»Neen, alleen wat brood met kaas!«
»Nou, kom dan. Ik heb pannekoekjes gebakken. Ik ben er nog wel druk
aan bezig; maar we kunnen er wel vast wat in de wacht sleepen. Een
paar zal ik er voor mijn Judas bewaren; want de lucht van het bakken
gaat er zoo gauw niet uit. Kom je?«
»Niks vaster!« Ze ging en bleef geruimen tijd weg.
De kat was op de »rechtbank« gesprongen en zoo op het kozijn. De
raampjes konden niet gesloten worden dan door een touwtje en daar
dit sluitingsmiddel nu niet was aangebracht, weken ze voor den druk
van het dier.
Een zee van lage pannendaken lag omlaag, want het huis was nog al hoog
en Neel woonde op de tweede verdieping. Hier en daar strekte zich een
dak wat hooger op; maar omdat men bezig was daar eene straat door te
breken, bleef een groot vak van de lucht open. Ver weg, over de huizen
heen, was de lucht rood gloeiend. Een paar grijze strepen liepen door
den vuurgloed heen en eindigden in een zwarten stapel, aan de randen
verguld. Het noordwesten spuwde nog steeds grijze massa's uit, die
een oogenblikje de geheele lucht overtrokken als een grijze wasem,
om dan weer door den wind weggeblazen te worden. Enkele gaspitten
stonden stil tegen den horizon, die al grijzer en grijzer werd. Maar
er vertoonde zich eindelijk een open vak, doorloeid van kronkelende
vlammen, als door den wind allen naar denzelfden kant gebogen. Toen
kreeg het noordwesten een kleur als geel koper, dat doffer en doffer
werd. Een mat licht doortrok den ganschen atmospheer. In de verte
schenen zich de zwarte huizen uit te rekken en de lantaarnpitten
leken groote vonken, in de duisternis verspreid....
Binnen in de kamer was het al geheel donker. Het knerpen van de
keukendeur, door de tocht bewogen; het getiktak van den klokslinger
en het gepruttel van den koffiepot op de kachel braken de hoorbare
stilte af. Een groote lichte plek werd door het kachelgat op den vloer
geworpen. Telkens als er stukjes asch omlaag vielen, was dit ook op
den grond te zien. Op den gloeienden pot speelden sprankelende vonken
krijgertje. Telkens als de vlammen opflikkerden, waren menigvuldige
gaatjes en scheuren in de kachel zichtbaar, evenals de stukken
waschgoed, die in het duister hun nevelige armen en beenen uitstrekten
en waartegen de spelende vlammen gedempt uitkwamen. Ze bewogen zich
zachtjes heen en weer. Het was in de kamer dompig en broeierig warm.
De deur werd geopend en twee gestalten bewogen zich naar de gloeiende
kachel.
»Ze is er niet, maar ze zal zóó wel komen, anders had ze de deur
wel gesloten.«
»Zou je denken?«
»Niks vaster. Maar neem een stoel, mensch en blijf daar niet staan als
een bedelaar. We zullen eens een lekker bakje koffie inschenken. Nou,
het is hier armoe-troef. En dat legt nog al de kaart. Kijk me die
kachel eens: de mijne is er heilig bij.«
»Alles goed en wel Mie, als ze het maar niet kwalijk neemt.«
»En wat dan nog? Als ze begint, scheld ik haar de huid vol, we komen
niet om te halen, wel?«
Vrouw Helms had wat gehoord en trad nu binnen. Terwijl ze de gordijnen
neerliet en de lamp opstak, zei ze: »'k Zal de lamp maar opsteken,
al kan ik mijn geld nog wel zien te tellen. Je wilt zeker, dat
ik de kaart leg?« Ze ziet haar bezoeksters aan, de oogen met de
hand beschermende. Verbaasd klinkt het: »Pietje en Miet?« En de
in schoudermantels gehulde gestalten opnemend, zei ze wantrouwend:
»Wat kom jullie doen?«
»Gut mensch! je kijkt zoo kwaad als een spin, we komen je juistement
wat brengen. Heb je iets warms?«
»Koffie? Je hebt je al bediend, merk ik!«
»Als je niets anders hebt, allá, geef maar op! Is 't niet stief,
het is warm in 't lief. Ik houd anders wel van iets hartigs. Als
'k zei, dat 't niet waar was, zou 'k liegen.« Ze slurpten langzaam
haar kopje leeg. Vrouw Helms nam eene afwachtende houding aan, met
de eene hand op de tafel leunende. Miet begon heel langzaam:
»Je weet, dat je moeder van d'r eerste man Halen heette. 't Was
een broer van mijn man zaliger. Eigenlijk heette ze Halen--Kalen;
want ze waren van adel. Hun moeder gebruikte hun wapenschild voor
aardappelenbak.--Nou was die oudste Halen, je moeders eerste man,
een stiefbroer van zekeren van Aronskerke, die weer oom moest zeggen
tegen«.... »Oom? ben je belazerd of wat mankeert je? Hij was een neef,«
zei Pietje. »Wat neef?« en Miet keek haar vernietigend aan. »Ja, je
zult me wat van de familie vertellen! Dan moet je vroeger opstaan.«
»Toch was hij neef.«
»Kom, mensch! laat naar je kijken. Je grootje is je neef.«
»Ik zeg, hij moest oom zeggen tegen den ridder van Achten tot en
met den Steendijke, die ergens goederen had in Brabant. En wie dat
niet bevalt, bliksemt maar op! Door versterf zijn die goederen aan
ons gekomen, als ik maar wist, wie ze had. We hebben een praktizijn
gesproken en die vond het een mooi zaakje, niet waar Pietje? Zit
nu maar niet te donderjagen: hij moest oom zeggen. Nu is er één
moeielijkheid, het is al zoo lang geleden, van anno 1500 en nog
wat. En dan was de ridder Roomsch of doleerend of zoo iets. En toen
hebben ze hem zijn goederen afgetrocheld. En Nap met zijn beroerde
klauwen heeft de stukken verdonkeremaand, enfin het is een heele
konkelarij. De prakkezijn zei: »Geef me ééne onnoozele vijfentwintig
gulden en«.... »Schudt nou niet als een gek neen,« (dit was aan het
adres van Neel) »Je bent het verplicht. Het is God geklaagd: we zijn
rijk en ik moet op een halve roode cent doodblijven. En als ik het nou
nog op lossen voet wou hebben, dan zou ik zeggen: allá. Maar nou is het
zoo sekuur als iets; als het loskomt, hou je het voor onze neus af.«
»Ja,« zei Pietje, »en dan moeten we nog een doode generaal of zoo
iets«.... »Hahá,« barst Miet los, »die is mooi. Een generaal! Houd
mijn jas vast, dat ik eens uitlach.«
»Word je gek of ben je het?« vroeg Pietje barsch.
»Och, gek mensch, je bedoelt een korporaal!«....
Dat stemde Pietje niet toe. Als men een korporaal zag, zei men altijd:
»anderhalven man en een paardekop.« Een korporaal? Die was de knecht
van de soldaten. Het was een hondebaantje. Een jongen van haar
buurvrouw wou het niet eens worden, alhoewel ze hem gesoebat hebben.
Men besloot, de kwestie open te laten.
»Nou dan, zoo'n hooge van de soldaten,« zei Pietje en deze formule
voldeed beide partijen. »En die laat ordinair wat na.«
»Dat er een erfenis op ons ligt te wachten, is zoo zeker als
iets. Mijn moeder vertelde, dat er een grootvader van haar naar de
Oost was gegaan, of naar de West, daar wil ik af wezen. Al licht
is hij daar getrouwd met eene rijke zwarte. 't Zou al casueel zijn,
als hij niets had nagelaten. Ik ben er voor naar den Haag geweest op
audiëntie«.... »Op klompen,« zei Pietje. »Maar die minister vroeg namen
en die wist ik niet,« vervolgde Miet. »Jij moet in de bres springen.«
»Hoor eens, geld heb ik ook niet, maar..... daar hoor ik Hein.«
»Zoo? Ik moei me niet met andermans zaken, anders zou ik zeggen: »Die
is ook mooi in de olie!« »Ieder huisje heeft zijn kruisje. Laten we
later eens terugkomen,« zei Pietje. De stokoude wijfjes, met bevende
handen en lippen, gingen. Hein gaven ze geen antwoord op zijn groet:
Pietje omdat ze »dronkelui niet kon luchten of zien,« Miet, omdat
ze voor vijftien jaren door Hein van de trappen was gegooid, toen ze
over een erfenis kwam malen.
»Wat een Bokkeneezen, wat een Hottentotten,« mompelde de gekrenkte
Hein. »Als jullie groeten, zal ik ook niet spreken. Kun je niet
groeten?« »Kommandeer je honden en blaf zelf,« zei Miet. »Hier,
ouwe doerak!« Maar Hein had moeite om zich staande te houden. Hij
was zeer aangedaan. Zijn tong sloeg dubbel en telkens viel hij »met
zijn stem van de trappen. En dan was het ordinair donderen met hem.«
Boven gekomen, riep hij, bijna weenend: »Ik zal het nooit meer doen!«
»Dronkenschap en barmhartigheid,« constateerde Neel.
»Dronken? 'k Ben zoo nuchter als een pasgeboren kind. Nou ja.... één
borrel. Mag een mensch dan eens nooit foudeeren?« repliceerde Hein.
»Eens in je leven? Wel, wel?«
»Van Piehiet gekregen, neen, van een kahapitehein.«
»Je liegt. Eerst zeg je van Piet!«
»Van Piehiet? Je bent stapel. Heb ik dat gezegd? Dat kan ik niet gezegd
hebben, want het is niet waar. Denk je, dat ik rusie met zijn vrouw
wil hebben? Dat zou je wel willen, hè, beroerde.... de dwarsdrijver! En
nu basta!« Hij beproefde vergeefs, een eind sigaar aan te steken.
»Kijk eens, zes lucifers maar voor zoo'n verrot end. En dat zit nog
met zijn sliksporen op mijn sporten.«
»Wees maar stil, ouwe, ik zal wel zorgen, dat we rijk worden. 'k Heb
kameraden ontmoet, en die willen alle arme donders rijk maken. Je
hebt niks anders te doen, dan je naam te laten opschrijven en van
tijd tot tijd eens een liedje te komen zingen!«
»Wat is er van het prijsje?«
»Het prehijsje? Wat? o Ja. Dat was een aardige streek. Die Piet is
een verneukbroer. Ze hebben het me maar wijs gemaakt. Er was geen lor
van aan. We hebben een niet. Maar ik vind het toch een echt grappige
streek. Wat scheelt je oude?«
»Wat zeg je daar? Is er niets«....
»Ja, maar Piet heeft zich rojaal gehouden, dat moet ik zeggen. We
hebben pret genoeg gehad. Ik ben«....
»Je bent Lazerus!« zei de gloeiend verontwaardigde Neel.