Den volgenden ochtend was alles op Belvedere bij tijds in de weer. Van
André-alleen bespeurde men niets. In groot pontifikaal had hij zich
voor dag en dauw naar de stad laten brengen, waar zijne direkteuren en
zijne kommissarissen, insgelijks in plegtgewaad, van regts en links
bijeen zouden komen. De receptie had plaats op het stadhuis. Van daar
begaf men zich in statigen optogt naar het stationsgebouw, waar de met
groen en vlaggen versierde feesttrein gereed stond.
Het was overheerlijk weder; en toen omstreeks tien ure in den ochtend
het tentwagentje voorkwam om de familie van Belvedere naar de plaats
harer bestemming te brengen, zou de menschenhaat in persoon den lust
bij zich hebben voelen ontwaken om van de partij te zijn. Dorp en
omtrek waren op de been, en alles stroomde, den grindweg langs, naar
de rivier. Boerinnen en boeren, tuinlieden en arbeiders hadden om
strijd hunne zondagsche pakjes voor den dag gehaald, en zagen er de
eenen al helderder en vrolijker uit dan de anderen. De hollandsche
landlieden missen in hun voorkomen dat schilderachtige waarmede
men--in het Napolitaansche door den aanblik der lazzaroni, meent
gij?--neen, maar om een minder heterogeen voorbeeld te noemen, in
Zwabenland door dien der Steinlacherinnen of door de mannen van het
Hohenzollernsche verrast wordt. De vrouwen, bij ons op het land,
dragen geene kleederen van kostbare stof, erfstukken van een vroeger
geslacht, maar moderne weefsels, afkomstig uit hedendaagsche winkels;
de mannen hebben jassen en rokken aan, die in snede niet
noemenswaardig verschillen van het kostuum der handwerkslieden onder
de stedelingen. Zelfs is er iets wanstaltigs in de bij hen en bij haar
niet zelden voorkomende vermenging van voorvaderlijk en nieuwerwetsch.
Wie kan zonder meesmuilen eene boerin aanschouwen, op wier hoofd eene
superpositie heeft plaats gehad van valsch haar, gouden oorijzers,
eene kanten muts met afhangenden kap, en een strooijen hoedje met
breede linten naar op drie na de laatste mode? Wie gruwt niet
eenigzins, wanneer hij voor zich uit op den weg, te midden van het
bekoorlijk landschap, terwijl de zon de weiden en akkers bestraalt of
door de takken of bladeren van hoog en laag geboomte speelt, een
=suivez-moi= ziet nederdalen op de waggelende rotonditeit eener
verknipte crinoline, en de wetenschap met zich omdraagt dat de aldus
toegestelde dochter Eva's niemand anders is als de vrouw van Gerrit,
den zetbaas op de hoeve van mijnheer X? Doch ook de welvaart en de
welgedaanheid hebben hare bekoring, en er zijn oogenblikken waarin men
evenveel gevoelt voor eene vaderlandsche tolgaardersvrouw met eene
ongekreukte zwartzijden mantille over een japon van pimpelpaarsch
orleans, als voor dat puik der schaapherders in zuidelijker streken,
van tusschen wiens ongekamde haren een paar gitzwarte oogen u
tegenvonkelen, en door de gaten van wiens nonchalant gedrapeerden
mantel de trotsche overtuiging heenschijnt: "Ook een artiste, met uw
verlof!"
De schaar van feestelijk uitgedoste voetgangers, door wier digten drom
het tentwagentje zich eenen weg moest banen, kon en zou niet
toegelaten worden op de tribune, in de onmiddelijke nabijheid der
brug, waar voor den heer Visscher en de zijnen vier van de beste
plaatsen waren opengehouden. De tribune,--een geïmproviseerde tempel
van schragen en planken, overschaduwd door een dak van zeildoek, van
welks top eene groote driekleur vrolijk in het zonlicht wapperde,
terwijl de spitsen der stijlen met bonte wapenborden en veelkleurige
vaantjes prijkten,--was dus geplaatst dat men regts en links, tot op
den versten afstand, de schijnbaar zich vernaauwende rails met het oog
volgen kon, en voor en achter, waar de bogen der reusachtige brug de
rivier overspanden, den vrijen blik had op het water. Daar krielde het
van tjalken en sloepen, van boeijers en jollen en gieken, de eenen
vastgesjord aan den wal, de anderen in het midden der rivier voor
anker liggend, de meesten op geringen afstand der brug aan de stevige
ducdalven bevestigd, die 's winters, wanneer de ijsgang kwam,
ernstiger proeven van hunne weerstandbiedende kracht zouden moeten
leveren dan die, waarmede zij nu volstaan konden. Door het stedelijk
bestuur waren twee groote met balken en planken aaneenverbonden aken
afgevaardigd, te zamen een vlot vormend, tusschen welks omtuining van
sparrenloof de eene of andere =Polyhymnia= een onmogelijk programma
uitvoerde: ouvertures en symfonien, afgewisseld door volksliederen en
verlevendigd door potpourri's waarin men al de populairste cavatines
uit vijfentwintig verschillende opera's krijgertje hoorde spelen. De
stemming der gezelschappen in de grooter en kleiner vaartuigen was =au
diapason= van het programma: een weinig luidruchtig, niet zeer
klassiek, maar opgeruimd en welmeenend. Zij kortten zich den tijd met
te kijken naar een jong heer in een wit linnen jasje en pantalon, die
de kunst vertoonde van op waterschoenen te loopen en elk oogenblik in
gevaar verkeerde, een nat pak te zullen halen. Toen hij werkelijk zijn
evenwigt verloor en voor eene wijl kopje onder maakte, ging er een
kreet van ontsteltenis op, doch zoodra hij eene minuut later weder op
zijne lange houten schoenen stond en met vernieuwden ijver druipend
aan het pagaaijen sloeg, viel hem een algemeen handgeklap ten deel.
Wachten maakt hongerig en vooral dorstig; en toen het uur waarop de
feesttrein zou aankomen uit de stad en in volle vaart de brug zou
oversnorren, reeds zoo goed als verstreken was en nog niets kwam
opdagen, zag men spijskorfjes voor den dag halen, en werden er
broodjes met vleesch gegeten en glazen rijnschen wijn met spuitwater
gedronken door honderden van menschen, die anders op dit uur rustig
aan hunne bezigheden zaten en een diepen afkeer van overdaad en van
uithuizigheid professeerden. De zonnestralen dansten op het water;
ruischend schuurde de frissche stroom langs de boorden der schepen en
scheepjes; vrolijk klonk daarboven uit het schateren der trompetten;
het menschdom graasde. Moest men iedere week van het jaar zulk een
vertooning bijwonen, men zou er spoedig genoeg van krijgen; doch voor
een keer was het regt amusant en volkomen nationaal.
Daar krijschte in de verte een schel en welbekend gefluit. Tallooze
malen had in de laatste maanden diezelfde gil, wanneer een werktrein
kwam aanstoomen, die zand, of steenen, of ijzer aan- of verder bragt,
de Duinendaalsche echo's wakker gemaakt en was hij door de oevers der
rivier weerkaatst. Ieder kende dat sein: de genoodigden op de tribune,
de opeengedrongen schare aan weerzijde van het water, de spelevarenden
in hunne booten. Toch voer door aller leden een elektrieke schok, als
bij het naderen van een Vorst wiens aangezigt zijn volk voor het eerst
aanschouwen zal. Duizend hoofden wendden zich eensklaps om; duizend
oogen staarden in dezelfde rigting; de muziek zweeg; men hoorde geen
ander geluid als dat van den ratelenden trein, die snel en statig
zijnen weg vervolgde. Op korten afstand voor de brug klonk een tweede
sein, scheller en aanhoudender dan het eerste; de wachters stonden
roerloos op hunnen post, met de hand aan de kruk; de storm schoot aan;
nog één slag der zwoegende machine en de grens zou overschreden zijn.
Daar hield de Koning zijnen intogt! Een fanfare, wuivende mutsen en
doeken, een daverend hoera uit duizend keelen,--en voorbij was de
feesttrein.
André had dit goede, dat hij deugdelijk werk verrigtte, zonder zich
illusien te maken omtrent zijne eigen belangrijkheid. Hij was geen
engel, maar ook niet een dier jonge mannen, die hun handwerk voor eene
zending, of hunne broodwinning voor eene providentiële roeping
aanzien. Zonder valsche nederigheid (zijne gebreken lagen elders) had
hij Emma beduid, dat men geen genie behoefde te zijn om een tunnel te
graven of een viaduc te bouwen; dat ook de moeijelijkste ondernemingen
van dien aard, in den tegenwoordigen tijd, eenvoudig nederkwamen op
eene geldkwestie, en het voor hem en zijne toekomst veeleer de vraag
was of hij zijne meerderen niet misleidde en zich door zijne minderen
niet liet omkoopen, dan of hij de geheimen der natuur doorzocht en een
sleutel op tot nog toe onopgeloste raadselen ontdekt had. Hij was
gewoon geraakt aan de wetenschap, dat hij even als een daglooner, die
onopgemerkt zijne taak verrigt, of een koopman, die van zijn kantoor
naar de beurs en van de beurs naar huis gaat, of een kunstenaar, die
zich opsluit in zijne binnenkamer en den dichter aflegt om
handwerksman te zijn, zich iederen ochtend op een bepaalden tijd naar
zijn werk begaf en op een bepaalden tijd iederen middag of avond
huiswaarts keerde. De denkbeelden van haren vader, die niet geloofde
aan talent zonder studie, en burgerlijke hoedanigheden als den
grondslag van iederen welgevestigden roem beschouwde, hadden Emma van
lieverlede er toe gebragt in haren bruidegom niet meer te zien dan
iemand, die volkomen berekend was voor zijn vak, en die het corps,
waartoe hij behoorde, eer aandeed. Doch toen zij hem dien ochtend zag
aansnellen, met eigen hand de lokomotief besturend die in haar gevolg
zoo vele beloften voor de toekomst eener geheele landstreek voerde; en
meer nog, toen zij den trein stampend en dreunend hoorde henenratelen
over de brug wier steenen pijlers en metalen bovenbouw de eeuwen
schenen uit te dagen, was zij trotsch op haren bruidegom en schitterde
in haar oog een traan van aandoening.
Geen menschenwerk is grootsch zoolang het onvoltooid, of althans niet
ver genoeg afgewerkt is om zich eene voorstelling te kunnen vormen van
het geheel. In geene geboorte is iets verhevens, en hoe men den arbeid
ook idealisere, hij is en blijft poorterlijk. In de mokerslagen van
den bankwerker, die ijzeren bouten drilt in den stoomketel eener
lokomotief, is geen zweem van poëzie; ook niet in het obscene lied van
den heibaas, wiens polderjongens op de maat het blok doen nederbonzen
op den schedel eener puntige juffer; ook niet in de bevelen van den
ingenieur, die, met modderlaarzen aan, heen en weder loopt van den
oever naar de keet, of zich in een schuitje, terwijl de wind met de
panden van zijn halfsleetsch zomerjasje speelt, van den eenen kistdam
naar den anderen laat roeijen. Doch laat de vrucht der inspanning van
zoovele hoofden en handen; der vindingrijkheid van geslacht aan
geslacht; der eeuwenheugende worsteling van mensch en natuur,--laat in
een gegeven oogenblik, onder gunstige omstandigheden, die vrucht u in
zijn vollen wasdom vertoond worden,--en gij looft onwillekeurig de
menschelijke industrie, om het even of zij een koningrijk verovert, of
eene godsdienst sticht, of een spoorweg bouwt. Zweet, bloed,
verrukking van zinnen,--al het walgelijke en tegenstrijdige is
uitgewischt, en voor een poos verkwikt men zich met volle teugen aan
de bron der harmonie.