Op een morgen zei de man, bleek van het waken: »'t Is dood!«

»Zoo? En wanneer zal dat verrekte ding van de deur af gaan? 't Hangt

me de keel uit.«

De dokter gaf bevel, goed met carbol te sprenkelen. Het eerste woord,

dat de aptheker zei, was: »Je kind is dood, hè?«

»Hoe kan die vent het nou weten?« vroeg de man zich op straat

af. Eerst had hij er niet opgelet, maar op straat leefde het op in

z'n ooren. Wacht eens! Nou hij het van achter bekeek, de drank van

gister was anders als gewoonlijk. Die drank was de oorzaak van den

dood van 't kind, wie weet, had het niet nog blijven leven. Zoo gaat

het, een arm mensch is niet in tel. Dien dokter was 't zeker gaan

vervelen en daarom had hij 't maar kapot gemaakt. En hij balde de

vuist. Verdomd, dat hij ook zoo arm was. En hij vloekte alles en

allen. Een vernielzucht kwam over hem, met moeite in te toomen.

Nog vóór den avond kwam het kistje. Het kind was moeielijk te hanteeren

en daarom werd het er zoo maar ingelegd en met een witten lap bedekt.

De man had rust noch duur. Den ganschen dag liep hij rond, zich

pijnigende met de gedachte: »Als ik nou eens een andere dokter had

kunnen nemen? Als de vent er eens geen verstand van had?«

Deze laatste gedachte liet hem niet meer los, nadat hij een gesprek

van twee vrouwen had gehoord. 's Dokters naam was genoemd:

»Die? 't Is 'n knap man, daar zal 'k niks van zegge, maar van pokke

heeft hij geen steek verstand. Allemaal sterve ze bij hem, allemaal,

allemaal! Maar 't is 'n armendokter en daar nemen ze er ordinèr een

voor, die de rijke niet hebbe wille.«

»Zoo is 't,« juichte de man in z'n binnenst. »De armen motten er onder,

wat dondert het, of er 'n paar krepeeren? Er zijn er genog.«

Zoo hitste hij zich op. In de rijkeluibuurten zag hij slechts een

enkel briefje. »Zie je wel? Die krijgen ze niet. Wij arme donders

motten er an.« En hij vloekte ruw.

Thuis wierp hij zich afgemat op bed. De paar vragen, die hij zich

den ganschen dag gesteld had, lieten hem niet los. Hij hoorde ze, hij

hoorde ze spottend, ernstig, klagend, met schaterlachen, met bleeke,

weemoedige glimlachjes, op allerlei toonhoogten, elkaar verdringend,

op elkaar opstapelend, samensmeltend tot 'n afgrijselijk koor,

waarin de schaterlachen domineerden. Eensklaps werd er 'n opening in

gemaakt, die 'n bleeke, woeste, moordzuchtige gedachte weder vulde,

langzaam opklarend en zich binnen scherpe grenzen terugtrekkend. Hij

zou den dokter vermoorden. En dan zou hij zichzelf aangeven en voor de

rechtbank, zóó, dat ieder 't goed, duidelijk zou kunnen hooren, zou hij

zeggen: »Ja, ik heb hem vermoord. Wij armen hebben ook ons gevoel. We

willen niet langer beesten zijn, die zich laten trappen. We laten ons

niet langer vermoorden, zonder wat terug te doen.« Hij lag op z'n bed,

trillende en kokende van machtelooze woede. Toen hij ontwaakte, wist

hij niet eens, dat hij geslapen had. Hij voelde zich ziek en ellendig.

»De pokstof in m'n lichaam, die werkt,« dacht hij. En hij wenschte, dat

hij maar gauw mocht opkrassen. »Wat had je eigenlijk aan je leven? Ja,

dat zou hij wel eens willen weten. Werken om te leven en leven om te

werken. 't Was de moeite niet waard. Dat hij dat nog nooit zoo had

ingezien. Bah!«

Langzaam liep hij over de straat te slenteren, als in een droom. 's

Avonds kwam een kameraad zeggen, dat de baas gehoord had, dat 't

kindje dood was. En of hij maar uiterlijk overmorgen wou maken,

present te zijn.

»Vooruit ezel! werk! werk!«

Hadden de menschen een hart? Ben je gek, ieder zorgt voor z'n

eigen. Maar hij verdomde het, dáár! Geen poot zou hij meer verzetten.

In de begrafeniskoets, den volgenden dag, had hij dezelfde

giftige stemming. Strak tuurde hij op het kistje vóór hem, op den

voorbank. »Die beroerde bidder had zijn glaasje lekker opgedronken. En

zijn vrouw? Voor jenever had het kreng wel gezorgd. En naar d'r eigen

vleesch en bloed had ze niet omgekeken.«

Het kerkhof zag er triestig uit. De schrale boompjes, gevoed door de

arme lichamen, die er onder lagen te rotten, lieten hun tranen vallen

op de groote, blauwe zerken en stonden te bibberen in den killen,

dunnen motregen. De doodgraver stootte het kistje bij ongeluk tegen het

hek. De vader keek hem aan, of hij op het punt was, hem aan te vliegen

en met zijn vuist den hersenpan in te slaan. Met geweld, traag keerde

hij zich af. Ze liepen langs de graven. »Hè, wat een beroerde troep

hier. Als 'k nou mijn kind eens wou opzoeken, zou 'k niet eens weten,

waar 'k 't kon vinden. Kijk me daar eens an! Die krans is heelemaal

verlept. Er is in geen jaren naar gekeken. Bah! wat zijn er toch voor

menschen op de wereld. Bah! Allemaal in 'n put en 'n zwaren steen er

op. Verdomme! En dan den heelen boel onderste boven keeren!«

Toen de doodgraver hem den schop in handen gaf, had hij heel veel

lust, er die beroerde lui mee te lijf te gaan. Hij zwaaide met het

werktuig om zich.

»'n Schop zand,« fluisterde de bidder, die achter hem stond. Dof viel

de plons nattig zand omlaag. De leider der begrafenis dankte voor de

eer, den overledene bewezen en ze gingen terug.

Buiten de poort fluisterden de bidders een oogenblik en verspreidden

zich toen. Eén vroeg, of hij bij den man in de koets mocht zitten.

»Neen.«

De paarden renden over de hobbelige keien, óp en neer, óp en

neer. »Daar is me die verdommeling toch meê gegaan. Daar zit-i,

op den bok. Heb je ooit?«

Doch het rijtuig hield spoedig stil en de bidder steeg af. Een paar

woorden wisselde hij nog met den koetsier en voort ging het weêr.

Hij voelde zich als lamgeslagen. Den heelen dag lag hij op bed.

's Morgens ging hij naar z'n werk, ontevreden en knorrig.

Het huis stond dien dag overeind. Een inspekteur met

'n »burgermannetje« waren gekomen en de vrouw moest alles

aanwijzen, wat met het kind in aanraking was geweest: bed, deken,

kleedingstukken. Eindelijk kwam ze aandragen met oude hemden, een

paar dekens, een hoop ouwe kousen, een ouwe broek....

»Wat mot dat?« zei de inspekteur. »We kunnen je niet allemaal een

nieuwe uitrusting geven. Wat hebben we hier? Een lor van 'n broek.«

»Ja, maar, die voor ons zoo goed is als 'n nieuwe. Als die weg is,

motten we 'n nieuwe koopen.«

De taxatie viel nog al meê. Wat kon 't haar schelen, dat de inspekteur

iets mompelde van: »Lamme lui, die 't onderste uit de kan willen

hebben?« Het geld is er immers voor?

Alles werd gedragen in een kar, die voor de deur stond en waaromheen

de kinderen krijgertje speelden, hoe dikwijls ook weggejaagd.

Na een poosje kwamen mannen den vloer schrobben met carbol. 't Vuile,

berookte behangsel trokken ze af en de muren werden gewit. Een agent,

'n klein, bol, mottig ventje, zat midden in 't vertrek op een stoel,

toe te kijken en te praten. De vrouw trakteerde eerst op jenever

en toen deden de mannen het zichzelf. Ieder gaf op z'n beurt een

rondje. Ze verdienden grof geld. De vrouw meende te verstaan een

riksdaalder per dag. Onder ruwe scherts deden ze hun werk, de mouwen

van hun pilow kielen en de pijpen van hun broeken opgestroopt.

Toen ze 's avonds heen gingen, lieten ze een akelige lucht na van

jenever, vuile tabak, carbol en chloor.

Opeens bekroop haar de vrees, dat de besmetting ergens was blijven

hangen. Ze had geen rust of duur. De mannen hadden verteld van

een metselaar uit de buurt, die óók bang was, dat hij de pokken

zou krijgen.

»Toen z'n zoontje ze kreeg, ging hij in een logement. En eerst toen

't kind dood was en 't huis geredderd was, kwam hij weer naar z'n

vrouw. Maar de besmetting was ieuwers blijven hangen en hij werd

aangetast. En nou was hij niet toonbaar. Mensch, mensch, je moest hem

zien. 'n Monster! Als hij wierook gebruikt had, zou 't niet gebeurd

zijn,« meenden de mannen.

»Wierook, wierook!«

Ze haalde wat wierook bij een drogist en deed 'n paar stukken in 'n

test met vuur, na de deur goed gesloten en alle reten dichtgestopt

te hebben.

Langzaam werd het vertrek gevuld met een gelen, dikken,

verstikkenden walm, die haar op de hersenen drukte en de vlam der

lamp verdonkerde. Langzaam klampten ze op tegen de wanden, naar den

zolder en kringelden er langs en daalden af en klommen weer op, de

eene rookkring over den ander, door elkaar, in elkaar. Ze schoven

over de meubels naar den uitgedoofden haard, waar ze met een vaart

naar toe vlogen, als opgezogen.

Een poosje zat ze op een stoel hen na te turen, de armen over de

borst gekruist, met inwendig genoegen. Doch 't kwam haar vóor, dat

daar, in die donkere hoeken bij den zolder, de besmetting zich had

samengetrokken en haar aangrijnsde, gereed óp haar te vallen, haar te

omwikkelen, haar te dooden. Ze sprong op, klom op 'n stoel en hield de

test omhoog, haar voortschuivende langs den zolder, een oogenblik of

wat wijlend in de hoeken. Ze stikte van 't hoesten en was als bezeten

van 'n geheime angst. Haar verwarde, losgevallen, drooge haren slierden

langs haar gezicht, als kronkelende slangen. Het licht werd donkerder,

omhuifd door 'n vuil gelen nevel. De rookwolken vormden allerlei

dreigende gezichten, die haar uit de donkere hoeken toegrijnsden.

Een nest menschen · 第 18 / 25 题