II.

Als zoovaak stond ze aan de gang te mijmeren, hare handen beurtelings

warmende boven een test vuur, voor hare laatste centen gekocht. Ze

staarde naar de herberg en meende den stem van haar zoon bovenuit

te hooren, als vroeger.--Het was eenzaam. In de verte klonk alleen

het wegstervende, melodieus geroep van den venter met Engelsche

bokking. Op de door het maanlicht verzilverde straatsteenen vielen

de zwarte schaduwen der donkere gevels, welke een langen reep van de

doorschijnende, lichte lucht afsneden, met flauw twintelende stippen

bezaaid. Tusschen de gevels wemelde een weifelend schijnsel, dat de

scherpe lijnen uitdoezelde.--De schaduwen krompen in en een wit, koud

licht klom tegen de zwarte huizen aan den overkant langzaam op. De

witte vensterkozijnen stonden strak en onbeweeglijk. Eindelijk stond

de maan in het Zenith, een glimlicht werpend op sommige ruiten. De

schoorsteenen drongen de fijne lucht in, zich uitrekkend.

Maar de schaduwen van de andere rij huizen breid'den zich uit, de

punten der schoorsteenen vooruitstekend, en overtrokken de geheele

straat. Langzaam klommen ze op tegen de gevels, achtereenvolgens

de verschillende verdiepingen met een dun floers overtrekkend, dat

dikker werd en met zijn ruwe, hoekige vormen groote plekken van de

lichte gevels afbeet.

Het was lang na twaalven, toen ze daar nog stond, stil tegen den

donkeren achtergrond. Koude rillingen brachten haar tot bewustheid. Met

sloffende schreden--ze had het water--verdween ze in de nauwe gang,

waar een donkere stilte zich had opeengepakt, tusschen de huizen. Alles

lag in diepen rust. Een wit schamplicht viel op de watervlakte met

breede rimpels aan het eind. Tegen den voet der huizen, die in het

koude water stonden te huiveren, spatte een spelend, mat licht. Op de

blauwe stoepsteenen aan den kant lag een glinsterend ijslaagje. En

van boven daalde een intens licht neêr, zich vermengend met het

weifelend omlaag. De witgekalkte muur van het laatste huisje leek

met een ijslaag bedekt, koud glinsterend.

Door zette zich in de leuningstoel, oud en wrak, met stukjes kleed in

plaats van zitting. De eene helft van het vuur deed ze in de stoof

onder haar wier vijf gaten, broederlijk vereenigd als een groot oog

in het donker gloeiden; de andere helft in het komfoor onder het

eeuwig-pruttelend potje koffie op de glanzige, vettige tafel voor

het raam. Poes kroop er zoo dicht mogelijk bij en koesterde zich

welbehaaglijk, de voorpooten uitgestrekt.

Daar zat Door en tuurde naar de groote maanschijf, eenzaam drijvende

langs de flauw-blauwe lucht over de huizen wegvloeiende, en luisterde

naar het zoete gemurmel van het water en naar de schrille flitsende

schreeuwen der kommiezen, die moesten zorgen, dat er uit de naburige

branderijen niet gesmokkeld werd, sinds ze onlangs een vangst gedaan

hadden. Maar al die geluiden stierven weg in de fijne winterkou.

Ze huiverde en haalde uit de donkere schaduw aan het eind der tafel,

tegen het donkere tochtschut, een groen fleschje te voorschijn en

zoog er de laatste droppels uit. Toen zette ze het vóór zich neer

en begon te soezen zich dicht in haar doek wikkelende, de schouders

opgetrokken, het hoofd leunende tegen den harden muur achter haar,

van tijd tot tijd kreunende en hoestende. Het vuur op de tafel,

dat eerst door de gaatjes van het komfoor haar met glimmende oogjes

aanzag, begon te lodderoogen en stierf langzaam weg. Het licht,

dat eerst door de vuile ruiten tot voorbij den schoorsteen in het

vertrek gegoten werd en den achtergrond ineendommelde en de kopjes

op den schoorsteenrand deed glimmen, trok zich naar het raam terug,

terwijl de zwarte, opgestapelde schaduw naar vóór rukte en eindelijk

dreigend tegen de tafel stond, het hoofd tegen de zoldering, de

armen uitstrekkende. Nog slechts een klein stuk muur werd verlicht,

waartegen haar opgezwollen hoofd als een donkere vlek uitkwam. De

dikke, gezwollen oogleden openden zich en de witte glimmende oogappels

staarden strak voor zich uit. Buiten klonk over het water een schrille

schreeuw, tusschen de huizen voort klaterend, neêrdalend, en dan

weêr opspattend en zich in de ijle lucht verliezend. Ze kreunde hard,

maakte eene plotselinge beweging van opstaan, greep krampachtig met

de handen om zich en viel toen loodzwaar neêr. Haar doek gleed af,

op den grond. De oogen staarden strak naar de maan; het hoofd leunde

zwaar tegen den muur. Alle geluid stierf weg. Alleen het water kabbelde

nog zijn treurige melodie. De maan dreef verder; haar licht schampte

een oogwenk op de zwartgroene flesch--toen nam ze alle licht meê.

Eene eenzame, verschietende ster trok een flauwe streep op het blauwe

vlak. De andere sterren bleven vreedzaam blikkeren in de dunne lucht.

Een nest menschen · 第 21 / 25 题