Vrouw Helms keek op en zei: »Ken je me?«

»Ik ben Klaas Brouwer, je buurvrijer!«

En nu gingen ze de levenspaden na hunner gemeenschappelijke kennissen

en ze bevonden, dat het spoor van de meesten op zeker punt ophield. En

in zijn kommetje turende, vertelde Klaas, dat hij deze en gene nog

onlangs had gesproken, en wat ze zeiden, en wat ze deden. Eensklaps

plaatste hij zich voor zijn nicht, die vriendelijk lachend alles had

aangehoord, en zei: »Je moet me weer wijsmaken, dat ze met den duivel

omgaat. Je bent ook eene mooie!«

»Ik?« Het mensch was waarlijk bleek.

»Ja, zeker, jij! Houd je maar niet voor den domme. Het mensch mag

koffiedikkijkster zijn, alla, dat is tot daaraantoe. Steekt daarin nu

zooveel kwaad? Zeg, Neel, brengt het zaakje anders nog al wat op.«

Hij wees in zijn kopje. »Ik wil naar boven, hihi. Ik zie op straat

niets als een kipje!« balkte buurvrouws spruit aan de trap.

»Loop naar de Mookerhei,« wenschte de moeder.

»Ik ga paaltje springen.«

De gastvrouw maakt veel geweld met de kopjes, wellevendheidshalve. Na

het intermezzo zegt ze:

»We gaan zoo zachtjesaan de nachtschuit weer in.«

»De donkere dagen voor Kerstmis,« meent de man.

»Ja, de dagen korten verschrikkelijk. Die winter breekt je den

nek. Vuur en licht meer en die ongelukkige huur, die weet wat. Een

week is er zoo gauw geweest en opdokken is de boodschap. Maar wat zal

je er aan doen? Als je er wordt uitgezet, ben je in den aap gelogeerd

want je kunt toch maar niet op straat wonen. Is 't waar of niet?«

Zoover was ze met haar philippica gevorderd, toen er geroepen werd:

»Piet Bartelsz.«

»Wat zullen we nu eten?« Ze roept om den hoek der deur: »Kom maar

boven, vader!«

»Pas op, breek je nek niet, hij is te kort om aan te knoopen,«

mompelde ze, toen ze op den trap hoorde stommelen.

Een kaal heer met een »krullebol« en brutale oogen, stapte de kamer

in en zei:

»Wie is hier Piet Bartelsz?« Hij geeft een dagvaarding aan buurvrouw,

de rechthebbende daarop. »Als je niet betaalt, moet je er af.«

»Hangen heeft geen haast. Een kopje?«

»Dank je, vrouwtje, ik heb pas koffie gedronken bij M. A. Waren, je

weet wel, die groote banketbakker. Mijn bloedeigen neef. Onnoemelijk

rijk. Hij bulkt van het geld.«

»Dan had hij je wel aan een ander baantje mogen helpen,« meende de oom.

»o, Louter liefhebberij. Een mensch zijn zin, een mensch zijn

leven. Een mooi vak, een best vak!«

»Nu, enfin, de smaken verschillen. Ik vind het een bedonderd

baantje. Ik verrekte nog veel liever van den honger.... Vet zal het

je anders ook niet maken,« zei de oom en keek de kleeding van den

man aan met een kritischen blik.

»Wie is die brombeer?«

»Zooveel als mijn bloedeigen oom,« zei het vrouwtje.

»Vrouwtje, ik kan geen week geduld hebben. Uiterlijk morgen moet je

er af. Mijn principaal«....

»Zeg aan je principaal, dat ik geen donderdag om hem geef, vader! Er

afgaan doe ik niet. Ik zal ze eerst een kluit aansmeren, want ze

móeten me uitstel geven: het is winterdag. Anders zullen ze me het

huis moeten uitdragen. Wil de huisbaas het schikken, dan wil ik alle

weken een dubbeltje of een stuiver afdoen. Het is me ook op en al

een vette acht gulden!«

»Groot gelijk, ik zou het ook verdommen!« zei oom.

»Jelui bent gemeen tuig!« meende de heer.

»Dank je wel. Bonjour, vadertje, wel thuis hoor! Complement aan je

neef A. B. C. Waren. Weet ik het?«

»Bloedzuiger,« bromde oom.

Na het vertrek van den man werd het gesprek hervat.

»En er is haast geen werk ook! En als er nog wat is, moet mijn man

en een ander achterstaan bij een zustermansbroer, of bij den man van

de kantoorschoonmaakster, die er ingedraaid moeten worden.«

»Nu, van je familie moet je het anders ook al niet hebben. Die is

goed in de soep maar taai in de kook. Ja, als er wat te halen valt,«

zei vrouw Helms.

»Ja, bij ons arme donders.... Binnen!«

»Daar heb je het gedonder door de glazen. Spreek je van den duivel, dan

rammelen.... Wat kom jullie doen?« zei Neel. Het gold twee kinderen,

die nu schuchter bij de deur bleven staan, met gebogen hoofdjes. Het

jongetje keek tersluiks naar den vreemden man.

»Je denkt zeker, dat tante een boompje heeft, waar ze het van

afschudt. Het geld groeit me ook al niet op den rug. Blijf daar

maar staan en kom niet met je sliksporen op mijn matjes. Verleden

week hebben ze mijn gordijntjes verfonfaaid. 't Was een gloeiend

schandaal! Je kunt wel zien dat ze gewoon zijn op een steenen vloer

rond te baggeren. Ze komen me maar opeten. Als Onze Lieve Heer me

voor armoe bewaart, jullie zult me wel voor weelde bewaren. Laten je

vader en je moeder je aan 't werk zetten.«

»Ze zijn nog zoo jong!« merkte buurvrouw op.

»Wat, jong? Ik was ook pas elf jaar, toen ik op mijn eigen stond. Ik

vond het ook geen appelepap. Maar je krijgt er geen blauwe leden

van. Een mensch gaat zoo gauw niet dood.«

De jongen zei: »Ik wil wel werken,« en keek fier rond.

Het meisje fluisterde: »Kom maar meê, ze heeft den bokkepruik op!«

Ze gingen heen, zonder groeten; doch op het portaal hoorde men het

knaapje zeggen: »Wacht maar, als ik maar eens rijk ben, dan zal ik

ze het inpeperen!«

Vrouw Helms zag haar gasten vragende aan, haalde haar schouders op

en zei: »Heb je ooit zoo iets beleefd?«

»Daar heb ik geen hoogte van. Zulke kruidjes-roer-me-niet, dadelijk

zijn ze op de teenen getrapt en ze zijn thuis zoo arm als Job. Zoo

zie je, aangeboden diensten zijn zelden aangenaam. Net wat ik zei:

Van je familie moet je het ook al niet hebben. Die zijn alleen goed

om te halen.«

Buurvrouw beaamde dit; maar haar toon was wat gedwongen.

Het weer was intusschen veranderd. In de donkergrijze lucht waren

bleekblauwe gaten gekomen en het grijze gordijn rolde zich op tot

grillig afgebrokkelde wolken, aan de randen verzilverd met gouden

weerschijn, die statig zuidoostwaarts dreven. In het westen hingen

echter nog een massa opeengestapelde zwarte koppen. Een weenend

zonnetje bescheen de afbraak aan de overkant en lachte zichzelf

weemoedig toe in de gebroken ruiten van de vervelooze ramen, die

tusschen deuren en oude planken tegen de ruwe heining stonden te

leunen. Alles was overgoten met een valsch, schel licht, dat de oogen

zeer deed.

Vrouw Helms keek in haar spionnetje, na eerst de beslagen ruiten

met de hand afgeveegd te hebben. Ze moest daartoe de raampjes even

openen. In het eerst zag ze niet veel, de zon stond juist boven de

natte straat, die een spiegel leek. Het zilveren licht kaatste tegen

de huizen en trilde en tintelde, en deed alles in de verte onzichtbaar

worden. Met moeite slechts kon men in de verte silhouetten zich zien

voortreppen. Plotseling deed Neel eene ontdekking. »Wat zeg je nu

daarvan?« viel ze uit. »Daar komt die Trijn aan, bepakt en gezakt. Die

sleept ook wat. Gisteravond was ze ook al belast en beladen. 't Is

een schandaal, dat is het!« Ze was rood van kwaadheid.

»Die Trijn, houd je daarvan stil! Stad en land eet ze op. Ze trekt

hiervan, en ze trekt daarvan, ze trekt overal van. En altijd heeft

ze rijksdaalders in d'r zak, ik zou het niet willen gelooven, als ik

het niet met mijn eigen oogen had gezien. Het is goed riemen snijden

van een andermans leer. Maar ondertusschen steekt ze mij en een ander

de oogen uit, dat doet ze. En dat loopt 's Zondags maar op laarsjes

met hooge hakken en met een parasol, als de eerste dame van de stad,

stijf van het goud en zilver.« Spreekster loopt eenige malen de kamer

op en neer, in de eene hand eene denkbeeldige parasol, met de andere

de rokken optillend om plasjes over te stappen. Ze waggelt als eene

gans om de aanwezigheid der hooge hakken te doen uitkomen. De anderen

zitten »te stikken van 't lachen.«

»En dan zeggen de menschen nog: Joost mag weten, hoe ze d'r aan

komt! Ik weet het bliksems goed, ze loopt op den bedel, nu ze niet meer

op de baan kan loopen. Maar ze heeft een bleek gezicht en kan de huik

naar den wind hangen en dat legt je geen windeieren, zeg ik maar. 't

Is of ze in de maan gebakken is, net de dood van Ieperen. Maar wat

ik zeggen wil, 't is vast een leugen. o Ja, ik was van morgen bij

haar om.... om wat te leenen, want ordinair staat bij me de lamp

voorover. Armoe is geen schande; maar beroerd lastig. Het is tobben

van den eersten Januari tot den een-en-dertigsten December. Maar wat ik

zeggen wil en jokken niet, ik ging dan bij haar leenen, want je weet,

dat ze dat doet tegen een dubbeltje van de gulden. Het ongelukkigste

is, dat je er als een hollend paard door achteruit gaat. Maar ik zit

nu eenmaal in het schuitje en men moet roeien met de riemen die men

heeft. 's Zaterdags moet ik mijn heele weekgeld aan haar geven en ik

ben blij, als ze me uit den brand helpt. Dan moet ik op een drafje

naar de lommerd om Piet zijn zondagsche jas te halen en die gaat dan

's Maandags weêr weg. Enfin, het is makkelijk, je hebt geen kleerenkast

noodig. Nu dan! Ik was bij haar, daar wordt geklopt, ze roept binnen,

ik zie een sigaar, toen een hoed en toen een gezicht. Ik mag zoo

denken, wie komt daar met zijn gebakken peren? Hij ging op een puntje

van de stoel zitten met zijn hoed tusschen zijn knieën. Hij haalde een

tractaatje voor den dag en ging er meê zitten zwaaien. Wat hij zeide,

weet ik niet meer, het kan me niet schelen ook. Op het laatst viel ze

hem in de reden: »heb je niets anders voor me?« Nu vind ik dat nog al

origineel, want ze wisten niet beter of Trijn had het noodig. En je

dan met een tractaatje op te schepen?! Maar dat is tot daartoe. Eer

ik van de armen nam, vrat ik liever mijn timp op, dat deed ik! 'k

Ging nog liever, waar God me goed land gaf!«

»En ik« verzekert Neel. Klaas zit te gesticuleeren.

»Ik zou die complimenten niet voor zoetekoek willen opeten. En ze

kunnen je wat in je murf douwen, nu, daar zal ik straks eens wat

van ophalen! Die alles kan aanhooren zonder boe of ba te zeggen,

heeft een sjiek leventje, maar ik zeg: »dankje, santjes!«

»Maar je zei:....«

»Ja, 't is waar ook. Nu dan. Heb je niets anders voor me, vroeg

Trijn. Neen, zei hij. Geen spat? vroeg ze weer. Neen, zei hij. Wil je

dan wel eens als de bliksem maken, dat je van mijn kamer komt, zei ze

en ze pakte hem bij zijn lurven en bracht hem den trap af, net als een

kleine jongen. In 't voorbijgaan duwde ze hem zijn hoed op zijn hoofd,

over één oog heen. O, o, hij leek zoo komiek. Totaal verbauwereerd. Je

moet er den schrik onder houden, zei Trijn. Als het een van de heeren

geweest was, zou ik het hem niet lappen. Maar hij is maar een gewoon

armenbezoeker. Als hij durft te reclameeren, zal ik hem wat anders

op zijn brood geven, daar kan je donder op zeggen. Toen blerde de

mangelvrouw aan de trap. »Trijn,« riep ze met d'r slasmoel, »d'r is

iemand voor je. Hij informeert bij de water-en-vuurvrouw.« Trijn ging

naar beneden en ze hadden een pret, zij en Wies, ik gaf een dubbeltje

aan een arm mensch, als je dat had kunnen hooren. Enfin, ik maakte

er dan zooveel uit op, dat Trijn weer op schobberdebonk geweest was.«

»Gisteravond was ze ook al op den snor.«

»Ik dacht zoo, nu moet ik de kat eens uit den boom kijken. Joost mag me

halen, als ik weg ga. Trijn zei: »Ik verwacht iemand,« maar ik bleef

heel bedaard zitten. Wat kan 't mij schelen? Maak je maar niet dik,

dacht ik, dun is de mode. Haast je maar niet, mijn lieve Veronica,

er komt nog een tram. Ze hangt van liegen en bedriegen aan elkaar en

met d'r tong, zoo scherp als een scheermes, zou ze Jan en alleman

maar op den kop willen zitten. Als ze me voortaan wat in den weg

legt, zal ik ze ook eens wat lappen. Maar dat gezegd en gezwegen! Ze

had danig het zuur. Ze had het land als een stier. Ze wou me wel

wegkijken. En mensch«.... (spreekster slaat de handen in elkaar en

zet een gezicht als een »mater dolorosa« op een slechte oleographie)

»als je dat gezien had. In een oogenblik had ze haast al d'r meubelen

weggestopt, tot d'r veeren bed toe. Hoe ze het zoo gauw gedaan kreeg,

gaat mijn verstand te boven, al heb ik het zelf gezien. Goed. Onder

die bedrijven wordt geklopt. Er komt een klein heertje met een neus

van komsa. Ik bleef maar stiekem zitten. Ze keek me aan, zoo kwaad

als een spin, maar ze kon me kwalijk wegjagen. Ze koos dan eieren

voor haar geld. Het heertje hield net of ik er niet was. Of 't mij

kon schelen?! En toen hoorde ik, dat Trijn gezegd had, dat d'r man

ziek was--het is notabene d'r man niet eens--en dat hij versterkende

middelen moest hebben; je kont hem wel wegblazen en meer vijven

en zessen. Ja, dat begreep het heertje. En Trijn zat tegen mij d'r

oogen dicht te knijpen en bekken te trekken. Hij zag het niet, want

hij zat op zijn vingers te kijken. Het slot is, dat ze krijgt. Is 't

niet ongepermeteerd? Toen hij weg was, zei ze: »'t wordt tóch gegeven,

of ik of een ander 't inslik, dat is hetzelfde.« »En in allen geval,«

zei ze, »dan moeten de lui maar beter uit hun oogen kijken en zelf

onderzoek doen.« Maar ik kom er maar op, dat 't zoo onrechtvaardig

gegeven wordt. Daar heb je nu die buurvrouw achter me. Reken er op,

dat de tobberd gebrek lijdt, dat ze zwart wordt. Af en toe geef ik haar

een stuk en een brok; maar veel kan ik ook al niet missen. Enfin. Ze

naaide zakken, maar daar was geen droog brood meê te verdienen. Te

weinig om te leven, te veel om te sterven. Ze was half blind van

's nachts-op-zitten en half lam van het pikken. Ze kon op een goeden

dag geen draad meer door de naald steken. Toen kwam op hooge beenen

de zakkenbaas met een hoop komplementen van belang. Hij moest en hij

zou de zakken hebben. En ze behoefde niet meer op werk te rekenen,

men kon naaisters krijgen bij de vleet. Ik zei: »man, wees bedaard,

we zullen je scheren, baard of geen. Ga jij nou als een man naar

huis,« zei ik, »en eer het avond is, heb jij je zakken.« Hij liet

zich gezeggen en droop af. Ik leende ze een paar centen voor een

wagentje. Eerst wou ze ze niet aanpakken, maar ik zei: »'k Heb geld

genoeg, al leef ik geen uur meer!« Ze gaat en ik zou een oogje in 't

zeil houden, want haar kleine jongen was ziek en we verwachtten een

armenbezoeker; want ik had haar al vroeger overgehaald, op de klacht te

gaan. Maar als ze er op had moeten wachten, tot er wat kwam, dan had

ze wel kunnen crepeeren, het was al een week geleden. Nu dan! Toen ik

naar den jongen ging kijken, hoorde ik dat hij honger had. Ik keek in

de kast, maar jawel, er was geen kruimel te vinden. Het kind zei, dat

het al in geen twee dagen eten gehad had. Niet om daar op te roemen;

maar ik had van Trijn een zak grutten gekregen en een stuk gortig

spek. Ze had het van de diakonie. Grutten lustte ze niet en van spek

kreeg ze het zuur, »weggooien was zonde,« zei ze, »al was het maar

van de kerk.« Nu dan, ik legde dit in de kast en gaf den jongen een

boterham in zijn knuisten. Toen ging ik weer aan mijn werk, want ik

was aan 't kachelpoetsen. En ik kan je op mijn woord van waarachtig

verzekeren, mijn lieve mensch, dat geen haar op mijn hoofd aan den

armenbezoeker dacht. Als 't niet waar is, mag ik lijden, dat ik geen

gezond uur meer heb«.... Zoover was ze gevorderd, toen het kleine

hangklokje twaalf haastige slagen deed. Het klokje was een koopje,

maar er waren in den tijd van een goed half jaar om ende bij vijftien

gulden onkosten op gevallen.

Buurvrouw dronk haar kopje leeg en zei: »Het is al te laat om

aardappels te koken; ik zal maar wat blauwe bliksem klaar maken,

dat is gauw klaar!«

De oom had al dien tijd gezeten, of hij het voor en tegen van iets

woog. Nu stond hij eensklaps op: »Neel ik kan niet anders zeggen, of

het was een verdomd gemeene streek om die kinderen weg te jagen. Ik

zou het niet over mijn verdommenis kunnen krijgen en nu ben ik nog maar

een kerel!« En hij ging zonder groet heen. Neel antwoordde op 's mans

demonstratie met een schouderophalen. Buurvrouw ging hoofdschuddend

heen: ze was geheel confuus en had een kop als een boei. Vrouw Helms

zette zich zeer gemakkelijk over de kritiek heen. Op haar gemak dronk

ze nog ettelijke kopjes koffie en at boterhammen met hompjes kaas, die

ze van een groot stuk vol maden afsneed. 's Zaterdags ging ze altijd

de kaaskraampjes langs en nam van elk een gratis proefje, hoewel ze van

te voren wist, wiens beurt het was, om door haar begunstigd te worden.

Intusschen was buurvrouw bezig met het gereedmaken van 't maal. Dit

bleek; want haar veelbelovend zoontje, dat zich door belofte van

een paar centen had laten bewegen, iets voor zijne moeder te doen,

kwam bij vrouw Helms achtereenvolgens leenen: een beetje blom, een

stroopflap, twee borden, twee tinnen lepels, vier centen voor jenever

voor zijn vader, een potlepel, een stukje boter en een stoel, onder

belofte van spoedige teruggaaf.

Vrouw Helms was onderwijl bezig de kopjes te wasschen. Ze deed dit

in een klein keukentje, net om den hoek van een dwarsstraat, die

in het westen op een groote vlakte uitliep. Slechts een paar huizen

waren daar gebouwd. Toen ze gereed was, ging ze weer voor het raam

in de andere kamer zitten. Het liep naar ééne. Uit het westen kwamen

groote dotten wolken aanzetten, loodkleurig in het midden, gekoperd

aan de voorste randen, in een oogenblik de waterig-blauwe lucht

bedekkend. De gevels der huizen in het noorden kregen een schelle

tint. De donkere daken staken scherp af tegen de lucht. Waar de zon

stond, zag men een groot koperkleurig gat in de wolkenmassa, aan de

randen bewasemd; en ook naar het oosten toe behielden ze dien glans

van opgepoetst bruin koper. Langzaam, bijna regelmatig, vielen enkele

groote vlokken hagelige sneeuw omlaag, een glibberige donkere massa

op de straatsteenen vormend. Boven de huizen achter de plaats spoog

een zwarte schoorsteen een zware klomperige rook uit, welke eerst

door de vochtigheid neêrsloeg en dan, worstelend om omhoog te komen,

zich verloor in de loodkleur, welke nu den geheelen hemel overtrok. De

dunne, armoedige boompjes tegen de heining stonden zeer stil.

Toen de wolken waren voorbij gedreven, hield het zachte sneeuwen

op en op den lichten achtergrond bewogen zich nog slechts eenige

purpergrijze koppen, in het oosten zich tot strepen uitbreidend,

welke boven de huizen bleven hangen, om zich na een poos op te lossen.

Het westen had nu een kleur als messing.....

Na een uurtje kwam buurvrouw weer beneden met een half gekookt

gezicht. Haar man was alweer »opgekrast«. Hij was weêr naar werk gaan

zoeken, hetgeen hij deed door ergens over de leuning van een brug te

gaan hangen en in het water te staren. Hij was dan ook maar opperman

van zijn ambacht.

Onder het genot van nog een kopje--het was nu »grondsop voor de

goddeloozen,« zei de gastvrouw--hervatte ze na een lange inleiding

haar verhaal.

»Onverwacht hoorde ik den jongen schreeuwen. Ik liep op een drafje naar

de achterkamer en nu kwam ik te hooren, dat er een heer, dat was dan de

armenbezoeker, was geweest en dat hij in de kast gekeken en gezegd had:

»Nu, nu, 't zit er aan, hoor! Je moeder hoeft nergens op te rekenen,«

of zoo iets. Of ik ook kwaad was. Enfin, ik ken hem wel, hij is zoo

rood als een schavotdanser en ordinair zie je: »Rood haar en elzehout

is nooit op goeden grond gebouwd.« Den volgenden dag trok ik de stoute

schoenen aan en ging op de klacht. Daar vertelde ik alles van stukje

tot beetje. Maar oele, ze wilden me niet gelooven. En wat geven? Ho

maar. De opperste er van is anders geen kwaje vent; hij was heel

aardig. Eerst zei hij: »Ja, ja, we kennen dat. Zeker een weduwvrouw,

hè? En de vader van het kind is zeker marinier?« »Ekskuseer, mijnheer,«

zei ik. »Dan op zee verdronken?« vroeg hij. Maar toen ik alweer neen

zei, zette hij een verdrietig gezicht. Maar ik kan toch niet voor

niets liegen? Kan ik het helpen, dat de man maar een onnoozel kladder

was? Later hoorde ik, dat ik maar ja en amen had moeten zeggen, dan

had hij wat uit zijn zak gegeven. Maar ik heb geen hondeneus. Je kunt

alles niet vooruit weten, is 't waar of niet? Nu dan, of ik al hoog

of laag sprong, ik kreeg twee vette soepkaartjes. Maar ik dankte er

hartelijk voor. Denk je, dat ik daar dankje voor wilde zeggen? Op

hun kop getimmerd. Maar de arme donder moest er geen schade bij

hebben. Daarom heb ik voor een prikje bij Trijn een heele kaart

gekocht. Later zal ik ze wel betalen en al kan ik niet, dan is het

nog geen doodwond. 't Kan beter van een stad dan van een dorp.«

»Ze heeft anders het heft in handen,« zei Neel. Zeer tegen haar

gewoonte was ze spreekster niet in de rede gevallen. Ze sympathiseerde

niet erg met menschen, die het niet breed hadden. Aan geven had ze

een broertje dood.

Na nog eenige nabetrachtingen ging de buurvrouw heen.

Vrouw Helms pookte de kachel op en ging kousen stoppen, want ze had

geen lust, den godganschelijken dag met over elkaar geslagen armen

door het gordijntje te zitten koekeloeren.

»Als ik rijk was, zou ik het moeten verdommen om wat te geven. Het

komt toch altijd in verkeerde handen. Hè, als ik nu maar eens met

een prijsje uit de loterij kwam. Hein zou er met zijn doode vingers

afblijven, dat geef ik je op een briefje. 'k Zou wel zalig oppassen,

dat hij mijn armoedje er niet doorlapte.«

En, gekoesterd door de warmte, die van de gloeiende kachel

afstraalde, gaf ze zich aan hare phantasie over. Een huisje op een der

buitensingels, met een paar boomen en een houten bank voor de deur;

zij zelf op de bank, breiende en op den weg turende, met een kopje

thee naast zich en haar kat aan haar voeten......

»Wel, zou hij nu alweer bezopen zijn?« Op de trap hoorde ze

mannenstemmen, voetgestommel en hondegeblaf. Er werd op de deur der

leegstaande achterkamer gebonsd en ze hoorde zeggen: »D'r is niemand

op!« »Atjuutjes,« riep eene andere stem. »'t Ga je goed, hoor!«

»Wat zou er nu aan 't handje zijn?« mompelde Neel.

»Open, of ik trap de deur in.«

»Hein, houd je nu maar koestem, of je krijgt van je wijf.«

»Dat zou ik me niet laten zeggen,« stookte een ander.

»Ik wil niet vechten« zei Hein en zette in:

»Atju we moeten, elkander groeten.«

Het was een gebulk van belang. Een der mannen zong faucet.

Neel, die al dien tijd met de hand aan de deurknop had gestaan,

als een zoutpilaar, vroeg zichzelf: »Wat doet de stumper in de

kou? Hier zit hij, of hij zijn laatste oortje versnoept heeft!«

Vastberaden opende ze de deur, scharrelde met de handen rond en trok

onder algemeene toejuiching Hein naar binnen. Deze keek leelijk op

zijn neus en zette een gezicht, of hij geen tien kon tellen.

»Och, vrouw, straf hem niet, hij zal het nooit weer doen.« riep men

op het portaal.

»We hebben hem verleid.«

En onder het maken van allerlei dierengeluiden gingen de »verleiders«

de trap af.

»Staat nu maar niet met je mond vol tanden, je jaagt me wát de

dampen aan!«

Hein was bij de kachel gaan zitten en zeit vertrouwelijk tegen het

ijzeren gevaarte: »Ze zet een gezicht als een oorworm.« En dan tegen

de pruttelende koffiepot: »Ze mocht wel een zondagsch gezicht opzetten:

de honderdduizend is op ons lot gevallen.«

»Weet je het zeker? Maar zet je vuile pooten van de sporten af.«

Haar gelaat klaarde wat op.

»Kijk eens,« biechtte Hein aan de kachel, zijn knieën wrijvende:

»Zeker en zeker is twee. Als ze me zeggen: »Hein, ik heb je vader

zien loopen,« dan zou ik nog niet durven zeggen: »Je liegt het.«

En toch heb ik hem zelf naar 't kerkhof gebracht en ik heb zelf de

briefjes gezien waarop stond: »Rust in 't Putje.« Maar je ziet zooveel

gebeuren. Je bent nooit van iets zeker.«

»Nu ja, met je beroerde geklets. Kom er nu rond voor uit. Weet je

het zeker van het lot?«

»Kijk eens, als de honderdduizend op de vier staarten is gevallen

en je hebt nu de vier staarten, dan zeg ik met mijn domme verstand:

»Ik heb er nog al hoop op!.... Nu zullen we het er van nemen!«

»Geen cent zal je hebben. Ik heb het van mijn zuur verdiend geld

gekocht!«

»Nu ja, zuur verdiend, zuur verdiend! Met koffiedikkijken, 'k Zou me

schamen om er over te spreken.«

»Je schaamt je niet om er van te vreten.«

»Je wordt personeel!« zei Helms deftig. »Ik ben hoofd van het gezin

volgens alle wettelijke en menschelijke wetten en rechten.«

»De mond van het gezin. Je gooit iemand dood met stadhuiswoorden,

maar dat is ook op en al.«

Hij speelde met zijn horloge, dat hij gekregen had, toen hij

vijfentwintig jaar aan de brandweer was. Aan boeten had hem het ding

wel viermaal de waarde gekost; want vooral op het laatst, sinds hij

een liefhebber van vergaderingen was geworden, had hij het land aan

»de spuit« gekregen. Zoodra hij het horloge had, was hij er af gegaan.

»We zullen de debatten sluiten,« zei hij. En in zichzelf mompelde hij:

»D'r moest wat op vallen. Vier staarten, heb je 't ooit mooier gezien?«

Hij begon te deklameren:

»'t Is nu, o lieve vrouw, al lang genoeg gepot.«

»We hebben geld genoeg: de spaarpot moet kapot,« en bedoelde een groen

varken zonder pooten, van aardewerk, met gaatjes in zijn lijf waarin

van tijd tot tijd een dubbeltje werd gestoken.

»Dat heb je zeker weer opgedaan in zoo'n verrekt blad, die je altijd

voor de ramen der boekwinkels staat te lezen. Anders voer je zoowat

geen bliksem uit« zei Neel nijdig. (Hein maakte altijd jacht op

z. g. »humoristische bladen« hoewel hij in de edele leeskunst een

brekebeen was.) Poes, die al voor eenige uren zich in haar schotel

met turfmolm had teruggetrokken, was door de drukte ontwaakt en zat

het echtpaar aan te kijken met knippende oogen. Door de openstaande

deur van 't keukentje tintelde een bundel zonnestralen naar binnen

en vormde op den vloer een gouden streep, die telkens verdween,

als de deur door een tochtje dicht waaide. Poes maakte er jacht op

en trok zich telkens terug, als de streep verdween, om het volgende

oogenblik er weer op toe te springen.

Het gekef van Fidel, die, soms maar een praatje makende met andere

honden, steeds gewoon was alle bezoekers aan te kondigen en het

vooral druk had als er eene equipage voor de deur stil hield, wier

bezitster de kaart wou laten leggen--het gekef van Fidel waarschuwde,

dat er bezoek was. Toen Neel de deur opende, zag ze een heer, die de

slippen van zijn kale jas onder den arm droeg, om ze te beschermen

tegen de aanvallen van het keffertje, dat al zijn cynisme had laten

varen, toen het duiveltje der klerikalenhaat in hem voer. Het scheen

een gloeiende haat tegen zwart te hebben en hoewel hij de rokspanden

tot doel gekozen had, besloot hij als bekwaam politikus, zich maar te

vergenoegen met de meer bereikbare, en óók zwarte, broekspijpen. Hij

beet er in en de heer slaakte een angstkreet, die door merg en been

drong. Doodsangst lag op zijn gelaat.

»Geef het mormel een opflikker!« zei Helms en deed, wat men in de

gymnastiek »een uitval« noemt, met het gevolg, dat Fidel met den

staart tusschen de beenen naar beneden ging, overtuigd, meteen zijn

hart te kunnen ophalen. »Wat naar boven gaat, moet weder naar beneden

komen. Uitstel is geen afstel; borgen is geen kwijtschelden; wat in

't vat ligt, dat en zuurt niet.«

Op deze empirische wetten bouwde hij zijn wraaktheorie.

De heer, die zijn hoed in zijn nek droeg, als wijlen Gambetta, was

onderwijl door het echtpaar herkend als: »neef Gerrit.«

»Ja, luidjes!« had hij gezegd. »Nu ik zie, dat je mij niet opzoekt,

doe ik het jullie.«

»Je was in eens zoo voornaam geworden,« verontschuldigde Helms zich.

»U woont zoo deftig,« zijne echtgenoot.

»Wel nu, komaan!« zei neef luchtig. »En heb ik niet met jullie

meêgegeten, toen ik klein was?«

»Ik dacht dat u het vergeten was!« zei Neel.

»Vergeten? Nooit, nooit, al word ik zoo oud als Methuzalem.«

»Weet je nog wel van die harde scheepsbeschuit, waar we op knabbelden?«

zei Hein, die altijd een buurjongen was geweest van Neel, wier vader

op zee voer.

Een oogenblik kwam er een wrevelige uitdrukking op neefs gelaat;

maar hij zei:

»Vergeten? Het is daarom dat ik je dit bezoek breng.«

»Je weet,« zei hij vertrouwelijk, een puntje van den aangeboden stoel

nemende: »tenminste, je zult wel eens hebben hooren vertellen van eene

erfenis, die vast zit. Nu heb ik overal relaties, ook in Parijs. Van

daar is me de sleutel geworden om deze beruchte Gordiaansche knoop

te ontwarren,« vervolgt hij met min-gelukkige beeldspraak. »Maar

veroorloof me, daaromtrent niet verder uit te weiden. Geef me volmacht,

om in je naam te handelen en je zult zien. Meer zeg ik niet, je

zult zien!«

»Maar kan ik niet zelf voor mijn recht opkomen?« onderzocht Helms. Neel

keek hem leelijk aan.

»Mijn goede vriend, wat zal ik je zeggen? Uit het oogpunt van recht

ongetwijfeld. Onnngetwijfeld! Maar uit het oogpunt van utiliteit,

versta je, zie je, vat je? uit het oogpunt van utiliteit moet ik

een ontkennend antwoord geven. Daar heb je je zegels, je tarieven,

je juries, je gezantschapssecretarissen, heb je daar verstand van?«

»Godallemachtig het zijn toch ook maar menschen. Voor een fooitje

doe je heel wat!« meende Helms.

Neel knikte ontkennend.

»Daar heb je je kanselarijen, je procureurs, je advokaten, je

archieven, je processen enz. enz., dat alles moet gesneden koek voor

je zijn, als je zulke zaakjes wilt behandelen. Is het gesneden koek

voor je? wou ik maar vragen. Ongetwijfeld neen, herzeg ik. Je hebt

al je levensdagen in een gangetje gewoond«....

»Hohó!«

»Nu, in een straatje, egaal, egaal, c'est egal, zegt de

Franschman. Maar let op, ik wil je niets opdringen. Doe wat je niet

laten kunt, al wou je zelfs een ander praktizijn nemen, wat echter

niet.... niet »comme il faut,« niet netjes zou zijn; wat ondankbaar

zou heeten, als er bij ons, beoefenaren der rechtswetenschap, ooit

sprake was van dankbaarheid of ondankbaarheid. Doch het zal geen casus

belli voor me zijn. We zullen de beste vrienden van de wereld blijven,

laat je dat gezegd zijn. Slaap er eens op, doe dat! Aanvankelijk heb

ik vijfentwintig pop noodig; spreek de andere familie er over en geef

elk een kleinigheid«....

»Neen, bliksem!« dacht Helms hardop.

»Ik voor mij zal me ook niet onbetuigd laten. Mijn arbeid, mijn

zaakkennis, mijn bekwaamheid, mijn energie breng ik niet in rekening,

vóór ik je het geld op deze zelfde tafel--of bij mij aan huis--kan

uittellen. Dag luidjes!« En hij stond op. Neel slaakte een zucht van

verlichting: ze was als gebiologeerd geweest.

»Wees zoo goed en breng me de trap af: ik ben bang voor den hond.«

Hein ging reeds naar de deur. Neef keerde zich naar Neel, van zins

haar wat in te fluisteren. Dan Hein was er als de kippen bij, zoodat

neef niet meer kon doen, dan zeggen: »Nu dag, nicht!« en zich te

gelaten of hij vertrekken wilde. Toch vertrok hij niet, dan nadat

hij driemaal de »komedie« (als Hein tot zich zelf zeide) herhaald en

hij zijn doel bereikt had. Neel liet hen beiden heengaan, haalde iets

uit haar zak en duwde het neef op de donkere trap in de hand.

Neef Gerrit had haar wat te leen gevraagd.

Toen haar man weer boven was, vroeg ze peinzend: »Hoe hij er toch

zoo bovenop kwam? Hij is wel altijd een bol geweest, maar hij was

toch maar eerst gewoon bosbode. Toen deed hij in assuranties of zoo

wat en nu woont hij in een villa!«

»Dat is het krediet« zei Hein. »Hoe meer zwiet je slaat, hoe meer

krediet je hebt, hoe meer je kunt borgen, zonder dat ze je manen.«

»Een mooi ding, dat krediet. Had ik dat geweten.«

»Bankroet gaan is nog beter. Daar heb je bakker Jansen. Die woont

eerst in een klein huisje en hij was zoo arm als de mieren. Goed. Hij

slaat bankroet en laat het vertimmeren. Hij slaat weer bankroet en

koopt het huis naast hem en nu heeft hij een winkel van komsa!«

»Bankroet gaan is niet betalen, is niet?«

»Ja! en?«....

»Maar dan moeten ze toch maar niet op d'r gemak zijn. Ik ga maar bij me

zelven na: 'k stierf liever van honger dan altijd gemaand te worden!«

»Jongen, zeg dat niet! Dood gaan is ook geen baantje,« zei Hein

gemoedelijk. »En wat dat manen betreft, dat gaat goed bij arme

lui. Maar bij rijke hanzen? Ze zouden je zien aankomen. Als het die

gaat vervelen, laten ze zeggen dat ze niet t'huis zijn.«

»Ja, dat weet ik nog wel, toen ik ook nog diende... Weet je, waar ik

over dacht? Nu moest tante Grietje nog dood zijn, dan werden we zoo

rijk als Kresus.«

»Ja, die totebel leeft toch voor niets.«

»Je hebt voor twintig jaar eens rusie met haar gehad, hé?«

»Ja.«

»Heeft ze kinderen?«

»Niets als een meid en een kat, kind noch kraai. Ja, erven doen

we vast of.... ze zou alles aan de kerk moeten geven of in d'r graf

meênemen! Het kreng is er toe in staat. Maar als ze maar vast dood was,

want je bent nu tusschen hangen en worgen.«

»Nou ja, maar als we toch niets krijgen, kan ze voor mijn part nog

wel wat blijven leven!« zei de zachtaardiger Neel.

»Gierig dat ze was, nou! Een blind paard kon er geen schade doen. De

aardappelen werden geteld. D'r man zaliger had geen lor in te brengen,

hij moest alles voor zoetekoek opvreten. Dat zou mij moeten overkomen,«

(zijne vrouw gaf zichzelf een knipoogje). »Ze hielden toen een knecht

voor de boerderij en ik heb zelf gezien, dat ze de klokhuizen uit d'r

man zijn pijpen haalde, om ze te drogen en dan in de andere tabak te

doen; want de knecht moest zijn tabak van haar koopen. Andere stonk,

zei ze. Bocht kon ze niet velen.«

»Aprepo, hoe moeten we nou aan het geld van de loterij komen?«

»O, dat zijn wereldsche zaken en die redden zichzelf. 'k Zal straks

eens even aanloopen. Heb je een kwartje?«

»Een kwartje?«

»Of een gulden, dat is ook goed« zei hij met galgen-humor.

»Nou, omdat het zoo'n extradag is. Het gebeurt alle dagen niet.«

Hij beloofde, gauw terug te komen, gebruikte eenige sneden brood met

koffie en vertrok.

»Wat ga je nou eigenlijk doen?« riep Neel hem na.

»Den aap vlooien,« zei Hein, die nu geld had.

»Nou, vooreerst komt hij niet boven water,« zei Neel tot zichzelf. Ze

deed wat koffie bij en liet de pot onder de waterleiding in de keuken

vol loopen. De deur liet ze openstaan, waarvan de kat gebruik maakte,

om eens een kijkje in dat hok te nemen.

Een nest menschen · 第 15 / 25 题