KINDERVREUGD.

Als hunne moeder uit werken was, brachten ze gewoonlijk den dag op

straat door. Ze kwamen dan slechts even thuis om hun boterhammen op

te eten, die moeder 's morgens in de kast had klaargezet.

Maar nu regende het.

Een tijdlang hadden ze zwijgend naar de rechtlijnige regenstralen

gekeken en naar het druipende dak met groote, glimmende plekken. Frans

volgde met de oogen de heldere regendroppels langs de ruiten,

die eerst langzaam neerbiggelden en dan met een vaart naar elkaar

toeschoten. Het meisje keek naar de platte, donkergrijze wolken,

die langs het eenkleurige uitspansel schoven. Eensklaps zei ze:

--Zouwe Lou en Jan op straat zijn?

Eene kinderlijke uitdrukking vloog over haar bleek, ouwelijk gezichtje,

dat onder een grooten, verlepten tuithoed nog ouwelijker leek.

Frans zei op slaperigen, onverschilligen toon:

--Weet ik het? 't kan me niet schelen ook.

--Nou, neem dan je beenen op en ga is kijke, toe!

De jongen ging slenterend den trap af.

Een vochtige atmosfeer doortrok het vertrek, dat armoedig gemeubeld

was. Een helwit wijwaterbakje hing tegen de geelroode bedstede,

naast de witte, in stijve plooien gestreken bedsteêgordijnen. In

den hoek bij den schoorsteen stond een laag latafeltje met groote

koperen beugels aan de laden. Een ouderwetsche, plompe petroleumlamp

stond er op, omgeven door een lampekleedje, dat van allerlei helle

kleuren schitterde. Tusschen de twee ramen, waarvóór gordijnen van

blauw-grijs behangselpapier hingen, stond een plompe tafel, wier blad

door het boenen een twijfelachtige kleur gekregen had. Tegen elk raam

leunde een wrakke stoel met kapotte zitting en onder de tafel stonden

twee vuurroode stoven opgestapeld. Een paar glimmende kopjes op den

schoorsteenrand en een Mariabeeld tusschen een paar bloempotten op een

hoekplankje bij het eene raam--meer was in het vertrek niet te zien.

Het meisje keek peinzend naar buiten. Ze luisterde naar het gesjilp

van een nest jonge vogels in de dakgoot.

--Ajakkes, wat een slaperig weêr. Een mensch zou met zulk weêr wel

een heelen dag wille slape.

Frans kwam naar boven drijven en draaide lam de deurknop om.

--Ze komme! Maar wat motte we in gosnaam spele?

--Foei, niet vloeke. Dat's groote zonde, niewaar? Onze lieve Heer

kan alles zien en hoore.

--Nou ja. Hou nou maar je vervelende bek dicht. Dat weet ik al

lang. Waar is God? Op aarde, in den Hemel en op alle plaatsen. Weet

God alles? Ja, God weet en ziet alles.... Ik zit ommers een leering

hooger dan jij.... Daar heb je ze al.

Op den trap rommelden klompen. Leentje schoot naar de deur en riep:

Doe jullie je klompe uit, wil je? Anders mot moeder d'r eige morg'

ochend weer kepot boene.

Een gemompel beantwoordde haar.--De twee kinderen kwamen op hun

kousen boven.

--Jonge, veeg je neus af, dan krijg je een kouwe arepel.

De ruwe Jan, met zijn gluiperig gezicht, gehoorzaamde.

--We motte des hebbe, hé? meende Lou. Wat doe jullie?

--Moedertje spele? stelde Leentje voor.

--Heb je wat?

--Neen.... ja, nou jok ik. Moeder heeft een broederpannetje uit d'r

werkhuis meegebracht.

--Nou ja, maar je mot toch wat hebbe, om te bakke? zei Frans.

--We kenne uit gekkie spele.

--Nee, daar is niks an!

--Ajakkie. nee!

--Wacht jullie effe--Lou ging op een drafje heen. Ze kwam terug

met wat raapolie en een zakje meel. Onderwijl had Jan opgemerkt:

we zouwe wat kenne koope. Doch hij was door Leentje afgescheept met:

Eerst hebbe, dan lebbe.

Lou hielp ze uit den brand.

--Meid, durf je dat uit de kast te neme?

--Denk je, dat 'k zoo'n bange schijtert ben as jij!

--Ik zou ook wel durreve, verzekerde Jan.

--Moeder zegt er toch niks van. En dat beetje lampolie? Ze bakt

toch nooit. Ze gebruikt het alleen voor d'r haar. En as 't op is, is

't koke gedaan.

--D'r is nog genog te koop, vulde Jan aan.

Leentje en Lou maakten deeg. Jan's diensten werden daarbij onnoodig

gekeurd. Eindelijk zei Leentje:

--Hou jij die lepel vast, dan doe je ook wat voor de kost. Ik hou

niet van die mensche, die met d'r arme in den weg zitten. Ze doen

ordiner wat kwaads.

Nu merkten ze, dat ze geen vuur hadden. Ze keken verslagen.

--Jan, ga jij voor twee cente vuur hale. Zeg maar, dat moeder het

wel geve zal. Hard loope, hoor!

Jan borgde vuur. Zijne moeder zou er toch niets van merken, als ze

'n Zaterdagavond de borgcenten betaalde.

De meisjes zetten zich neer op de twee stoven, vóór het ijzeren

komfoor, waarop het pannetje siste.

Leentje zorgde voor de toekomst:

--Nou hebben we nog geen stroop.

Lou zond de beide jongens weg om een paar roestige hoepels te

verkoopen, die Jan voor eenige dagen beweerde gevonden te hebben. Lou

begreep echter, dat hij ze gegapt had; maar was wijs genoeg te zwijgen.

De jongens hadden er twee centen voor gekregen. Jan beweerde, dat het

veel was. Het kwam, omdat hij den smous had verneukt, door hem wijs

te maken, dat hij van avond nog meer zou komen verkoopen. Wat hij

verzweeg was, dat hij ook den kachelpook van zijn moeder verkocht had.

--Je had niet motte liege, begon Leentje weer: Dat is zonde.

--Zonde, wat is dat?

--Kwaad.

--Ik krijg nooit geen slaag van moeder. 'k Zou het niet toelate

ook. 'k Zou moord roepe en ze in d'r handen of in d'r beenen bijte,

dát zou ik!--Met zijne vuist veegde hij zijn neus af.--Lou, die krijgt

dikwijls. Maar ze is gek, dat ze het toelaat.

--Je had het den man niet motte wijsmake.

--Watte? 't Is maar een smous. Frans heeft me zelf wel is gezegd,

dat je die....

--Frans weet nergens van. Die geeft om God noch zijn gebod.

--Nou, heilige Leen, hou nou je smoel maar, zei Frans, met imitatie

van z'n vader, als deze dronken was.

De kinderen keken verlangend naar het blauwe, oppruttelende plakje

meel in het pannetje.

--Nou motte jullie gaan werke, zei Leentje.

--Wat nou alweer? vroeg Frans; kommandeer je honden of blaf zelf. Je

hebt altijd van die rare ideeën. Maar ik weet wel, waar je op

loert. Dan vrete jullie alles stikum op, hè? Op je ooge!

--Nee, dat 's flauw. Dat zal Leentje niet doen. Als je 't nou nog

van Lou zei. Maar wat mótte we doen?

--Wat word je, as je groot ben? vroeg Leentje.

--Ikke? Niks. Ik verlam het om te werke.

Leentje lachte: Je wilt zeker je vrouw voor je late werke? Maar ik

zou je danke, dan heb ik geen man noodig.

--Nee, zei Jan, dat wil ik niet.

--Nou, weet je wat? Jij moet daar in dien hoek gaan staan hamere en

Frans zal houwe, of t'i kole van zolder haalt en dan an de blaasbalk

trekke.

Lou zat aldoor in 't pannetje te roeren.

Frans, die om ongegronde redenen liever niet het vertrek wou verlaten,

keek naar den aangewezen hoek en mompelde: Er ligge kole genog op

't vuur. 't Kan nog wel een dag brande. 'k Zal maar ineens an de

blaasbalk gaan trekke.

En hij trok zich zweetparels op het voorhoofd, zonder echter het

pannetje uit het oog te verliezen. Jan hamerde er geducht op los,

in de lucht.

Een paar baksels waren klaar en voor elk werd een blauw plakje meel

met een bruin tintje op een theeschoteltje gelegd.

--Lou, ga jij is gauw naar onze manne en zeg, dat ze subiet t'huis

komme. Er is geen stroop. Ik weet niet, wat ik beginne mot. Ik heb

geen rooie halve cent en alles staat al in de lommerd, anders zou ik

een pandje make.

Lou meende, dat de mannen misschien wat verdiend hadden. Ze ging ze

halen. Gebukt, met loome schreden kwamen ze aan en vielen zuchtend

in een stoel. Jan deed Frans in alles na.

--Laat ze eerst wat bekomme. Je mot ze nooit op d'r dak valle. Ik

ken de manne, 't is lastig goedje. As je d'r met iets ankomt as ze

pas van d'r werk komme, krijg je maar gehaspel en dat weet wat in

een huishouwe, zei Leentje ernstig.

Na een poosje dorst Lou het wagen om te zeggen:

--Zeg, Frans, je hebt bij geval geen paar cente voor me? voor stroop.

--Dat weet je wel beter. Jullie wijve hebt altijd geld noodig. Wij

motte maar opdokke. Daar kom je moe van je werk en 't is gebrek

hieraan en gebrek daaraan. Zure smoele....

--Laat 'm in 's hemelsnaam bedare, zei Leentje angstig: anders slaat

hij ons heele armoedje kepot.

--En wat zou dat? stoof Frans op: 'k mot er zellef voor werke.

--Zeg, vrouw, zei hij bedaard; leen wat bij buurman Jan. Ik heb daar

straks cente in zijn zak hoore rammele.

Jan, die van het spel niets begreep, brandde van verlangen, om de

centen te geven.

--Dank je, buurman! een Zaterdag krijg je het terug.

--Dat heeft niet noodig, viel Leentje heftig in: Hij heeft ze

natuurlijk van m'n weekgeld afgehouwe. Hij heeft me besjoechemd. En

ik heb toch al zoo'n moeite om rond te komme. En dan houd hij me nog

geld af en steelt het uit den mond van zijn kindere, om het in een

moppekroeg te verzuipe met hoere en snoere, vervolgde ze weenend.

Jan zat als versteend.

--Werachtig niet. 't Is van de hoepels en de.... Hij bemerkte nog

tijdig, dat hij zich ging verspreken.

Ze wilden stroop halen, maar ze kwamen een cent te kort.

--Je mot drie cente hebben.

Toen werd Frans edelmoedig. Hij ging naar de kast en stelde zijn

moeders stroopflap ter beschikking van de anderen.

Leentje protesteerde. Moeder zou het merke als ze van avond boterhammen

smeerde. Jan vroeg verbaasd: Hebbe jullie dan geen boter op je brood?

--Meid, maak zoo'n bombarie niet, zei Lou. Laat mijn maar is ottere,

zei Lou. Ze liet Frans uit den emmer, die op het zoldertje stond,

wat water halen, liet wat stroop in een kopje loopen en vulde toen

de flap met water aan, zoodat de moeder van Leentje en Frans dien

avond vergeefs trachtte, stroop op haar mes te nemen.

--Nou zie je is, zei Lou met zelfvoldoening: klaar is kees. Je moeder

zal er niks van merke.

Leentje legde zich erbij neer. Ze stond voor een voldongen feit.

Bij afwisseling werd nu gewerkt en gesmuld, tot het meel opwas[typo? op

was].

Toen begon Frans het harde werken den keel uit te hangen en daarom

stelde hij voor, kerkje te spelen.

--Maar dan mot ik wat stroopwater hebbe.

Frans deed een ouden rok van zijne moeder aan, plaatste zich in een

hoek en begon op onverstaanbare manier te zingen. Daarna trad hij

plechtstatig naar een stoel, beklom dien, stroopte zijn mouwen wat

op en begon: Geliefde Mede-Gristenen! Broeders en zusters in den

Heere! wà, wàwàwà! En aldoor zwaaide hij met z'n armen, rustte een

poosje, snoot met veel geweld zijn neus en begon dan weer. Eindelijk

zei hij: Amen! met een langen galm en kwam van zijn stoel af. Hij had

niet zooveel voldoening van zijne preek als anders. De processie zou

hij daarom dit keer maar nalaten.

--Ik had een rooie zakdoek voor m'n neus en een witte voor m'n

gezicht motte hebbe. D'r is d'r geeneen, die preekt, of hij heeft

twee zakdoeke. Je kunt niet goed preeke, as je ze niet hebt.

Lou en Jan waren geen deskundigen. Frans haakte dus naar een

goedkeurend woord van zijn zusje.

--Zeg, Leen, zeg jij niks. Wat ben je stil.

--M'n hoofd staat er niet naar.--Ze tobde over de stroop.

Jan en Lou waren een en al verbazing. Schuchter bood Lou aan Frans

haar deel van het stroopwater aan. Hij nam het minzaam en dronk het

plechtig op.

Langzaam stierf het daglicht weg. Het glimmerde flauw over het dak.

De kinderen gingen stil bij het raam zitten. Eensklaps hieven de

jongens vol bacchantische geestdrift aan:

De Amsterdamsche keukemeid

En die kan zoo lekker kooke....

Maar de meisjes waren voor vertellen.

Jan en Frans vertelden om beurten spook- en dievenhistoriën, tot

ze zichzelf bang verteld hadden. Ze dorsten zich haast niet te

bewegen. Het vertellen hield op.

Zoo zaten ze bij elkaar, met zwoegende borsten, vol vrees en

benauwdheid, door een lichtloosheid vol ontzetting omgeven.

Een nest menschen · 第 22 / 25 题