De klok bij den bakker stond op veertien minuten over negenen,
toen Frans en zijn zusje Leentje zich op weg begaven. Het was een
herfstavond en de bij vlagen nêervallende regendroppels veroorzaakten
dezelfde tinteling in het gelaat als hagelkorrels. De elfjarige knaap
was tegen de kou beschermd door een pet met oorkleppen en een jas,
die te groot was en pasklaar gemaakt door de knoopen achteruit te
zetten en de slippen wat in te korten; het meisje door een dikken,
verschoten grijze doek, over het hoofd geslagen, eenige malen
om het lijf gewonden en met een dikken, dubbelen knoop op den
rug vastgemaakt. Toch bibberden ze. Frans merkte spoedig, dat het
verkleumde vuistje van zijn achtjarig zusje ternauwernood het zakje
brood kon vasthouden. Hij-zelf droeg een kruik met heete koffie,
in een doek gewikkeld.
»Zeg, Leentje, ik wou, dat ik het brood mocht dragen.« Het meisje
keek hem met hare groote, blauwe oogen wantrouwend en ongeloovig aan.
»Waarom?«
»Wel, dan kon ik mijn handen in mijne zakken houden. Het zijn van
die lekkere diepe!«
»Nou, als je wilt« ... Maar ze wilde eerlijk zijn en zich niet door
zelfzucht laten leiden:
»Je kunt anders je handen zoo lekker aan de kruik warmen,« merkte
ze op, doch in haar toon kon men haar geheim verlangen hooren. Frans
had niet veel woorden noodig, om haar over te halen. Spoedig kon ze
met innig genot haar koude knuistjes tegen de warme kruik drukken.
De ramen der winkels waren beslagen. Kijkers waren er trouwens niet. De
enkele parapluie's dreven snel over de straat en ook de lieden zonder
regenscherm liepen ineengedoken haastig voort. Treurig staarden de
gasvlammen in hun verlatenheid de kinderen na. Deze gingen dicht naast
elkaar. Ze hadden sinds 's morgens niet gegeten. »Het laatste stuk
brood moest voor vader bewaard worden. Maar als hij wat overliet,
mochten ze 't opeten« was hun zuchtend gezegd.
Ze kwamen op de L. haven, die zich eindeloos voor hen uitstrekte
en zich in het duister verloor: een vormlooze klomp kale boomen en
huizen. Geen mensch was er te zien. De schepen schenen geen bewoners
te hebben. De huizen keken bedroefd op hen neer. Een mantelmagazijn
en een ijzerwinkel hadden het licht nog op en de vlammetjes keken
spleenziek naar buiten.--Tot tijdverdrijf maten de kinderen met
schreden de afstanden tusschen de lantarens. Het water sieperde uit
hun schoenen, telkens als ze de voet neerzett'en. De straat was zeer
modderig en waar de steenen door de sleeperswagens verzakt waren,
hadden zich donkere plassen gevormd, die het geringste lichtstraaltje
gretig opvingen en weerkaatsten.
Ze gingen voorbij de zeetijdingen, die door een lamp achter traliewerk
verlicht waren. Een man stond ze te bestudeeren.
Eindelijk kregen zij hun doel in het oog. De boot, waaraan hun vader
werkte, lag bij een blauwen lantaren. Ze renden een donkere rij
pakhuizen voorbij en eene brug over; want het schoot hun te binnen,
dat het te laat moest zijn. Anders hadden ze wel kinderen met brood
en koffie gezien. Het wás ook te laat. Reeds tien minuten geleden
was het sein tot schaften gegeven. Achter het groene houten huisje,
zooals er bij elke boot een is, zaten op omgeworpen balen katoen of op
planken en balken etende mannen en snappende kinderen. Het licht van
een lantaarn, die op den grond bij het huisje stond, viel op de grove
gezichten, zwart van kolenstof; gezichten zonder eenige uitdrukking,
stomp en wezenloos; en deed het wit der oogen glinsteren, als bij
negers. Men had aan den kant vanwaar de wind kwam, balen katoen gezet.
Daar kwam een groote, zware man de stelling af. Hij hield de hand
boven de oogen om ze tegen het licht te beschutten. Zijn gelaat had
het opgezwollene, dronkaards eigen. Eene zwarte, havelooze baard hing
om de breede kin, die getuigde van grof egoïsme. Hij was een stevige,
vierkante kerel, die niet gemakkelijk door den tijd gesloopt zou
kunnen worden.
»Waar kom jullie vandaan? Zeker loopen lanterfanten. Of je vader honger
lijdt kan je niet.... Alla!« viel hij zichzelf in de reden. »Het is
toch boter tegen de galg gekletst! Maar te laat is het, dat wascht al
het water van de zee niet af.« De kinderen hijgden van vermoeidheid,
en de borst van den jongen piepte en knerpte.--De man ging hun met
vasten stap vóór langs stapels balen, gedekt door zwart, nat zeildoek,
het licht van verwijderde lantarens afschampend; de glibberige stelling
op, een levensgevaarlijk trapje af, zonder naar de kinderen om te zien,
die veel gevaar liepen in de donkere, koude rivier te vallen. Hij
wendde zich rechts en kwam in een lange gang, slechts aan den ingang
verlicht door het olielicht bij den stoomlier. Bij een kleine kombuis
hield hij stil. Het was een klein vertrekje, voor de helft ingenomen
door een groot fornuis, vol stof en roet. Een meter ongeveer daarboven
stond op een plank een petroleumlicht zonder glas. De walm sloeg
tegen den zolder en kooldeeltjes zweefden rond. Vóór het fornuis stond
eene bloedroode bank, waarop reeds iemand zat. Alles was vol stof en
roet en in de hoeken hingen draden spinrag en vuil, onophoudelijk
heen-en-weêr zwevend. Engelschen zijn gewoonlijk zindelijker op de
machines, dan op de kombuis.
De vader had onderwijl plaats genomen.
»Zoo, zijn de verloren schapen terecht?« zei de ander op teemerigen
toon en met een blomzoet lachje.
Het klonk Frans sarrend en dit verhoogde zijn prikkelbaarheid.
»De jongeheer schijnt boos te zijn.«
»Dát moest er waarachtig nog bij komen. Ik heb reden«....
»Wil jullie hier zitten? Ik wil wel opstaan.«
»Ben je een beetje bedonderd, rooie? Ze voeren geen donderdag uit
en ze hebben jonge beenen. Als ze moe zijn, moeten ze maar op hun
duim gaan zitten.« Beide mannen schaterden het uit. Frans werd er
zenuwachtig van.
»Ja, rooie, om op ons aprepro terug te komen, het is een rare
scharrelaar. Zoo nu en dan gaat hij een week of wat op den rol en komt
pas boven water, als hij al zijn plunje verpast heeft. Dan loopt hij
met Jan Rap en zijn maat«....
»Met den duivel en zijn moer,« verbeterde de roode.
»Maar gewikst is hij, dát moet gezegd worden.«
»Maar het is een beroerde kale jakhals en hij heeft toch een koude
drukte van belang, net als de burgemeester van 't afgebrande dorp. Ik
kan die windhappers niet luchten of zien. Zoo beroerd veel noten op
zijn zang!«..
»Nu ja, maar ik doe als de vader van 't dolhuis: Ik stoor me aan
geen gekken. Ik zeg maar: »Ja baas!« en 'k denk ondertusschen:
»'k zal je scheren, baard of geen! Verrek maar, hoor. Het is geen
aangenomen werk!«
»Hoe hij baas geworden is, mag Joost weten. Hij heeft geen steek
benul.«....
»Wel, zijn vrouw loopt op de baan, dat weet ik zoo goed als twee
maal twee.«
»Haha! daar heb je ze, die 't Wilhelmus blazen. Zit de vork zóó in
de steel.«
En de mannen lachten.
»En dat is nog al van 't hondje gebeten.
»Nu ja, als ze oud worden, zitten ze onder de preekstoel. Als de
zaakjes niet meer gaan, worden ze fijn.«
»Hij wou me gisteren een uitbrander geven, maar ik gaf hem zijn vet
weerom. Hij kreeg zijn bekomst. Als hij me weer een stroobreed in de
weg legt, zal ik hem dit op zijn brood geven. En als hij dan nog niet
koestem is, dan.... dan weet ik het niet.«
»Hij moet vroeger rijk geweest zijn.«
»Hadden was een rijk man, maar hebben is er beter an. Nu lijdt
hij armoe, dat hij zwart wordt. Tot over de ooren zitten ze in de
schuld... Ik wou dat ik ook maar baas kon worden. 't Is makkelijk
genoeg, het te zijn. Met de handen op de rug loopt men wat te vloeken,
en 's Zaterdags betaalt men, klaar is Kees.«
»Ja heksenwerk is het niet,« zei de vader van Frans.
Onderwijl had hij op zijn elfendertigst het brood uit den zak
gehaald en naast zich op de bank gelegd, de kruik ontkurkt en een
groote kom van wit aardewerk, door Leentje uit haar zak gehaald,
volgeschonken. »Niet veel eêls!« beoordeelde hij de koffie, »van
het achtenveertigste treksel. Lauw Loenen met de klep dicht.« Ook de
boterhammen ontgingen zijne kritiek niet. »Jongen, jongen, wat een
vracht boter. En wat een lekkere kaas, hé rooie?« Deze lachte. Zijn
lach klonk als het gesjierp van de wielen eener boerekar, met horten
en stooten.
»Moeder had geen geld want u hebt in den laatsten tijd zoo weinig
gewerkt,« merkte Leentje schuchter aan.
Frans had niets gehoord. Hij keek naar het vuur, dat eenige passen
verder brandde. De stoker wierp er kolen op. »Van één zoo'n schop
zouden wij een dag kunnen stoken,« prevelde de jongen. Het vuur
wierp zijn gloed op de groote stukken steenkool in den hoek en op
het houtwerk en deed de slagschaduwen donkerder en lichter worden,
inkrimpen of zich uitbreiden. De forsche kop van den stoker viel
geheel in het licht. De vlammen oefenden op Frans een merkwaardige
aantrekkingskracht uit. Hij kwam naderbij.
De mannen aten samen de boterhammen op. Leentje hield met moeite een
zucht binnen. Ze zag er ouwelijk uit. Haar groote oogen hadden eene
vermoeide, schuwe uitdrukking. Een scherpe lijn om den dichtgeknepen
mond sprak van diepgevoelden kommer. Hoe jong zij ook was--ze had een
lang verleden achter zich; lang, omdat het rijk was aan ervaring. Dat
is de vloek der ontbering, dat ze over distelen leidt en zegt: »Een
woestenij is de aarde.« Ze raakt aan de bloesems en ze verdorren; aan
het warme hart en het verstijft. Der jeugd slaat ze het rozenkleurig
glas van het oog om haar door een zwart te laten kijken. In haar
spiegel Argwaan grijnzen den arme toe: Leugen, Bedrog en Zelfzucht.
De roode kon Frans van zijn plaats af niet zien. »O, de Nero
Niemandsvriend zal naar geen zeven slooten tegelijk loopen,« stelde
de vader hem gerust. Daar kwam een dronkaard aanslenteren, bleef
voor de kombuis staan. Dadelijk werd voor hem ingeschoven. Ze zaten
nu schouder aan schouder, elboog aan elboog.
»Alló, sta recht op je lijf.« Dit gold Leentje, die tegen de
deurpost stond te leunen. Het was om zijn vaderlijk gezag te
toonen. Stilzwijgend ging ze rechtop staan, »Vrindelijke mosschen«
zei de dronkaard. Dat hoorde Frans. »We hebben ook geen spraakwater
in,« zei hij. Het zou Leentje onmogelijk geweest zijn, wat te zeggen:
de keel was haar als toegesnoerd.
De boterhammen waren op een na verdwenen.
»Dáár, eet jullie 'm maar op, holle Gijzen.«
»Ik lust niet« zei Leentje.
»Hier Frans!«
»Overgeschoten brokken geeft men aan honden en bedelaars.«
Ruw werd de boterham door den man in een hoek gesmeten. »Leen, schenk
in« klonk het kort. Bevend deed ze het. »Geef het aan dien oome!« en
hij wees op den laatstgekomene. De jeneverlucht kwam haar tegemoet
toen ze den man naderde. Eer ze den kop kon overreiken, had Frans
haar dien ontnomen en omgekeerd. Toen nam hij een teug uit de kruik.
»Daar, als ik niets krijg, zal ik het nemen. Ik lust net zoo goed
als vreemden.«
Zijn vader stond op en gaf hem onder veel vloeken een geducht pak
slaag. Elk woord was een vloek.
»Sla me maar in eens dood, dan ben ik van alles af. Dát is toch zoo
geen leven.« En de knaap knarstte op de tanden en balde de vuisten,
dat de nagels in het vleesch drongen.
»Lig daar mormel!« en met een smak werd hij op de steenkolen
geworpen. De stoker haalde de schouders op en bracht een schop
vuur weg.
Jan zei smalend: »Daar ligt Oom Kool,« en de vader bromde: »'k Zal
je leeren, op den poot te spelen.«
Frans kon niet nalaten te mompelen: »Dat mag hij alleen, als hij
dronken is.« Hij zat zichzelf op te winden en kromp ineen van
machtelooze woede.
»Zoo'n dooie diender!« merkte Jan aan. »Ik geloof, dat hij nog lacht.«
»Ja, als een bok, die palm vreet. Het hangt me al lang de keel uit,
dat beroerde koppen.«
Frans gevoelde neiging een moord te begaan, als hij maar kracht genoeg
had gehad.
»Leen, een andere kop!« Ze deed het; maar haar lichaam trilde en ze
was zeer bleek. »Ze moet manieren leeren,« was haars vaders motief.
Toen de koffie op was, tracteerde de »oome« uit een zwart
fleschje. »Medicijnen« lachte hij. Leentje keek toe. Ze zag den
stoker niet, die een tweede schop gloeiende kolen kwam halen. De
steel kwam haar met zulk een kracht tegen het lijf, dat ze omviel
en naar adem hapte. Haar vader nam bedaard een slok, het was zijne
beurt. Op de vraag van den stoker of ze zich had bezeerd, knikte ze
van ja. De tranen stonden haar in de oogen. Haar vader zei met een
gedienstig lachje: »'t Is niets! Dan moet ze maar beter uit haar oogen
kijken. Kom, simmetje gladkop, met verdriet overtrokken, houd je stil.«
En tot den stoker: »Jobs geduld en Salomons wijsheid komen er aan te
pas, als je kinderen hebt.« De jonge man keek hem zuur aan en wenkte
de kinderen, hem te volgen. De vader was verontwaardigd. »Loop naar de
Mookerhei, Jan Jurk met je verrekrok. Ik heb je al lang in den zak,
Hottentot! Maar allà, wat kan 't mij schelen. Ze zullen den negenden
dag wel boven water komen. 't Is tuig van Laban!«
De mannen werden vroolijk. De roode Jan had beproefd, een lied in te
zetten; maar de anderen waren niet gediend van: »een lange wagen, al
volgeladen, met oude vrouwen.« Ook konden ze hun bijval niet schenken
aan: »o vader, o vader, kom t'huis.«
Daar begon de dronkaard:
»Als 't kermis is, als 't kermis is,
Dan slacht mijn vaêr een bok,
Dan danst mijn moeder, dan danst mijn moeder,
Al in haar blauwen rok!«
Dat vond bijval. Misschien, waarschijnlijk zelfs, gold deze echter
meer den eigenaar van het fleschje, dan den zanger van het lied.
Het gesprek kwam op de vrouwen. Men moest ze onder den duim houden,
vond roode Jan. Zoo nu en dan eens opspelen en ze vlogen voor
je. Vroegen ze je wat, dan moest je maar zeggen: »met Sint Juttemis,
als de kalven op het ijs dansen.« Waren ze over iets geraakt dan moest
je ze raden: »Troost je maar met den apostel Gerrit, die is er toch
nooit geweest.« Want deed je zoo niet, dan lag je al heel gauw voor
een oortje thuis. Hij wilde echter niet zeggen, dat de anderen ook zoo
moesten doen, want ieder moest zijn potje koken, als hij 't eten wilde.
Frans Sr. betoogde, dat hij zich ook niet op den kop liet zitten. Nog
gisteren, toen het eten hem niet beviel, had hij 't vierkant in
het water gesmeten. Dacht je, dat hij zich liet afschepen? Om de
verdommenis niet. Naar zijn pijpen zou men dansen. Zijne vrouw maakte
wel eene drukte van de andere wereld; maar er kwam wel ander eten,
dat gaf hij zijne hoorders op een briefje. Hóe zij er aan kwam, mocht
Joost weten, want ze had al den duvel en zijn moer verkocht en naar
de lombard gebracht. Maar dat kon hem niet verdommen, het wás er. »Ik
weet wel wat ik drijf, als ik varkens drijf,« besloot hij.
Jan scheen hem niet te gelooven. »Een goed geloof en een kurken ziel,
dan kan men drijven,« bromde hij. Zoo ging het een poosje voort. Het
was een wedstrijd, wie van hen de meeste blankofficiersdeugden
bezat. De gastheer kwam echter in een weemoedige stemming. Hij was
geheel en al dronkenschap en barmhartigheid. En weldra drukten ze
elkaar hartelijk de hand en fluisterden elkaar nietsbeteekenende
geheimen toe en zwoeren eeuwige trouw en vriendschap.
De kinderen kwamen terug. Ze hadden van den stoker een stuk pudding
gekregen. Het was geen snêe brood, zooals men bedelaars geeft, meende
de stoker. Frans kon het gerust aannemen. De hooghartige uitdrukking
verdween dan ook van het bleeke gezichtje.
Vader riep hen. Ze pakten de kruik in maar hielden op, toen de man
de kom aan stukken gooide, met een gezicht als waarmee een rijke
verkwister een banknoot zou verbranden. De leege flesch ging denzelfden
weg. Nu was het Jan's beurt en gedachtig aan het »van andermans leer
is het goed riemen snijden,« rukte hij Leentje de kruik uit de handen,
van zins, ook de breekbaarheid van deze te bewijzen.
Toen vloog Frans op hem aan, klemde zijn armen om 's mans hals en
trapte hem met alle macht tegen het lijf, zoodat Jan het uitbrulde van
pijn. Hij hief de kruik in de hoogte om haar op het hoofd zijns vijands
te doen nêervallen. Frans verkeerde in een soort zenuwrazernij. »Wou je
den boel kapot gooien, waar moeder zoo hard voor moet werken? Al laat
hij het toe, ik vecht me liever dood, dat doe ik!« kwam er stootend
uit. Zijn vader was verbluft en keek met open mond toe. Werktuigelijk
stak hij de hand uit, om den jongen tegen den grond te kwakken, maar
de stoker voorkwam hem. Behoedzaam, maar met kracht rukte hij Frans
van zijn vijand af. »Kereltje, bedaard.«
Jan herstelde zich en dreigde sarrend zijn voornemen toch ten
uitvoer te brengen. Frans stampte op den grond, klemde de tanden
opeen en balde de vuisten. Hij riep: »O, o, o! moet ik dan alles maar
toelaten? Moet ik me maar altijd laten treiteren omdat ik klein ben?«
Half en half verwachtte hij, evenals Simson, eensklaps krachtig te
worden, om zijn vijand te kunnen verslaan. Het gevoel van minderheid
bracht hem opnieuw tot woede.
»Ik wou, dat«... De stoker sloot den tandenknarsenden mond. Jan
zei sarrend: »Het komt niet van 't wenschen,« zei de boer: »dat mijn
kalven sterven.« Het verschil van klein en groot was weggevallen. Hier
stonden twee vijandige dieren tegenover elkaar: het eene machteloos,
het andere zich daardoor veilig gevoelend. »Als ik maar groot was,
o, o, o!« snikte Frans. De reactie kwam even spoedig als de actie. Er
schoot hem een gezegde te binnen, dat hij op school gehoord had. »Die
zichzelf kan beheerschen, is even groot als de machtigste koning.«
Hij begon zich te schamen. De armen vielen hem slap langs het lijf. De
stoker duwde hen zachtjes voort om hen naar boven te brengen. Jan
fluisterde hardop, op het voorkomen van den jongen doelend: »net een
uil in doodsnood!«
Nadat de stoker de kinderen de stelling had afgeholpen, bracht hij
Jan onder het oog, dat hij een flauwe kerel was en zich behoorde te
schamen; Jan antwoordde: »Ik heb me maar eens in mijn leven geschaamd:
toen men keek of ik een jongentje of een meisje was. Nu draag ik
een bord voor mijn hoofd.« Zijne makkers lachten. De stoker zei:
»Je bent nu zoo vet als een slak, maar als je nuchter was zou ik je
tegen de wereld schoppen. We zullen mekaar nog wel eens spreken.«
En vol verachting ging hij heen. Jan bromde: »Je doe maar!« maar niet
vóór de ander buiten gehoor was.
Frans Sr. tuurde op de gebroken jeneverflesch. Eensklaps brak hij in
tranen uit en snikte: »Je hebt mijn goeden jongen mishandeld.« Jan
haalde de schouders op en ging heen, terwijl hij zei: »Nu begrijp ik,
dat de jongen half gek is: zijn vader loopt met molentjes.«
Wél mocht Leentje met een wijs gezichtje zeggen: »Ik houd mijn hart
vast. Hij is zoo vet als een slak. Als hij maar geen ongeluk krijgt.«
Ze waren de stelling afgeloopen. De mannen, die met eten klaar
waren, zaten te schertsen met hunne of andermans vrouw. De kinderen
beproefden, de balken en planken te doen wippen, op gevaar af, ze te
breken. Het licht van den lantaarn bij het huisje scheen Frans rooder
dan straks. Vurige stralen schoten heen en weer als bliksemflitsen. De
balen katoen schenen aan te rukken om hem op de borst te vallen. De
lichtjes, die hem anders van de overkant toepinkten, waren nu niet
te zien...
Hier en daar was men weer aan 't werk begonnen. De steekwagens
en de stoomlieren ratelden van verre. Mannen schreeuwden. Enkele
sleepersknollen stonden nog als in de aarde geplant; andere werden
reeds onbarmhartig voortgezweept.
De kinderen liepen voort, naast elkaar en toch als door eene muur van
elkaar gescheiden. Op de haven was het doodstil en donker. De boomen
schenen met lange vingers dreigend naar den hemel te wijzen... Het
was droog, maar zwarte wolken dreven pijlsnel voort, alsof ze het
oord wilden ontvluchten....
Een dienstmeid wierp eten achter een boom. Een havelooze,
schokschouderende kerel, die zeker in een der wagens had gelegen, welke
daar stonden, raapte het eten op, eer de meid, wier lichte kleeding
scherp afstak tegen den donkeren achtergrond, in de deur was verdwenen.
De kinderen gingen bij stilzwijgende overeenkomst eenige schreden terug
en een steeg door, die hen op den Dijk bracht. Voorbij het armhuis,
een grooten, grijzen klomp zonder licht, somber en dreigend. En slechts
eenige huizen verder klonk dansmuziek. De triangel klonk boven uit,
schril als de roode bol boven de deur afstak tegen het duister in
de verte en rondom. Opgeschoten jongens stonden eene vrouw aan te
gapen, die in een witte verlepte jurk met zilveren loovertjes voor
de deur stond te bibberen. »Het spek in den muizenval!« zei een der
bewonderaars. Leentje fluisterde Frans toe: »Net een princes,« maar
kreeg geen antwoord. Rood, bloed. »Die tegen zijn ouders opstaat,
eindigt als moordenaar,« klonk het Frans in de ooren. Hij liep haastig
voort. De torenklok sloeg elf uur. De herbergen waren natuurlijk nog
druk bezocht. Even voorbij »de Oranjeboom« moest Frans gaan zitten
op den rand van het trottoir, dat bij een pakhuis ophield. Het zweet
brak hem uit, de knieën knikten, rillingen deden hem klappertanden. De
lantarens geleken op groote, vurige oogen, die stralen uitschoten. Het
was of de straat een berg vormde, die eenige meters van hem af
veranderde in een afgrond, langs welks wanden alles, ook hijzelf,
in duizelingwekkende vaart afgleed. Dan weder golfde de bodem in de
breedte. Hij rolde om en om met huizen en al. Rondom was het licht als
bij brand en hij hoorde sterke geluiden, alsof er op trompetten werd
geblazen. Eindelijk rolde de straat zóó snel, dat ze veranderde in een
grooten, grijzen bol, die vervolgens zichzelf in het midden uitholde,
toen dubbelviel, weder een bol werd en zich splitste in donkergrijze
en zwarte balletjes, die op een paars veld ronddwarrelden. Frans
stond op en ging wankelend verder. De bollen draaiden van hem af en
naar hem toe, tot lang, nadat hij reeds te bed lag. Hijzelf zag in
hetgeen hem overkwam de straf voor het gebeurde op de boot. Leentje
scheen dat gevoelen te deelen; althans, toen ze nog op den stoep zaten,
had ze zachtjes gejammerd: »zoo komt onze lieve Heer!«