De dagen hunner verloving waren tot hiertoe regt genoeglijk geweest.
Hij was haar gaan voorstellen aan zijne ouders, aan den oom van
moederszijde, aan nog andere bloedverwanten en goede bekenden; en elke
dier formaliteiten had tot voorwendsel gediend voor korter of langer
afwezigheden =à deux=. De vaderlandsche zeden gedogen in dit opzigt eene
vrijheid die met veel verzoent, al zou zij een Franschman doen
meesmuilen. Mits een engagement bij ons,--en dat van André en Emma was
bestemd, om binnen het jaar te eindigen,--niet te lang duurt, is het
op één na de zonnigste tijd van iemands leven. Men geniet nog niet al
de beneficien van het getrouwd-zijn, doch des te zaliger is men in
hope; en sedert het openen van Pandora's doos weet ieder hoe oneindig
veel dit laatste zeggen wil. Voor duizenden komt een tijd dat zij zich
afvragen, of de helft niet inderdaad meer dan het geheel, en =bijna=
volkomen gelukkig te zijn niet het verste punt is waartoe een mensch
het brengen kan. Doch in de dagen der verloving is die tijd ook voor
hen nog ver verwijderd; zij weigeren te gelooven dat hij immer komen
zal, en baden zich onderwijl in de weelde van het zegevierend =à peu
près=.
Overal waar André zich met haar vertoond had, was Emma in den smaak
gevallen. Zelfs de erfoom, een gevreesd man in de familie, was
vriendelijk voor haar geweest, en omdat zij niet wist dat André van
die zijde, achter haren rug en om harentwil, eene onaangename
korrespondentie had moeten verduren, werd voor haar het genoegen
zijner voorkomendheid door niets bedorven. De wereld is minzaam voor
gelieven. Zij schenkt hun een deel derzelfde aandacht waarmede zij
novellen verslindt, en betaalt in den vorm dier hulde de pasmunt van
den tol, waarop de alles beheerschende hartstogt van oudsher aanspraak
maakt. Dezelfde vrouwen, die het woord liefde niet overluid durfden
uitspreken en zich als surrogaat daarvoor in den dagelijkschen omgang
van allerlei gefranciseerde omschrijvingen bedienden, ontvingen Emma
met eene gelukwensching in den blik en een bemoedigenden glimlach op
de lippen;--niet omdat zij niets hadden af te dingen op haar
uiterlijk, of haar toilet, of haar bruidegom, maar omdat zij een
bruidegom had. Oude vrijsters, meent gij? Neen, maar gehuwde vrouwen
van allerlei leeftijd, met deftige matronen aan de spits. Elke vrouw,
heeft Salomo kunnen zeggen, gelooft aan de mogelijkheid van een roman,
en meent, zoo vaak een geëngageerd meisje bij haar binnentreedt, een
hoofdstuk uit dat boek levend te zien verschijnen.
Doch de tijd der bezoeken en der vliegreisjes was nu voorbij; de
laatste Julijdag neigde ten ondergang, en den 1sten Augustus zou de
directie van André's maatschappij den feestelijken openingsrid doen
over den nieuwen weg en de nieuwe brug. Zijn vader was voor die
plegtigheid overgekomen, ten gevolge waarvan het gezelschap, in den
avond voor het aanbreken van den gewigtigen dag, één persoon sterker
was dan gewoonlijk. Emma en André drentelden de kleine plaats op en
neder; de twee oude heeren zaten een sigaar te rooken onder de
verandah; mevrouw schonk thee in de benedentuinkamer, wier
openstaande glazen deuren haar des zomers met de verandah één geheel
deden uitmaken. Achter Lydia, boven een breed buffet, hing het portret
van Reinier; zoodat André's vader het hoofd niet omwenden en het woord
niet rigten kon tot de gastvrouw, zonder dat telkens zijn oog op die
beeldtenis viel.
Er zwierf door de wereld een jonkheer Lodewijk Kortenaer, die
gedurende eenigen tijd op een dorp van naam ontvanger der openbare
middelen geweest was en toen wegens misbruik van vertrouwen weggejaagd
was geworden uit 's lands dienst. Volgens de eenen had die jonge man,
André's oudere broeder en de eerstgeborene uit het geslacht, na zijne
verwijdering uit Nederland dienst genomen bij het algerijnsche
vreemden-legioen; volgens anderen was hij, na met een troep
paardrijders naar Australie vertrokken te zijn en te Sydney of te
Melbourne als onder-pikeur gefungeerd te hebben, voor het laatst
aangetroffen in een hôtel te San Francisco, in Californie, waar hij
bij gebrek aan beter de betrekking van kellner waarnam. Eerst was het
gering fortuin der ouders heengegaan aan het bedekken der misdaden van
dien Lodewijk, en toen zij al hunne bezittingen voor hem opgeofferd
hadden, was hij geëindigd met ook een smet te werpen op hunnen naam.
Doch die verloren zoon was eenmaal jong en onschuldig geweest; toen
hij een kind was, had zijne moeder hem des avonds toegedekt met
dezelfde zorgvuldigheid en liefde als daarna al hare andere kinderen;
jaren achtereen had zijn vader, wanneer 's middags de klok vier uur
sloeg, hem afgehaald van de school en was keuvelend met hem naar huis
gewandeld. Ouders onthouden zulke dingen. Vraagt men hun echter,
wanneer hun kind naderhand slecht geworden is, of het waken voor een
leven, bestemd om dus te eindigen, huns inziens niet eene weemoedige
spotternij geweest is, dan is het of die vraag weerklank bij hen
vindt. De dood is beter dan het leven, denken zij dikwijls; en zij
beschouwen andere ouders, die treuren over het verlies van volwassen
kinderen, als onverstandigen. Er was iets van dat gevoel in den blik
dien de oude heer Kortenaer, wanneer hij het hoofd omwendde, liet
rusten op het portret van Reinier; doch die blik was in zijnen weemoed
tegelijk zoo zachtzinnig, dat niemand er aanstoot aan nemen kon.
Het gesprek tusschen de twee vaders vlotte niet. Toen Figaro het
huwelijk de potsierlijkste van alle ernstige zaken noemde, heeft hij
ongetwijfeld niet uitsluitend aan de twee hoofdpersonen bij het
voltrekken dier verbindtenis gedacht; en indien het waar is dat een
onverschillige niet zonder een glimlach getuige zou kunnen zijn van de
eerste ontmoeting tusschen twee dames van leeftijd wier kinderen man
en vrouw zullen worden, zal er ook wel iets van aan zijn, dat in een
soortgelijk geval twee min of meer bejaarde mannen, die elkander tot
op een gegeven oogenblik volkomen vreemd gebleven zijn, eene voor de
wereld welligt amusante, doch voor hen zelven minder aangename
verlegenheid ondervinden, wanneer zij voor de eerste maal, in het
gevoel der nieuwe betrekking die weldra tusschen hen ontstaan zal, een
sigaar zitten te rooken onder een verandah. Zonder elkander aan te
zien nemen zij elkander nogtans wederzijds op; zij verdenken elkander
niet, doch zouden er niettemin vrij wat voor over hebben om van
elkander iets meer te weten; zij pogen in de toekomst te lezen, en
vragen zich zwijgend af: Wat zal eenmaal mijn zoon, wat zal mijne
dochter, indien het er vroeger of later op aankomt, wat zal hij of zij
hebben aan dien Chremes daar tegenover mij?
--"Dat is het portret van onzen zoon, dien wij verloren hebben," zeide
Lydia, toen zij, over haren schouder, den blik van André's vader op
nieuw naar de beeldtenis boven het buffet zag dwalen.
Hij schrikte min of meer van die noodelooze toelichting, want André
had hem te vaak van Reinier verhaald, dan dat hij, ook zonder nadere
aanduiding, niet aanstonds begrepen zou hebben, wien het portret
voorstelde. Met een gevoel alsof zijn omzien eene daad van
onbescheidenheid geweest was, wilde hij de eene of andere
konventionele verontschuldiging aanvoeren; doch Lydia bespaarde hem
die moeite:
--"De dood van dien lieven jongen," ging zij voort, "is voor ons een
onuitsprekelijk groot verlies geweest. Somtijds dachten onze vrienden
dat wij te veel van hem vergden, omdat hij zulke buitengewone
vermogens had; andere zeiden, dat wij zwak voor hem waren en hem in
alles zijnen gang lieten gaan. Zij deden hem onregt. Indien iemand hem
heeft bedorven, ben ik het geweest, door te dulden dat hij mij op de
wandeling den arm aanbood en mij voor zijne zuster liet doorgaan, of
door te luisteren naar zijne dwaze verhalen en hem al mijne geheimen
te vertellen; doch hij was te goed om zich op éénig ding iets te laten
voorstaan of ergens misbruik van te maken. Nooit werd in huis
hartelijker gelagchen dan wanneer wij onder elkander waren en Reinier
op zijn dreef was."
Bij die moederlijke lofspraak, waarin al het licht op het gemoed van
den jongen doode viel en zijn genie in de schaduw bleef, zag de oude
heer Kortenaer nogmaals op naar het portret. Het was geene schilderij
in olieverf, maar eene groote teekening in zwart krijt of
oost-indische inkt, door een ouderen kameraad vervaardigd naar eene
fotografie. Het stelde Reinier voor in atelier-kostuum, met de armen
over de borst gekruist, op een derde of vierde der natuurlijke
grootte. Het enge wambuis van gebreide wol, laag uitgesneden om den
hals, deed hem in de verte op een jongen athleet gelijken, met een
buigzamen malienkolder aan. De oude heer Aart Visscher, die de
fotografie haatte, beminde de beeldtenis van zijnen zoon, en vond de
oplossing dier kontradiktie in de omstandigheid dat de hand van den
jongen kunstbroeder, na Reiniers dood, tusschenbeide gekomen was en
eene hoogere wijding had gegeven aan het brutale lichtbeeld in
miniatuur. André's vader was geen kunstkenner, maar had gevoel voor
uitdrukking, en er sprak uit Reiniers konterfeitsel iets zoo
origineels en zoo levenslustigs, dat hij er de oogen niet van afhouden
kon. Misschien had zijne eigen zwakke gezondheid eenig aandeel in de
soort van afgunstige bewondering waarmede hij opzag naar de beeldtenis
boven mevrouw Visschers hoofd. Zulk een hals en zulke armen had hij
nooit gehad.
Werkelijk was de heer Kortenaer een klein en tenger man, met een
zachten blos op een fijnbesneden en bijna lelieblank gelaat. Het
eigenaardigst in zijn uiterlijk was, dat wanneer men hem in de verte
zag aankomen, men gewaand zou hebben een man van hoogstens veertig
jaren te zien naderen, terwijl hij er minstens zestig telde. Tusschen
hem en zijn zoon André was geen zweem van gelijkenis te bespeuren,
doch zonder dat de parallel daarom ten nadeele van een van beiden
behoefde uit te vallen. André zag er gezonder uit dan zijn vader en
had van zijne moeder sommige bevallige trekken geërfd, die de oude
heer Kortenaer miste. Doch wat distinktie betreft, won de vader het
misschien van den zoon. Op het tooneel of in de litteratuur zou hij
slechts bij uitzondering voor een type van den armen edelman hebben
kunnen doorgaan; kende men evenwel zijne omstandigheden en sloeg men
hem aandachtig gade, dan begreep men zonder moeite dat hij in zijnen
kring als zulk een type aangemerkt werd. Even onmogelijk als het was,
in zijne keurige kleeding eenig spoor van verval te ontdekken, even
duidelijk sprak uit zijnen van berusting getuigenden oogopslag de
levensgeschiedenis van iemand die met vele tegenspoeden had moeten
worstelen; en ofschoon men zijne blanke fijne handen slechts behoefde
aan te zien om met zekerheid te kunnen gissen dat nooit door die
vingers eenige grove arbeid verrigt was, zou niemand de mededeeling
verrassend of fabelachtig gevonden hebben, dat zij veertig jaren lang,
in dienst van den Staat, tabellen ingevuld en rapporten gesteld
hadden. Het is in deze wereld misschien niet aangenaam en stellig niet
profijtelijk, tegelijk een gevoelig hart, eene ledige beurs en het
voorkomen van een diplomaat te bezitten, en toch worden er vele mannen
aangetroffen met ronde aangezigten en gevulde buidels, die, uit het
oogpunt der esthetiek gezien, mogten willen, dat zij eenigzins in de
termen van den ouden heer Kortenaer vielen.
--"Welnu," vroeg Lydia aan haren man, toen zij eenige uren later hem
goeden nacht kuste en hij naar gewoonte nog eene poos bleef zitten
lezen in de huiskamer, "wat dunkt u van André's vader? Zal hij voor
Emma een goed schoonvader zijn?"
--"Zeg mij eerst uwe meening," antwoordde hij, "dan zal ik u daarna de
mijne zeggen."
--"Mij schijnt het toe, dat Emma het uitmuntend getroffen heeft. De
jongelieden, dit is zoo, zullen zich niet in weelde kunnen baden; doch
dat behoeft ook niet, en indien André fortuin had, of te wachten had,
zou hij Emma misschien niet gevraagd hebben. Inderdaad, ik zou niet
weten wat ik voor Emma meer of anders wenschen zou. Zij hangt aan
André met geheel haar hart; André is door en door een goede jongen, en
indien aan mijne gunstige meening omtrent hem nog iets ontbroken had,
zou de toon waarop zijn vader heden avond over hem sprak, en de kleine
trekken uit André's jeugd die hij ons verhaalde, mijn laatste
vooroordeel hebben doen verdwijnen. Ik vind den ouden heer Kortenaer
een allerbeminnelijkst mensch; zoo beminnelijk, dat het mijn begrip te
boven gaat, hoe die oudste zoon van hem zich zoozeer heeft kunnen
vergeten. Ik zou niet gedacht hebben dat het mogelijk was voor een
kind, het leven van zulk een vader te verbitteren."
--"En ik zou durven beweren, Lydia, dat voor de menschelijke
ondankbaarheid niets onmogelijk is. Men zegt, dat de jongelieden van
den tegenwoordigen tijd niet slechter zijn dan die van een vroeger
geslacht; mij schijnt het integendeel toe dat de tegenwoordige tijd
gekenmerkt wordt door eene zeer merkbare vermindering van het
ouderlijk gezag, die van zelf noodlottig werken moet op de levenswijs
der zonen. Er zijn te allen tijde, dat weet ik wel, deugnieten
geweest, die verdriet en schande gebragt hebben over het hoofd van
hunne ouders; doch zoo meen ik het niet. De mate van slechtheid onder
de jonge lieden is dezelfde gebleven, maar de onbeschaamdheid is
toegenomen. Doch gij moet naar bed, Lydia, en hebt met mijn gepruttel
niet van doen. Nu dan, ik ben het met u eens dat wij honderd redenen
van dankbaarheid hebben voor eene. Ook ik houd André's vader voor een
voortreffelijk man, en toen het ijs tusschen ons eenmaal gebroken was
en wij aan het praten gekomen waren, ben ik verwonderd geweest over
zulk eene schoone vereeniging van verstand en gemoed. Hij draagt een
naam uit den goeden tijd, en dat is een gunstig voorteeken. Laat Emma
veilig lid van die familie worden. Zij krijgt tot man een der
degelijkste jongens die ik ooit ontmoet heb; komen daar nog
voortreffelijke schoonouders bij, dan zal menschelijkerwijs haar
toekomend geluk in alle opzigten gewaarborgd zijn. Zij is de dochter
van een parvenu, en André een jong mensch van geboorte; doch ik geloof
niet dat dit haar in den weg zal staan. Wij bezitten wel geene
schatten, doch wanneer wij het hoofd nedergelegd hebben, zal André het
niet onaardig vinden, eigenaar van Belvedere te worden. Ik doe dus als
gij en zie de toekomst vrolijk in. Het zal mij pijn doen, van Emma te
moeten scheiden; doch haar geluk gaat bovenal, en al zie ik haar niet
meer iederen morgen en iederen avond om mij henen, des te vrolijker
zullen wij zijn, wanneer zij met haar man bij ons komt logeren. Ik
hoop dat zij kinderen krijgen zal, Lydia."
--"Maar, beste man, hoe kunt gij met een effen gelaat zulke
ontzettende dingen verkondigen?"
--"Ik zeg niet veel kinderen, Lydia, maar kinderen, of althans één
kind. Wij weten bij ondervinding, en door Emma zelve, wat het zegt een
lief kind groot te zien worden."
--"Dat weten wij," zeide Lydia, "en ik oordeel dat zij eene lieve
moeder worden zal."
--"André zal ons het gemis van Reinier doen vergeten," voegde hij
daarbij, "en zoo zal ook de tweede helft van ons leven, Lydia, iets
van dien zonneschijn genieten, waaraan de eerste helft zoo rijk was."