien uitstijgen of instappen. Aan wie de

schuld? Ook van pastoors kan men zeggen, even als van gekroonde

hoofden, dat zij, om geducht te blijven, zich niet in te grooten

getale, en niet te snel achter elkander, den volke vertoonen moeten.

Al had de nieuwe reisgenoot de mimiek der beide vrouwen opgemerkt of

den zin daarvan begrepen, hij zou zich thans in geenerlei trant

deswege op haar gewroken hebben. Doch hij was zich zoo min bewust,

door zijne tegenwoordigheid voedsel gegeven te hebben aan hare

hilariteit, als hij op dit oogenblik in eene stemming verkeerde om

haar òf te kapittelen, òf haar op zijne beurt voor het lapje te

houden. Men kon hem aanzien dat hij geheel en al met een of ander

denkbeeld vervuld was; en naar de uitdrukking van zijn gelaat te

oordeelen, was die alles absorberende gedachte ver van vrolijk. Hij

gaf dan ook weinig acht op hetgeen voorviel om hem henen. Een

beleefde, maar verstrooide groet was de eenige vorm waaronder hij van

de twee vrouwen (andere passagiers bevonden zich niet in den wagen)

bij het instappen en uitstijgen notitie nam. Bij hare aankomst in de

groote stad zagen zij, onder de schare der voetgangers en tusschen de

rijtuigen voor haar uit, hem ras verdwijnen.

Niemand groette hem: waaruit moest worden opgemaakt dat M. zijne

standplaats niet was; ofschoon zijn rustige gang in eene bepaalde

rigting, grachten langs en pleinen over, bewees dat hij den weg kende

en een doel had. Hij bereikte eene breede en lange straat, blijkbaar

eene hoofdstraat; ontweek op het trottoir aan de linkerzijde de

elkander op het middenpad kruisende omnibussen en vrachtwagens en

handkarren, ging de straat half ten einde, stak over, en schelde toen,

op de wijze van iemand die weet waar hij wezen moet, aan de deur van

eene breede en deftige bovenwoning. Het onderhuis vormde een voornaam

magazijn van lakens en stoffen, en een winkelbediende was bezig achter

een der groote spiegelglazen vensters, in hardsteen en blinkend koper

gevat, voor de duizendste maal in zijn leven eene piramide van

fraaibewerkte vesten te bouwen. Er waren er van fluweel, van zijde,

van cachemire, sommige met levendige, andere met stille kleuren; doch

geen zoo zedig van tint, zoo gematigd edel van stof, of het schreeuwde

met het gewaad van onzen reiziger, gelijk de wereld schreeuwt met de

leer des kruises. Op de deur der bovenwoning stond met duidelijke

letters, wit op donkerbruin of donkergroen, de naam van =Dokter Ruardi=

te lezen.

De drager van dien naam was een jong weduwnaar; doch die, hetzij uit

droefheid over het verlies eener aanvallige vrouw met wie hij

naauwelijks een jaar gehuwd was geweest, hetzij om andere en minder

aandoenlijke redenen, zijne huishouding opgebroken had en sedert

geruimen tijd tot zijne voormalige levenswijze teruggekeerd was. Aan

de voorname, doch wel wat doodsche gracht, waar hij, in de schaduw van

breedgetakte iepenboomen, tien maanden lang voor het oog der wereld

een gelukkig echtgenoot geweest was, had hij den rug toegewend en was

zich komen vestigen op het kwartier hetwelk hij ook nu nog bewoonde,

in het volkrijkst en vrolijkst gedeelte der stad. Met uitzondering

van een reeds bejaard en min of meer geheimzinnig wezen, wier

aangezigt men zelden of nooit aanschouwde en wier kleeding half naar

die van eene schoonmaakster, half naar die van eene marketentster

zweemde, hield de dokter geene vrouwelijke dienstboden na, maar wel,

behalve een koetsier in groot tenu, die 's winters met eene

beerenvacht om de schouders op den bok van zijn rijtuig zetelde en in

alle jaargetijden zijn tweespan mende, een livereidragend huisknecht,

die antwoordde op den naam van Jakob en speciaal belast was met het

aandienen en uitlaten van bezoekers.

Het was tusschen negenen en tienen in den ochtend; een uur, waarmede

dokter Ruardi niet mild plagt te zijn en dat hij in den regel òf

geheel voor zich zelven hield, òf alleen afstond voor van te voren

aangekondigde consulten. De periode toch, gedurende welke

eerstbeginnende artsen in eene groote stad de lijders van hunne

patiënten zijn, behoorde voor hem reeds tot de geschiedenis, en hij

had het ver genoeg gebragt in de wereld om een eigen wil te mogen

hebben. Dezen ochtend meende hij vrij te zullen blijven en rustig het

oogenblik te zullen kunnen afwachten dat zijn rijtuig voorkomen zou.

Niemand had belet doen vragen, en hij had aan niemand zijn woord

gegeven. Het was dan ook niet met eene uitdrukking van christelijke

lijdzaamheid of filanthropische welwillendheid op het gelaat,--het was

veeleer met een kwalijk verkropt gevoel van ongeduld en onder het

mompelen van eene dier kernspreuken waarvan men ten onregte het

monopolie aan matrozen en militairen toeschrijft, dat hij, terwijl

Jakob aanstalten maakte om af te dalen en de huisdeur te openen, zijn

dagblad naast zich nederwierp op de sofa en opstond van zijn ontbijt.

Hij trad naar het venster en staarde (de aanwezigheid dier gefoeliede

ruit, geen nederlandsche palm in het vierkant metend, was eene

voorname reden waarom hij eene van zijne voorkamers voor ontbijtkamer

gebruikte) in den kleinen half-horizontaal aangebragten spiegel, welks

glas met verraderlijke getrouwheid het beeld weerkaatste van elk die

beneden op de stoep vertoefde. Doch de nieuwsgierigheid overwon den

wrevel, toen hij in den persoon, die de hand aan den schelknop gebragt

had en nu met den rug naar de deur het oogenblik verbeidde dat hem

opengedaan zou worden, een priester van het oude geloof herkende. Een

hoed met breeden rand onderschepte, van boven naar beneden gezien, de

gelaatstrekken des bezoekers; dokter Ruardi was evenwel een te goed

anatoom om aan de plooijen van den langen, schier tot den grond

afhangenden mantel niet aanstonds te bespeuren dat de drager van dat

kleed een grijsaard noch een jongeling, maar een man van middelbaren

leeftijd was. Ware hij den vreemdeling tegengekomen op de straat, hij

zou aan de bijna vrouwelijke fijnheid zijner trekken, aan de

purperkleurige kringen onder twee heldergrijze oogen, aan den

onnatuurlijken blos op die blanke kaken, den teringlijder der eerste

periode herkend hebben; en tevens zou het hem in dat geval niet hebben

bevreemd, dat iemand, wiens voorkomen zoo onwillekeurig aan eene

geknakte en verkleumde witte lelie herinnerde, reeds in dit saizoen,

door het omslaan van een mantel, bescherming zocht tegen de

ochtendkoelte. Thans ried hij alleen eene gestalte, even tenger als

hoog; terwijl eene magere, doch fraaigevormde bloote hand, waarmede de

almaviva van voren bijeengehouden werd, eene meer steedsche dan

boersche afkomst scheen aan te duiden. Voorts stond het om twee

redenen vast dat de bezoeker geen stadgenoot was: dokter Ruardi kende

al de roomsche geestelijken te M. van aangezigt, en indien een hunner

verlangd had hem te spreken, zou hij hem òf ontboden hebben in zijne

kwaliteit, òf op eene andere wijze, welke dan ook, hem van zijnen

wensch hebben verwittigd.

Er heerschte in 's dokters woning een onberispelijke toon, en Jakob

had strikten last om, indien er gescheld werd, elk welgekleed persoon

van het mannelijk geslacht,--hetgeen omtrent die van het vrouwelijke

van zelf sprak,--te bejegenen met die voorkomendheid, welke een

livereibediende van goeden huize voegt. Op zijne vraag, wien hij de

eer zou hebben aan te dienen, ontving hij een visite-kaartje tot

zwijgend antwoord, en met dat kaartje in de hand begaf hij zich, na

den vreemdeling bovengelaten en de deur van een spreekvertrek voor hem

geopend te hebben, naar de kamer zijns meesters.

Het ontbrak Jakob niet aan zekere algemeene beschaving, en hoewel hij

zich in de dagen zijner jongelingschap nooit bezondigd had aan het

bezoeken van herhalingscholen, stelde hij er eene eer in, leergierig

gebleven te zijn. "Een beter naam," zeide hij bij zich zelven, op

zijnen weg van de eene naar de andere kamer kennis nemend van het hem

geopenbaard geheim, "een beter naam voor den uitvinder der lokomotiven

en van de veiligheidslantarens, dan voor zoo'n kreeft van het oude

licht." Op het gesteendrukt kaartje, dat Jakob gelegenheid schonk tot

het maken van deze opmerking en dat voor het overige niet dikker of

dunner, niet gladder of stroever was dan alle andere toonbare

visite-kaartjes der 19de eeuw, stond te lezen =Ed. Stephenson,

Priester=.

--"Stephenson? Stephenson?" herhaalde dokter Ruardi binnen'smonds, op

het hem door Jakob aangeboden kaartje turend; en voor zijne

verbeelding daagden herinneringen op van twintig jaren her, toen hij

jong student was en een boezemvriend had die Stephenson heette. Eduard

Stephenson, de uitgelaten Stephenson dier dagen, kandidaat in de

regten, doch ruim zoo nadrukkelijk aan de dienst van Dionysos en

Afrodite als aan die van Themis verbonden, was indertijd spoorloos

verdwenen van de akademie. Hij was roomsch geworden, zeide men; had

zich in een katholiek seminarie laten plakken, en was, na volbragten

studietijd, als vikaris geplaatst in den eenen of anderen uithoek des

lands. De geheele wereld hield hem voor dood en begraven. Enkele

malen, bij het ontmoeten van andere akademie-kennissen en onder het

ophalen van den ouden tijd, had Ruardi, de inspraak volgend van eene

weinig hoofdbreken kostende belangstelling, hen gevraagd of iemand

hunner iets van Stephenson wist, doch geen der vrienden had hem ooit

kunnen zeggen, waar Stephenson gevlogen was, en hij was geëindigd met

ook dit onderzoek te laten rusten. Over het algemeen was de lust tot

onderzoeken er bij hem uitgegaan. Doch hetgeen hij tallooze malen

beweerd had, dat afwachten en zien komen wijzer is dan opsporen of

najagen, scheen zich ook thans te bevestigen. De Stephenson, die zich

bij hem aanmeldde, was ongetwijfeld de lang en vruchteloos gezochte

Stephenson van voorheen. De naam, de voornaam, de kwaliteit, alles

kwam uit. In den roomsch-katholieken priester zou hij den ontrouw

geworden zoon der jurisprudentie, den levenslustigen broeder van

Flanor wederzien. Het kon niet anders; een luid sprekend voorgevoel

leerde het hem.

--"Verzoek mijnheer Stephenson hier te komen," zeide hij in het eind

tot Jakob, een veel gewigtiger toon aannemend, dan hij gewoon was.

"Doch wat drommel," voer hij voort, toen Jakob zich verwijderd had en

hij aan zijne verwondering den vrijen loop laten kon, "wat drommel kan

Stephenson mij te zeggen of van mij te halen hebben?"

Lidewyde · 第 22 / 60 题