't Was een donkere Zaterdagavond in November. Door had gehoord,
dat haar zoon bedankt zou worden. Het waaide nog al en een fijne,
nijdige motregen viel gestadig neêr. Met het hoofd tegen den wind
liep ze voort, huiverend in haar koude omslagsdoek vol gaten,
een erfstuk. Ze liep door de natte, huiverige straten, vervuld van
beginnende Zaterdagavonddrukte en kwam eindelijk op een glibberige
kade, waar haar voeten telkens uitgleden. Enkele dunne kale boompjes
schudden weemoedig 't hoofd en lieten groote droppels als tranen
neervallen. 't Water klotste eentonig voort, langs den kleiïgen,
ruw-afgebrokkelden weg. Door de neteldoeken gordijnen van een eenzaam
huisje goot een lampje een plas licht in de zwarte duisternis. Een
vrouwestem zong:
»Slaap, kindje, slaap!
Daarbuiten loopt een schaap.
Het schaap heeft witte voetjes,
Het drinkt zijn melkje zoetjes.«--
op een zeurigen wijs om een kind te doen bedaren, dat eentonig, gillend
huilde. De tranen sprongen Door in de oogen. Door de overspanning,
waarin ze verkeerde en de inspanning van het loopen waren haar zenuwen
geheel van streek. Ze gevoelde zich krachteloos en geheel passief en
kwam in een melancholische, weeke stemming.
Eindelijk naderde ze de fabriek. Achter de heg van vlierstruiken,
daar tegenover, op een plek, waar 's zomers een lang, spichtig gras
en lischdodden groeiden, stond eene oude, donkere kermiswagen. Een
groote bandrekel, die er onder lag, huilde telkens, als de wind
met een nijdigen ruk uitschoot en kroop dan in de donkere schaduw
terug. Van bewoners geen spoor. Een paar knotwilgen hieven hun stompe
armen omhoog, als in vertwijfeling.
Het pad was vóór de fabriek met koolasch bestrooid, evenals het ruime
erf, welks eenige stoffeering bestond in een grooten, donkeren hoop
sintels, dof glimmend van vochtigheid en een vervallen hondehok. Het
erf was door een paar olielichten op nog nieuwe palen weifelend
verlicht. De vlammen stonden soms eenige oogenblikken stil en wierpen
dan lange strepen geel licht op de glimmende asch, om ze bij een
windvlaag uit te vegen, in te krimpen en tot cirkels te ronden, in wild
gewoel.--Achter de matglazen ruiten van het gebouw zweefden telkens
donkere schaduwen als chineesche schimmen voorbij. Eentonig droppelde
het vocht van de uitstekende lijsten op de koolasch. Regelmatige
slagen als van een pompzwengel bonsden naar buiten.
Door verschool zich achter het hondehok, tegenover een klein deurtje
met ijzeren tralies. Naast deze uitgang bevond zich een ruwe, houten
trap, met een halven spiraal de duisternis indringende en waarlangs de
bovenverdieping kon ontruimd worden. Daar stond ze met onafgewenden
blik naar de fabriek te turen. Door de eentonige, bulderende vlagen
en het gestamp daarbinnen werd haar geest weldra zóó stomp, dat ze
geheel en al tijd en plaats vergat. Werktuiglijk kromp ze voor de
kou ineen. Het gebouw scheen weg te deinzen in de dikke duisternis
rondom, die de roodachtige olievlammen oploste. Het gehuil van den
hond, bij tusschenpozen herhaald, maakte haar zenuwachtig. En het
gezang der vrouw, die het kindje stil zong, klonk haar aanhoudend
in de ooren, nu flauwer, dan sterker. Dezelfde moedeloosheid als
straks maakte zich van haar meester; een dierlijke vrees, ze wist
niet voor wien of waarvoor. Als de hond jankte, scheen het gevaar te
genaken. Haar keel werd dan als toegesnoerd en ze hapte naar adem. Op
zoo'n avond moest het geweest zijn, dat haar melancholische vader zich
had verdronken. Als de omtrek lichter geweest was, had ze de plek
kunnen zien, waar hij was opgehaald, tusschen de palen gekneld, met
kroos bedekt, bij de lange spookachtige brug, waaronder het bruine,
opgezweepte water heenrolde, ver weg, ver weg, in het dikke duister
zich verliezende..... Een drukking op de borst, door geslaakte zuchten
niet afgewenteld, verpletterde haar. Maar als de hond zweeg, liet
ze zich zachtjes afdrijven op de murmelende golfjes en de breede
windvlagen schenen haar op te voeren en in een onmetelijke ruimte
neer te werpen, vol rust en stilte. Een stille, namelooze smart
overweldigde haar, wier planteleven anders zonder groote schokken
voorbijging. Het gevoel van een ledig rond haar, dat haar aangreep,
als ze 's avonds alleen zat en het holle vertrek haar aangaapte,
overviel haar ook nu. Haar ontbrak iets en ze kon toch niet zeggen
wát, of hoe ze de leegte kon aanvullen. Haar zinnelijk gestel kreeg
dezelfde heimweeachtige stemming als de regenachtige Novemberavond.
Het geroezem van verwarde stemmen bracht haar weêr tot bewustheid,
hoewel ze het droomige gevoel niet van zich kon afschudden. De
dierlijke angst beving haar weder. De meeste lichten op de
bovenverdieping werden uitgedraaid en na eenige oogenblikken daalden
eenige mannen de trap af, zich aan de waggelende leuning vastklampende,
want de treden waren zeer glibberig.
»Op zijn kop getimmerd! Je zoo maar aan den dijk te zetten! Is hij
belazerd!«
»Hou je maar stil. Beneden gaan er nog meer de laan uit.«
»Wat kan mij dat donderen? Daar heb ik geen vreten meê, dat is
de zjooze!«
De mannen hadden de jassen met de mouwen om den hals geknoopt. Onder
aan den trap vormden ze een kring, den man die bedankt was, in 't
midden. Ze zochten hem over te halen, meê te gaan naar »het Haasje,«
want wat deed je met die rompslomp, je kwam er maar door in last. Maar
hij verdomde het. Dacht je, dat hij voor dien salamander bang was? Om
de verdommenis niet. Negen jaar wilde hij er aan wagen. Krijgen zou
hij hem, al moest hij drie dagen en drie nachten als een bandrekel
voor de deur liggen.--De andere gingen door, want ze wilden niet in
moeielijkheden komen, waarmeê ze niet noodig hadden. Hun voetstappen
verwijderden zich kletsend. Nu en dan bleven ze een oogenblikje
staan en riepen dan: »Piet, lig nu niet te donderjagen, kom nou!«
Vervolgens gingen ze verder en als ze weêr riepen, klonken hun stemmen
nog dompiger dan daareven. Eindelijk hoorde men niets meer.
De achtergeblevene sloeg met de armen over elkaar, stak een kort pijpje
aan, op den regen en den wind vloekende, en stampte met de klompen op
den grond. De laatste lichten boven waren gedoofd. Op het portaal van
den trap klonk sleutelgerammel en na eenig getalm vroeg een heesche
mansstem: »Alles in orde?« Een andere antwoordde: »All right!« Eenige
heeren tippelden de trap af, met zwaren stap voorafgegaan door een man
met lakensche pet, die een geldzak, een bos sleutels en een slingerende
lantaren droeg, waarmeê hij hen voorlichtte. Hun reusachtige schaduwen
vielen tegen den glinsterenden muur, met lichtspikkels bezaaid. De
man met de lantaren gaf den weggejaagde te kennen, dat hij dóór
moest gaan, want dat hier toch niets te halen viel. »Dat dondert
jou niet. De weg is vrij; 'k zal gaan waar ik wil, al wou ik naar de
hel!« Eén der heeren mompelde: »Die smeerkanis! Zou hij willen dat
ik ze liet zuipen, tot ze er bij neêrvielen? 'k Verdom ze lekker!«
De man op klompen riep dreigend: »Salamandersche bloeddieven, ik zal
je wel eens op je verdommenis komen, wacht maar!« Maar de kleine deur
was reeds achter hen dichtgevallen.
Weder hoorde men een geroezem binnen. Het licht achter de matte
ruiten verdween. Een enkel raam stond nu als een vierkante gouden
vlek, stil tegen de gedeukte, donkere massa. Het geroezem werd een
dreigend gemompel, dat overging in een hevige woordenwisseling tusschen
eenige personen. Op eens werd de deur opengesmakt en een stem, schor
van woede, riep: »Gooi hem er uit, godverdomme!« en door een massa
elkaar kruisende armen werd een jonge, bleeke, haveluinige kerel naar
buiten gegooid, zoodat hij met zijn gelaat op de scherpe koolasch
viel. Zijn pet werd hem nageworpen. Na een oogenblik krabbelde hij
op, zette met een versuft gezicht zijn pet op, veegde het bloedend
gelaat af en begon te vloeken, zijn magere armen naar de gesloten deur
uitstrekkend met zoo'n kracht dat zijn geheele lijf schudde. De andere
kerel, die aanvankelijk met een levenloos dom gelaat had toegekeken,
legde de hand op zijn schouder en sprak zachtjes met hem. Het zwarte
dronkemansgelaat; de roode zakdoek om den hals; de klompen met hooi;
de korte, slobberige broek en de klungelige jas gaven hem het voorkomen
van een landlooper. Na eenigen tijd kletsten ze heen, de modderige
plassen opspattend. De jonge kerel riep: »Nou zal je eens wat zien,
dondersteen.« Maar de andere schooier zei: »Ben je bebliksemd? Je
zou je eigen aan den galg helpen!«
De jonge man, met zijn mager, bleekgeel gelaat en zijn brandende
oogen, in diepe kassen en onder de borstelige wenkbrouwen weggezonken,
was haar zoon. En toch was het, of hij haar vreemd was, zoodat ze
geen moed had, hem toe te spreken. Ze zag hem zelden, want van zijn
twaalfde jaar af bijna, zat hij tot diep in den nacht te kaartspelen,
terwijl zijn ruwe stem boven de andere uitklonk. En later werd hij een
trouw bezoeker van danshuizen. Soms kwam hij 's nachts in het geheel
niet t'huis en sliep dan op een brits in een politiebureau of op andere
plaatsen. Zijn luttel kostgeld legde hij altijd op den schoorsteen in
een kopje, zonder iets te zeggen. 's Morgens ging hij naar de fabriek,
het brood meenemend, dat ze voor hem had klaargezet. Hij was geheel
verdierlijkt en alleen op zijn gemak bij het kaartspel en gemeene
meiden. Zoo kwam het dat ze in hem een vreemde zag.
De teederheid van een wijfjesdier, die haar een oogwenk van afgunstig,
hunkerend verlangen vervulde, trok zich terug. Het was haar of het
namelooze, waarnaar ze verlangde, een eind weggeslingerd werd. Het
wijfje kende haar welp niet meer.
De fabriek spuwde de overige werklieden uit. In groepjes gingen ze
heen, luid pratend. De oudere lieten zich wel zeer voorzichtig uit, en
spraken met gedempten stem; maar de jonge kerels gaven in ruwe woorden
hun verontwaardiging te kennen en zeiden: »Als ze het er bij laten,
zijn het beroerde lafaards!« Ook hun voetstappen, dreunend als een
marcheerende soldatentroep, waren weldra niet meer te hooren.--Het
eenige licht venster verdween. Toen vertrokken de heeren, door den
man met de lantaren onderdanig uitgeleid. Ze droegen hem op, alles
nog eens na te gaan en gingen heen, zachtjes pratend.
Hij sloot zorgvuldig de deur en schreed in alle richtingen de werf
over, fluitende met een schril geluid.
»Wat voer jij daar uit? Pak je weg, de fabriek is al een uur uit.«
Ze klappertandde.
»Ja, ik begrijp al, je bent zeker de moeder van Hein!«
»Nu maar, als je maar weet, dat ik er niets meê te maken wil hebben. 't
Gaat me niet aan. Ieder moet maar voor zichzelf zorgen. Wat? Ik voor
hem in de bres springen? Morgen brengen.«
Door ging sloffend heen.
»Hola, daar! Als je je galgebrok tegen komt, waarschuw hem dan, dat hij
me geen hand of vinger aanraakt, want zoo waarachtig als God leeft,
al moet ik hemel en aarde bewegen, hij gaat naar Leeuwarden. Laat
hem dat gezegd zijn!«
Door had suffend staan luisteren, zonder zich om te keeren. Als een
sleepersknol ging ze heen, slobberend door de nog meer dan straks
doorweekte klei, een stil gevoel van treurigheid en verlatenheid
meêdragende.
De man bleef een poos nadenkend staan.
»Allá! wat donder kan ik er aan doen? Hij heeft het verdiend. De
heeren willen nu eenmaal niet gebrutaliseerd zijn, dat weet een kind
wel. Wie is ook zoo stom, om zijn eigen glazen in te gooien? Met een
zacht woordje krijg je veel meer van ze gedaan. Als 't mij te doen
stond, zou ik me languit op den weg gegooid hebben en ik zou niet
opstaan, voor ze me beloofd hadden, dat ik terug mocht komen. Zóó
zijn ze nu niet, dat ze over een mensch zouden heenloopen. Maar die
dondersche jonge kerels denken er zoo licht over, om weggejaagd te
worden!... Nu ja, men noemt me een strooplikker. Dat ben ik en dat
moet je wel zijn, als je brood wilt hebben. Ik heb de wereld niet
gemaakt. Allà!« en hij maakte een afwerende beweging.
Een paar schrille tonen fluitend, die wanluidend door de stille
duisternis klonken, dribbelde hij heen en weer, de donkere hoeken
belichtend en de olielampen uitdovend. In zichzelf vloekte hij op het
smerige weêr. Toen ging hij naar huis. Een eind kroop de slingerende
lantaren langs het pad. Eensklaps viel ze omlaag en doofde uit. Ruwe
vloeken en een flauw geschreeuw om hulp drongen tegen den wind in.
Een uurtje later lag hij in het eenzame huisje, bleek en
bewusteloos. Door perste haar verwilderd gezicht stijf tegen de ruiten,
op gevaar af van ze te breken. Een zacht kermende vrouw hield een
met bloed doortrokken doek tegen zijn hoofd en had oog nog oor voor
het jongetje, dat, haastig neergelegd, zich had bloot gewoeld en nu,
huilend met de roze, harde armpjes en beentjes lag te spartelen. Het
had verdriet: de tranen biggelden langs zijn wangen, maar toen het de
lamp in het oog kreeg, hield het er de verduisterde oogjes opgericht
en knipte de traantjes weg, die tusschen de wimpers hingen.
En de vrouw keek radeloos rond, of er niemand was om naar den dokter
te zenden. Misschien was haar man, die langzaam doodbloedde, nog
te redden.
Eerst na een poos bekwam Door uit hare verdoving. Ze kreeg een gevoel
van voldaanheid: de tijgerin zag bloed. Nu ze wist, Hein verloren
te hebben, scheen ze door nieuwe banden aan hem verbonden. Een
tijgerachtige wreedheid kwam over haar en doortrok haar gansche
wezen en schudde haar op uit de nevelige soezigheid. Ze haatte op
dit oogenblik alle menschen met een teugelloozen haat, uit zijn
onbewustheid opflikkerend met een verteerenden gloed.
De bulderende wind; het donkere water; de gapende zwijgende ruimte
om haar--daarmeê gevoelde ze zich verwant. Een vaag gevoel van
zelfbeschuldiging maakte haar behoefte om te haten, nog sterker. Half
razend ging ze naar huis, door dik en dun stappend met stevigen, vasten
tred; de vuisten dicht geklemd, dat de nagels in het vel drongen;
stijf in de lucht starend. Ze moest vernielen en haar vuisten knepen
flarden van den doek. De tanden knarsten. T'huis wierp ze verschillende
voorwerpen met kracht tegen den grond. Toen ze was uitgewoed, hoosde
ze eerst wat koud water naar binnen en dronk daarna een donkergroen
fleschje leeg, meer dan half gevuld met jenever. Dat fleschje hield
haar steeds op de tafel gezelschap, door lappen en papieren aan de
oogen van vreemden onttrokken.--Ze vloekte, schopte de kat en beet
op de vuisten, haar muts verscheurende, heur haren los trekkende,
tot ze in eene doffe sluimering viel. Met een flauw, mat gevoel van
onvoldaanheid en ontevredenheid ontwaakte ze en slechts na opnieuw
jenever gedronken te hebben, herinnerde ze zich, wat er gebeurd
was. De eerste dagen was ze aanhoudend in eene roes.