BESMETTELIJKE ZIEKTE.

In de stad heerschten de pokken. De namen van die er aan bezweken

vormden in de couranten heele lijsten. Een vunzige lucht, doortrokken

van carbol en chloor, hing in de nauwe straat, waarover zich dag aan

dag een naargeestige, vuil-grijze hemel uitstrekte. De zwarte gevels

zweetten de besmetting uit, die zich bijeentrok om de witte repen

papier, op deuren en kozijnen geplakt. De vrouwen, die 's morgens voor

den haard van de water- en vuurnering de hoofden bij elkaar staken,

hadden het over niets anders als nieuwe sterfgevallen en nieuwe grepen

van de gevreesde ziekte, die zijn klauwen links en rechts uitsloeg,

als een grimmig roofdier, overal tegenwoordig, niets ontziende. De

huizen stonden te rillen, deemoedig vol angst en vrees.

In de nering hing een vuile nevel, die zich voor het vuur bijeentrok

in gelige klampen, met een stank van vuile eieren. Het was een vuil

gezin. De weinige meubelen waren bedekt met een dikke laag vuil en

doortrokken met een zwaveligen turfdamp. Het kleine jongetje lag tot

den middag in zijn goor ledekantje naar de vlammen te kijken en liep de

andere helft van den dag in een vuile hanssop, met ongewassen gezicht

en steil rechtopstaand, geel haar. Even vuil was z'n moeder, met een

taankleurig, gemeen gezicht en een rok, waar de flarden bij hingen. De

man, een verschrompeld, nietig ventje, door het vuur uitgedroogd,

en die op een vuilniskar reed, bracht 's morgens de theestoven weg,

terwijl etende, en was den heelen dag niet te zien. 's Avonds zat

hij zwijgend bij het vuur, de klanten helpend, terwijl z'n vrouw bij

het walmende lampje aan de kleêren zat te prutsen, omgeven door een

stinkenden kwalm. Van tijd tot tijd lichtte ze het hoofd op om met

deze of gene een praatje te maken. De kleine zat op een groot blok

hout, met knippende oogen naar de lichtdansingen te kijken, zwaar

leunende tegen den grooten, zwarten doofpot.

Op een morgen was het kind niet goed en het stonk vreeselijk.

»Dat zijn de pokken, let er op!« zei de man.

»In godsnaam, d'r is toch niks an te doen. Maar geen dokter, hoor! Ik

zou je danken! Dan krijg je zoo'n verrekt briefje op je deur en je

klanten loopen je uit den weg als de pest. De nering zou verloopen en

't is hier toch al niet opgeschept!«

»Enfin, we zullen afwachten!«

»Je kent voor mijn part afwachten zoolang als je wilt, maar een dokter

komt hier niet over den vloer, al ging de onderste steen boven.«

Het kind dat altijd zeer stil was, kroop de volgende dagen telkens

in een hoek. De leedjes waren zwaar en pijnlijk. Doch de vrouw joeg

het op, om het wat »op te monteren.« »'t Was altijd zoo'n oud ventje,

maar dat gesikkeneur kon ze niet hebben. Ben je bedonderd? Het moest

wat op 't plaatsje gaan.« Het plaatsje was een kleine ruimte, door

hooge muren ingesloten, waar een oude, grommige bandrekel kregelig

lag rond te kijken en zich krampachtig samenwrong onder de ijskoude

valwinden, die op z'n bruine bast vielen. Daar stond het kind uur

aan uur met vochtige oogen te klappertanden en te rillen onder de

liefkozingen van het monster, de pokken.

Een paar dagen later was het bedekt met kleine blaasjes. Het kon

niet opstaan en weende zachtjes, toen de vrouw het hardhandig uit

bed wou nemen.

»Daar heb je 't gedonder, zie je wel?«

»'k Weet bliksems goed, waar je heen wilt, maar 'n dokter komt hier

niet. Hou nou maar je bek dicht. Jankende kinderen en dan nog een

jankende vent, 't is wat lekkers! Meteen zal 'k een bedje in de

keuken maken, anders steekt Jan en Alleman er zijn neus in en we

worden bekend als de bonte hond.«

»Ik heb er 'n zwaar hoofd in, anders zeg 'k niets.«

»Denk je weêr niet an sterrevé? Een beetje pokken, 't is ook wat! En 't

is maar 'n kind. Erger zou 't zijn als jij of ik kwam te leggen. Dan

liep de heele boel in 't honderd. Eén ding wil ik je zeggen: Er

meê optrekken doe 'k niet. 'k Mot den heelen dag genoeg vort met

m'n donder!«

»Ik zal wel waken, als 't noodig is.«

Het kind werd in de keuken gelegd. Een oud, verrot matrasje op

drie stoelen, een paar kleedingstukken voor hoofdkussen, een dun

dekentje, vol gaten en tot den naad versleten. Daar lag het te

turen, de handjes zenuwachtig bewegende, schuddend van de koorts,

naar het smalle streepje grauwe lucht boven den eentonigen muur. De

wind joeg de rook der bovenburen naar beneden, waar ze bleef hangen

in den zwarten dommel der dikbuikige, ouderwetsche schouw, vreeselijke

gezichten vormend, zoodat de kleine riep: »o vader, 'k ben zoo bang!«

Maar dan sloeg de moeder met de vuisten tegen de deur en door de

doffe trillingen sneden haar ruwe vloeken, zoodat het kind van vrees

ineenkrinkelde.

De rukwinden deden de ruiten daveren. De snijdende huilingen van

den hond, de verwarde stemmenklateringen der klanten, de zwavelige,

gele turflucht doezelden ineen tot een walgelijke massa, waarin de

kleine lijder lag te stuiptrekken. Een jong varken op 'n mesthoop!

En 's avonds keek het naar het dansende vlammetje in het glas olie

en water en naar de wemelende repen schaduw, telkens afdwalende naar

den donkeren gapenden mond der schoorsteen, vol stille ontzetting,

vol stomme doodsangst. En als het vlammetje knetterend uitging,

dan sparde de vreeselijke muil zich open en deed een grooten hap,

alles verzwelgende. Het kind greep wanhopig het dek, de armpjes

langs het lijf, de schouders omhoog getrokken. Tot de koorts weer het

zwakke lichaampje deed schudden, met ijskouden tocht het levensvonkje

beurtelings aanblazend en bijna uitdoovend.

Soms kwam de vader naast het bedje zitten en nam de klamme handjes

in de zijne.

»M'n lief, arm ventje. M'n lief, arm ventje.«

De derde dag, 's Zaterdagsavonds, zei de man:

»Ik blijf thuis. Den heelen dag zit m'n hart me in de keel.« Hij

liet z'n vrouw razen en schelden en stopte alle tochtreten zorgvuldig

dicht. Den heelen dag zat hij in het keukentje bosjes kachelhout te

maken en als hij naar de holle, glazige oogjes zag, op z'n bezige

handen gericht, dan kampten hoop en vrees in z'n versuft brein. Hij

gunde zich geen rust en begon er ellendig uit te zien. Wakende droomde

hij, op een stoel voor het bedje gezeten en met een stem, nat van

ingehouden tranen zeggend: »M'n lief, arm ventje.« Het kind, dat niet

meer kon praten, streelde hem dan het gelaat en aaide z'n handen.

Tot z'n verwondering spoorde z'n vrouw hem aan, om een dokter te

gaan. De zaak was, dat ze van de onteigening had gehoord. Er was

'n slaatje te slaan. En als er geen dokter bij geweest was, kwam er

niets van in, meende ze.

De geneesheer voer hevig uit.

»'t Is een schandaal! Moordenaars ben jullie, moordenaars! Zijn jullie

ouwers? Je bent niet waard, dat de aarde je draagt.«

»Wat zou u wel wille? We zijn geen rijkelui, dat we onze kinderen

op veere bedde kunne legge. Weet u wát een schandaal is? Dat we met

al ons harde werken niet eens het noodige kunnen krijge, laat staan

weelde. We motten dát ook.« En ze maakte een beweging van eten.

De man stond er bij als een arme zondaar en draaide z'n pet in de

handen rond.

»Variolae,« mompelde de dokter. »God, God, wat een menschen zijn er

toch op de wereld.«

Toen hij weg was, ging de vrouw op 'n vreeselijke manier te keer. Ze

vervloekte hemel en aarde. 't Briefje, dat op de deurpost geplakt werd,

scheurde ze er dadelijk af. Den agent, die na een paar dagen kwam

kijken, zei ze, dat het er zeker afgeregend was, wist zij het? Ze had

wel wat anders te doen, dan er naar te kijken. Welzeker, ze zou er een

besteller bij zetten, om er op te passen. Doch ze wachtte zich wel,

het er weêr af te scheuren.

Er kwamen weinig of geen klanten en uit ergernis zat ze den heelen

dag met den tang rond zich te slaan, leelijk vloekend. In het

huis hing een walgelijke lucht van carbol, waarmee de vloer werd

besprenkeld. Zorgvuldig meed ze de keuken en als haar man in haar

nabijheid kwam, sloot ze haar rokken eng om haar lijf. Ze mocht maar

lijden, dat 't gezanik gauw gedaan was. Ajakkes, je had toch niets

als last van je kinderen. Een beroerde hang-aan-je-lijf, die je overal

moest meêslepen. En als ze groot waren, verdomden ze je toch. Nou maar,

zij dankte er voor, zich voor hare kinderen op te offeren.

Een nest menschen · 第 17 / 25 题