De te weinig gekende indische hoofd-officier met tweejarig verlof
wegens ziekte, die, als proeve van koloniale orthodoxie omtrent de
waarde van het menschelijk individu, aan eene open tafel het leerstuk
verkondigde, dat in deze wereld "eene jonge jufvrouw meer of minder er
niet op aankomt,"--er was spraak geweest van eene twintigjarige van
goeden huize, gestorven van verdriet over de trouweloosheid van haren
bruidegom,--was een schrander, een expeditief, een onbetaalbaar man.
Sprak het van zelf dat de liefde van een jong meisje eene
aangelegenheid is, niet waardig vergeleken te worden bij kwestiën als
de romeinsche of de oostersche, als die van het lager-onderwijs of van
de uitgifte van gronden in erfpacht op het eiland Java,--hoe eenvoudig
zou in dat geval de mechaniek van ons leven zijn, en met welk eene
ligtgeladen mars op den rug zouden wij menschen dan het einde der reis
kunnen halen!
Doch hoe veel licht de gebasaneerde kolonel, wiens naam hier met opzet
verzwegen wordt, =entre la poire et le fromage= ook verspreid moge
hebben over een der neteligste sociale vraagstukken van dezen en van
den toekomenden tijd,--er zou door hem aan de zamenleving eene grooter
dienst bewezen zijn, indien hij het probleem niet slechts doorgehakt,
maar ook opgelost had. Dat het op eene jonge jufvrouw meer of minder
niet aankomen zou, is eene stelling waartegen al hetgeen in de borst
der gezamenlijke jongejufvrouwen is, zich krachtig en met reden
verheft. Want ofschoon men niet gewoon is, veel waarde te hechten aan
de uitspraak van personen die als regter en partij in hunne eigene
zaak optreden, het instinkt van het zelfbehoud is meer dan enkel
magtig: het is ook regtmatig. Indien één enkel meisje, daartoe
bewogen door gevoelens waarvan zij aan de geheele wereld rekenschap
zou durven geven, in vollen ernst erkende, zonder schade gemist te
kunnen worden, zou het krediet der geheele vrouwenwereld daardoor een
gevoeligen stoot ontvangen; zoo gevoelig, dat men vragen mag, of bij
déze katastrofe vergeleken, zelfs de ineenstorting van het turksche
Rijk niet op hare beurt een voorval van ondergeschikt belang zou
schijnen?
De meening van den indischen hoofd-officier is inderdaad geheel en al
verwerpelijk, en zelfs het eenige wat men zou kunnen aanvoeren tot
hare verdediging, houdt welbezien geen steek. Het is zoo, vele mannen
hebben er belang bij, de onontbeerlijkheid der jonge dames, hoofd voor
hoofd, niet boven alle verdenking verheven te achten; en misschien zou
hun geweten luider spreken dan dienstig is voor hunne rust, indien de
tegenovergestelde zienswijze al te zeer bij hen voor een axioma gold.
Het is derhalve goed, kan men zeggen, dat te dien aanzien op deze
wereld een weinig scepticisme heerschte, daar anders het verblijf hier
beneden te eenemaal ondragelijk worden zou voor een groot aantal
individuen van het sterker geslacht, wier regt van bestaan niet
volstrekt ontkend kan worden zonder tevens dat van sommige vrouwen
betwistbaar te doen schijnen. Ook de vrouwen-zelven dragen er
zijdelings toe bij om de stelling van den kolonel van een gedeelte
harer barbaarschheid te ontdoen. De overtuiging toch van hare
onmisbaarheid blijkt bij haar veel minder levendig te zijn, wanneer er
spraak is van hare zusters, dan wanneer het haarzelve geldt, en zelfs
zal, zoo lang de jaloezie niet ophoudt eene vrouwelijke eigenschap te
zijn, het geval zich kunnen voordoen dat van twee dames, in
oogenblikken van opgewektheid, de eene het bestaan der andere als eene
volkomen overbodige zaak beschouwt. Dit alles bewijst evenwel slechts,
dat geene meening zoo valsch is, of men kan, met een weinig
inspanning, daaruit eenige druppels waarheid distilleren.
Had men Emma Visscher gevraagd, hoe het bij haar met het geloof aan
hare eigen onmisbaarheid gesteld was, vermoedelijk zou zij den vrager
hebben aangezien met een eenigzins verontwaardigden, een aan
minachting grenzenden, maar daarom niet minder bekoorlijken blik.
Mogelijk ook zou zij eene schuddende beweging hebben gemaakt met haar
welgevormd kopje, als iemand die zich aangerand gevoelt in zijne
verborgenste gedachten, en zouden hare lange blonde krullen daardoor
voor eene wijl met bevallige waardigheid hare zedige rust verlaten
hebben. Ware de vraag haar gedaan in den tuin, bij het wandelen om de
bloemperken, misschien zou zij zich van den inquisiteur hebben
afgewend met een gevoel van beminnelijken onwil en voor de leus al
hare aandacht hebben gewijd aan haar vaders rozen. Had de
onbescheidene zich toevallig alleen met haar bevonden in de zitkamer,
terwijl haar vader van huis en hare moeder bezig was de laatste hand
aan haar toilet te leggen, misschien zou zij in de volle lengte harer
sylphide-taille opgerezen zijn, en aanstalten hebben gemaakt om het
vertrek te mijden, en den indringer alleen gelaten hebben met de
wetenschap, dat hij zich hare benijdenswaardige ongenade op den hals
gehaald had. En zelfs al ware bij die gelegenheid geene enkele syllabe
over hare lippen gekomen, zij zou door haar voorbeeld hebben getoond,
dat zwijgen het beste antwoord op sommige vragen is. De schoonheid der
vrouwen toch is een alles afdoend argument tot regtvaardiging van het
vrouwelijk bestaan, en Emma was nooit schooner dan in de korte
oogenblikken dat een begin van toorn zich van haar meester maakte.
Andere jonge meisjes zijn het innemendst, wanneer zij hartelijk om
iets lagchen; vooral wanneer de eene of andere daad van mannelijke
linkschheid het mikpunt van hare vrolijkheid is. Doch Emma miste het
talent van te kunnen schertsen met hetgeen haar hinderde. Wanneer zij
zich stootte aan eene onbescheidenheid, werd niet haar vernuft het
eerst opgewekt, maar hare drift. En dit eigenaardige beschermde haar
tegen het ongerief dier blooheid, welke anders met gelijkmatige
karakters en gevoelige harten pleegt zamen te gaan. Het schoonste
vrouwengelaat is ontsierd zoodra zich daarop eene tint van
verlegenheid vertoont; en dit zal de reden zijn dat verlegenheid de
aandoening is, welke schoone vrouwen, en zelfs minder schoone,
zorgvuldiger zoeken te verbergen dan eenige andere. Niets daarentegen
tooit zoo zeer een anders effen gelaat als eene opwelling van edelen
toorn. In den regel teekende Emma's uitzigt meer gevoel dan
hartstogtelijkheid. Er was niets in haar ligchaamsbouw waardoor Rubens
zich opgewekt zou hebben gevoeld, haar tot model voor eene zijner
vleezige heiligen te kiezen; niets in haar oogopslag, dat niet van
geduld en vertrouwen gewaagde. Haar tengere gestalte scheen tot
iederen man het verzoek te rigten, haar zoo mogelijk te ontzien en
haar in geen geval te vertreden. Zij zag er veel te gezond en te
levenslustig uit om onder de fijne popjes gerekend te worden; en toch
zou een Parijsch fabrikant van porceleinen tafelserviezen, indien hij
haar had moeten inpakken en verzenden, zonder fout op de buitenzijde
van den lieven last voor het woord =fragile= hebben gezorgd. Doch
wanneer zij driftig werd, week die indruk plotseling naar den
achtergrond. Dan was het of zij gereed stond een fier en ongeduldig
paard te bestijgen, en met hare kleine vuist een zwaard te omklemmen
of eene banier omhoog te heffen, en voort te rennen naar den top van
een heuvel, en bevelen te geven aan eene hare wenken verbeidende
schaar van wrekers aan haren voet. Aan eene vrouw van rijper leeftijd,
met een imposant voorkomen en een van nature gebiedenden oogopslag,
zou dergelijke geestvervoering misstaan hebben; het zou eene
buitensporigheid zijn geweest, en door die overdrijving zelve zou de
betoovering geweken zijn. Doch in Emma--zoo waar is het, dat de
hoogste schoonheid uit eene gelukkige vereeniging van tegenstrijdige
hoedanigheden bestaat, en niets daarentegen haar zoo zeer benadeelt
als zich gestadig in dezelfde rigting te bewegen en telkens haar
laatste woord te spreken,--in Emma behaagde die krijgshaftigheid omdat
zij verraste, en omdat weinig dingen ons zoo aangenaam aandoen als het
ontdekken van kracht, waar wij zwakheid, of van bezieling, waar wij
koelheid onderstelden.
De liefde is te allen tijde voor de moralisten, ook al wilden zij het
niet bekennen, de kwadratuur van den cirkel geweest; en toen Agur, de
zoon van Jake, haar even onnaspeurlijk noemde als den weg van het
schip door de zee of van den arend door de lucht, was hij opregter dan
sommige andere wijzen na hem. Men waant een voor een de redenen te
kunnen opsommen, waarom dit of dat meisje de vrouw of de bruid
geworden is van dezen of genen man; men verbeeldt zich, het kluwen in
de hand te houden, welks draad met onbedriegelijke zekerheid den weg
doet vinden in hetgeen de domme menigte eenen doolhof noemt; men
verzamelt zeker aantal feiten, eer te veel dan te weinig, leidt
daaruit de noodige gevolgtrekkingen af, en eindigt met zegevierend uit
te roepen: Ziehier een volkomen zuiver zielkundig proces; zoo is het
gegaan; het kon niet anders!--Doch wordt de zaak op den keper
beschouwd, dan blijkt die fijne zielkundige analyse weinig
diepzinniger te zijn dan het gulle volksgeloof, hetwelk de huwelijken
in den hemel laat sluiten. Aan het einde van elk onderzoek naar het
waarom der liefde staat een vraagteeken! en wie dit laatste waarom
niet opmerkt, of beweert dat het niet voorhanden is, kan zich
overtuigd houden dat hij te weinig aandacht geschonken heeft aan het
eerste.
Doch wie niet sterk is, zij slim, en wie een vraagstuk niet oplossen
kan, verschuive het. Waarom was Emma, waarom was zij niet boos
geworden, toen André dien avond hare hand gegrepen en haar bij haren
doopnaam genoemd had?... Jonge heeren, luidde in gewone omstandigheden
hare jonkvrouwelijke dogmatiek, mogten een meisje het hof niet maken
(André nu hád haar het hof gemaakt), indien zij geene positive
bedoelingen koesterden; en zij wist voorbeelden te over van meisjes
wier leven verbitterd was geworden, omdat zij op goede gronden en
niettemin te vergeefs geloofd hadden, het voorwerp van onbedriegelijke
onderscheidingen geweest te zijn. Zoo waren de vrouwen, en daar kwamen
de ongelukkige huwelijken van. Men werd teleurgesteld in de billijkste
verwachtingen, en nam dan naderhand, uit redenering of uit
baloorigheid, de hand aan van een man dien men niet liefhad. Vandaar
die kerkhoven vol bezweken huishoudsters, op wier onwaarheidlievende
grafsteenen te lezen stond dat zij echtgenooten geweest waren.
Derhalve (een vrouwelijk =atqui ergo=, want ook die zijn er!), al had
zij André niet liefgehad, zou hij, meende Emma, haar niettemin hebben
moeten vragen. Die zegepraal was volgens haar stelsel de
bescheidenste, waarmede hare jeugd, hare schoonheid, hare teederheid
vooral, zich vergenoegen kon; en indien hij niet geëindigd was, haar
een bepaald voorstel te doen, of voor het minst te laten doorschemeren
dat het plan daartoe bij hem bestaan had, zou zij die nalatigheid
kwalijk genomen en op grond daarvan den schuldige gehaat hebben. Doch
zij beminde hem, en dit was eene nieuwe en alles afdoende reden
geweest om niet toornig te worden over zijne vrijpostigheid. Haar had
niet het meest geïntrigeerd hoe zij zich houden zou, indien hij te
eeniger tijd vertrok zonder iets bijzonders tot haar gezegd te hebben,
maar hoe het haar bevallen zou, indien hij haar in tijds van zijne
bedoelingen kennis gaf. En zij had niet kunnen loochenen dat zij dit
aardig vinden zou. Het denkbeeld, mevrouw Kortenaer te worden, stuitte
haar in het minst niet tegen de borst; en met meer kennis van het
vrouwelijk gemoed, dan hij op dit oogenblik nog bezat, zou André
begrepen hebben dat zij minstens even gunstig dacht over hem als hij
over haar. Doch hierin had zij hare meerderheid getoond, dat noch hij,
noch haar vader iets van hare ware gevoelens bespeurd had en zelfs de
scherpzinnigheid harer moeder daarin bijna te kort geschoten was. Ware
André eenige maanden later, na het hem opgedragen werk voltooid te
hebben, afscheid komen nemen op Belvedere als een broederlijk vriend,
met een dier handdrukken gelijk een hartelijk man, indien hij een
liefhebber is van de jagt, somtijds ook wel aan zijn Pluto of zijne
Juno geeft, hij zou op Emma's gelaat geen zweem van teleurstelling
ontdekt hebben; zou aan niets gewaar geworden zijn, hoe diep hij haar
gegriefd had; zou te goeder trouw in den waan hebben verkeerd, dat hij
haar betrekkelijk even onverschillig was als zij hem. Zelfs nog
geruimen tijd nadat hij geleerd had Emma te kussen en door haar gekust
te worden, en hij een tweede Thomas had moeten zijn om te kunnen
twijfelen aan hare wederliefde, was het hem alsof hare genegenheid
voor hem eerst had gedagteekend van het uur, waarop hij haar gesmeekt
had zijne vrouw te willen worden. Niet dat hij zich zelven aanmerkte
als den schepper, of ook maar als den ontsteker van het vuur waarmede
zij zijne liefde beantwoordde; maar hij kende de vrouwen niet, of had
te afgezonderd geleefd en te weinig romans gelezen. Eerst later,
hoewel altijd nog vroeg genoeg,--"want geene vrouw kan te voorzigtig
zijn met hare bekentenissen,"--doorzag hij Emma's geveinsdheid en
leerde hij de kracht bewonderen van een gevoel, dat liever levend
begraven zou willen worden dan zichzelf verraden.