EENE DOODE MUSCH.

»Anneke, tanneke, tooverheks! Anneke, tanneke, tooverheks!«

Zoo joelde een troepje kinderen in een nauwe, vuile straat, ze zagen

op naar twee openslaande raampjes op de tweede verdieping en liepen

telkens gillende weg, als ze eenig gerucht op de trap hoorden. Daar

er echter geen vervolgster te voorschijn kwam, keerden ze ook telkens

weder terug.

»Anneke, tanneke, tooverheks!«

»Tuig van Laban, beroerde kwajongens!« bromde de tooverheks op hare

kamer, met de voet stampende: »je gal loopt over!«

Gelukkig voor haar gal dreef een sneeuwbui de schreeuwers in huis,

zoodat het sarrende deuntje ophield.

Vrouw Helms, aldus was de burgerlijken naam der heks, zag er wel

naar uit, om kinderen schrik aan te jagen. Haar geel, perkamentachtig

gelaat was omlijst door een neepjeskapje en bezet met eene neus, die

neiging had, in haar kin te pikken. Ze was zindelijk gekleed. Dat ze

niet vuil was, bewees ook hare kamer, van de blinkende koperen rand

om de kachel tot de witte geplooide gordijntjes voor de ramen.

Ze was nu bezig koffie te zetten in een wit aarden pot met bruin

deksel. Een zwart-grijze poes zat met knippende oogen in den wasem

te turen en ontving de vleiende namen met een air, of het zoo

behoorde. Soms keek ze peinzend door de ramen, waardoor ze echter

niets kon zien. De waterdroppels, die langs de ruiten biggelden,

maakte het onmogelijk, zooals anders het oog te laten weiden over de

bewaarplaats van afbraak, aan den overkant.

Nadat de koffie behoorlijk aan het pruttelen was gegaan en de kachel,

wier ijver verflauwde, »opgepord,« begaf vrouw Helms zich naar de deur,

van zins hare buurvrouw op de koffie te inviteeren. Ze deed de deur

open en hoorde een verschrikkelijk standje. Buurvrouw riep met heesche

stem: »'k Zal je leeren te zeggen: »'k doe het niet.« Pakaan!« Dit

laatste werd onmiddellijk gevolgd door een gegil: »Moord, moord! help

buren, help!« En toen dreigend: »Wacht maar, hoor, 'k zal het aan

vader zeggen!« De moeder wist, om haar wankelend gezag te bevestigen,

geen beter middel, dan dat van den vader te verzwakken. Althans,

ze riep: »Dien luien slampamper? Die niets kan doen dan eten?«

»'k Moet op straat.«

»Neen!«

»Ja, ik moet!«

»Nu, ga dan maar, kwajongen. Judas! Je bent net zoo'n drein als je

vader. Ik wil je vandaag niet meer onder het licht van mijn oogen

hebben!«

Een geklots van klompen, dat de trap afkwam, bewees dat de knaap

aan het verlangen zijner moeder ging voldoen. Zachtjes mompelde

hij: »Lekker toch!« Vrouw Helms had de reeds geopende deur weder

gesloten; want ze had reden om een botsing met het jongmensch liever

te vermijden. Nadat het gevaar was geweken, blijkens het gejank van

haar Fidel die volgens gewoonte beneden aan de deur naar het weer

stond te kijken en wiens kop de klompen van den jongen wonderbaarlijk

scheen aan te trekken--riep ze naar boven: »Buurvrouw, ben je er op?«

Op deze tamelijk overbodige vraag kwam een bevestigend antwoord en een

sloffende tred naderde van boven, terwijl zware stappen van beneden

kwamen. Vrouw Helms schonk vast in.

»Zoo, nichtje,« hoorde ze een mansstem zeggen: »Ik wou je juist

eens opzoeken.«

»Ja, zie je, oom! ik ben beneden op de koffie verzocht. Ik geef

water-en-vuur en melk, en zij de koffie en suiker. Dat komt veel

voordeeliger uit, zie je!«

»Zeg, is dat bij die tooverheks?« (De eigenaar van het basgeluid

fluisterde op zijn manier.) »Ik heb voor waar hooren vertellen, dat

ze met den duivel omging. Zeg, trap niet zoo op mijn eksteroogen. Heb

je ze al eens voor je in de koffiedik laten kijken? Dat moet anders

sekuur uitkomen. Je hoeft mijn arm niet zoo te schudden, het is geen

medicijnflesch... Ze hebben me wel eens verteld, dat het Vrijdagsnachts

feest is bij kaartlegsters. Dan komt Heintje Pik ook. Dat 's waar,

ik zou wel eens willen weten of hij nu paardepooten of boksvoeten

heeft. Je hoort allebei vertellen. Wat van aan is er zeker, want

ik zeg maar, ze kunnen het toch niet uit d'r poot zuigen! Weet je

wat? Ik ga met je meê. Denk je verdomme, dat ik bang ben?«

Vrouw Helms had alles gehoord, zonder een spier van haar gelaat

te vertrekken.

De deur werd geopend, en men zag een grooten, zwaren kerel, die

zich trachtte te verschuilen achter een klein, tenger, zenuwachtig

vrouwtje met een kleur als een boei. Kwasie luchtig zei ze: »Ik

heb mijn oom maar op sleeptouw genomen. Het is een lolmaker van het

zuiverste water.«

De »lolmaker« zag er op het oogenblik uit als een schooljongen,

die straf verwacht. Behoedzaam zette hij zich neêr, op een puntje

van een stoel, als ware hij bevreesd, dat deze hem op een of andere

verraderlijke manier zou gevangen houden. Eenmaal gezeten, legde hij de

handen op de knieën, terwijl op zijn gelaat angst en verbaasdheid met

elkaar worstelden. De laatste won het. Toen de koffie was rondgediend,

balkte hij op eens:

»Wel verdomme! Ben je het of ben je het niet, Neeltje Spikkel?«

Een nest menschen · 第 14 / 25 题